Dinsdag 18 september:


In de vroege ochtend wordt een negen man sterke RAPWI-party onder leiding van RAF-Wing Commander T.S.Tull geparachuteerd boven Magelang.

Deze groep komt rechtstreeks van Ceylon en verkeert in de veronderstelling dat zich in Magelang krijgsgevangenenkampen met in totaal 24.000 ingezetenen bevinden.

Wanneer dit niet het geval blijkt, besluit Tull zijn RAPWI no. 5 Contact Team in Ambarawa te stationeren, ten behoeve van de organisatie van de hulpverlening aan de nabijgelegen kampen voor burgerge´nterneerden.

Magelang blijft het hoofdkwartier van generaal-majoor Nakamura, bevelhebber over de Japanse troepen in Midden-Java, wiens hulp bij de uitvoering van de RAPWI-operaties onontbeerlijk is.

Teneinde een dreigende competentiestrijd tussen de RAPWi-groepen Wishart en Tull te vermijden, wordt door het hoofdkwartier in Batavia op 24 september RAPWI Mid-Java ingesteld, waaronder voortaan alle "organisaties tot hulpverlening aan de ge´nterneerden in Midden-Java vallen, met uitzondering van de verschillende afdelingen van het Rode Kruis.

Leider van RAPWI Mid-Java wordt Wishart, met als hoofd van het uitvoerende bureau de Nederlandse majoor K. Scholtens; ook het overige personeel is in overgrote meerderheid Nederlands.Tull blijft evenwel aangewezen om de contacten met het Japanse opperbevel in de regio te onderhouden.

In Semarang ontstaan moeilijkheden met Indonesische jongeren wanneer een Nederlandse RAPWI-medewerker, luitenant Tuininga, met ongepast aplomb acht auto's van de NIS requireert.

De Japanse militaire politie weet de situatie slechts met moeite onder controle te houden.