Zondag 14 t/m vrijdag 19 oktober


Eerste Slag om Semarang, in de Indonesische geschiedschrijving bekend als de Pertempuran Lima Hari, de Vijfdaagse Strijd.

Overeenkomstig de voorbereide plannen worden in de ochtenduren van de I4de in Semarang in totaal ongeveer 2700 buiten de kampen verblijvende Europeanen, Ambonezen en Menadonezen door Indonesische politieagenten en pemoedagroepen gearresteerd.

Daarbij is ook een aantal RAPWI-medewerkers, onder anderen dr. Soltau en kapitain Wishart, die evenwel nog dezelfde dag met drie andere Britten weer worden vrijgelaten.

De overige arrestanten worden verdeeld over de Djoernatan-, de Mlaten- en de Boeloe-gevangenis.

In de hotels Centraal en Du Pavillon aan Bodjong wordt het RAPWI-personeel ongemoeid gelaten, maar het kantoor van de RAPWI aan Bodjong wordt bezet en leeggehaald, waarmee ook de radio- en telefoonverbindingen van de organisatie met de buitenwereld zijn afgesneden.

Kort tevoren weet echter de Japanse RAPWI-tolk nog Tull in Magelang te bereiken en hem op de hoogte te stellen van Soltau's en Wisharts arrestatie.

Dr. Soltau slaagt er na zijn vrijlating later in de ochtend vanuit Hotel Bellevue eveneens in, per telefoon contact met Tull te leggen en het bericht van de massale arrestaties te bevestigen; Tull informeert op zijn beurt het Britse hoofdkwartier in Batavia.

Wanneer majoor Kido van de arrestaties ervaart, probeert hij - vast besloten de instructie van het Japanese hoofdkwartier van 12 oktober te volgen - Nakarnura in Magelang te bereiken.

De telefoonverbinding blijkt echter verbroken, waarop hij aan een detachement van zijn troepen in Ambarawa, onder luitenant Ishida, opdracht geeft naar Magelang te gaan om de toestand daar te peilen.

Intussen wordt omstreeks het middaguur het vliegveld Kalibanteng door de Indonesische strijdgroepen ingenomen; de 40 Japanse bewakers worden als gevangenen weggevoerd en in de Boeloe-gevangenis opgesloten.

Pas enkele uren later ontvangt Kido ten slotte uit Ambarawa bericht van Nakamura's overgave in Magelang. Hij instrueert zijn kapitein Yamashiroya aldaar de Japanse garnizoenscommandant van Ambarawa, majoor Kato, ertoe over te halen eveneens tot actie tegen de Indonesische strijdgroepen over te gaan.

Kato gaat daar evenwel niet op in, ook niet nadat Kido zelf hem 's avonds telefonisch tot tweemaal toe probeert alsnog te overreden. Uiteindelijk geeft hij zijn detachement in Ambarawa kort na middernacht opdracht naar Semarang terug te keren. In de stad zijn de IndonesiŰrs er kort na zes uur 's avonds inmiddels toe overgegaan, ook Japanse burgers te arresteren en op te sluiten in de Boeloe-gevangenis.



In het besef van de onvermijdelijkheid van een grote gewapende confrontatie heeft majoor Kido in de uren voordien al voorbereidingen getroffen voor een grote aanval op de Indonesische strijdgroepen.

Om 03.30 uur in de vroege ochtend van 15 oktober geeft hij bevel tot de opmars in twee colonnes, waarvan de eerste via Karangpanas en Tanahpoetih de kampen Lampersari-Sompok, Halmaheira en Bangkong moet bereiken, en de tweede door Nieuw-Tjandi naar Bodjong moet oprukken.

De oostelijke colonne vordert in de loop van de dag slechts tot Djomblang, hoewel van Indonesische zijde hier nauwelijks weerstand wordt geboden. Het doel van deze bewust vertraagde opmars is, de andere colonne de gelegenheid te geven onevenredig verder door te stoten en zo de Indonesische strijders rondom de kampen in Oost-Semarang weg te lokken; in de kampen zelf bevinden zich reeds Japanse bewakingsdetachementen.

Deze opzet slaagt voortreffelijk; op de avond van de I5de is de westelijke colonne doorgedrongen tot het RAPWI-kantoor in het BPM-gebouw halverwege Bodjong, waarbij tevoren in zijn ambtswoning aan het Wilhelminaplein gouverneur Wongsonegoro gevangen is genomen.

In de middag van deze eerste strijddag worden overigens enkele honderden Japanse burgers, onder wie een groep van ca. 340 man die op de 12de uit Tjipiring in Semarang was aangekomen, alsnog gemilitariseerd en - merendeels provisorisch bewapend - over Kido's overige eenheden verdeeld.



In overleg met Wishart en Soltau probeert Kido in de ochtend van de 16de oktober de gematigd-nationalistische directeur van de CBZ, dr. Soekarjo, als parlementair naar de Indonesische linies aan Bodjong te laten gaan, om een bevel van Wongsonegoro tot neerleggen van de wapens over te brengen.

De poging mislukt echter, waarschijnlijk mede vanwege Kido's eis dat de Indonesische strijdgroepen al hun bewapening dienen af te geven, en de strijd gaat onverminderd door.

In de namiddag wordt na felle gevechten Hotel Du Pavillon ingenomen, waarbij een 50-tal Nederlandse, bij het VHK en de RAPWI werkzame vrouwen ongedeerd wordt bevrijd, en ook de Boeloe-gevangenis, de laatste nadat een Indonesische gevangene de Japanners heeft ge´nformeerd over het feit dat hun gearresteerde landgenoten daar vast worden gehouden.

Na de verovering blijken die dag echter ca. 100 Japanse gevangenen, onder wie ook de leden van het bewakingsdetachement van Kalibanteng, uit wraak vanwege Kido's offensief door de pemoeda's op gruwelijke wijze te zijn vermoord.

De Europese gevangenen, in totaal ongeveer 1200 man, zijn ongedeerd, maar uit hun relaas blijkt dat hun kort nadien hetzelfde lot beschoren zou zijn geweest.

Volgens de verslaggeving in Tulls rapport is daarna sprake geweest van harde Japanse vergeldingsacties, waarvan vooral in de omliggende kampongs veel IndonesiŰrs slachtoffer zouden zijn geworden. Ooggetuigenverslagen spreken elkaar op dit punt tegen; er wordt zowel melding gemaakt van bruut Japans optreden en talrijke executies van IndonesiŰrs voorafgaand aan de Boeloe-moorden, als van gerichte vervolging naderhand door de Kempeitai van uitsluitend diegenen, die direct bij de gewelddadigheden betrokken waren.

Feit is in elk geval wel, dat gouverneurWongsonegoro door de woedende Kido persoonlijk ter verantwoording wordt geroepen en naar de gevangenis gebracht om het bloedbad in ogenschouw te nemen.Wbngsonegoro's spijtbetuiging over het gebeurde overtuigt de Japanse majoor daarbij kennelijk niet; de gouverneur wordt zonder veel omhaal in een cel vol bebloede lijken van Japanners opgesloten om daar enige tijd zijn positie te overdenken, 'which', aldus dr. Soltau's rapport, 'must have been extremely salutaryfor him.'



De volgende dag, 17 oktober, rukt de westelijke colonne verder op langs Bodjong en omliggende straten, waarbij naast het gebouw van de Zustermaatschappijen achter het RAPWi-kantoor in een schuilloopgraaf nog eens 75 vermoorde Japanners worden aangetroffen, met benzine overgoten en in brand gestoken.

In de avonduren wordt aan het noordelijke einde van Bodjong contact gemaakt met de andere colonne, die na op de i6de de kampen in Oost-Semarang te hebben bereikt, inmiddels de stadskampongs zuidelijk van de Chinese Kamp heeft gezuiverd en de gevangenen uit de Djoernatan- en Mlaten-gevangenis heeft bevrijd.

Aansluitend bezetten en zuiveren de Japanse troepen de volgende dag ook de resterende Benedenstad en het haventerrein, en worden de toegangswegen tot Semarang bij de bruggen over de bandjirkanalen geblokkeerd om de aanvoer van Indonesische versterkingen uit die richtingen te voorkomen; de toegang uit het zuiden, via de Gombel, was al op de ijde afgegrendeld.



Op 19 oktober is ten slotte de hele stad weer vast in Japanse handen. In totaal heeft de strijd dan aan ca. 150 Japanse soldaten het leven gekost, althans volgens opgave van majoor Kido. Over de verliezen aan Indonesische zijde bestaat geen eensgezindheid; zowel Indonesische als Japanse en Britse bronnen spreken van ten minste 2000 doden, maar een inventarisatie van de Indonesische overlijdens- en vermissingsberichten uit die periode levert een schatting van niet meer dan ca. 300 slachtoffers op, overeenkomend met de 269 graven op het Indonesische ereveld in Semarang.

Het grote verschil kan ten dele verklaard worden door aan te nemen dat enerzijds het plaatsen van overlijdensberichten bij de Indonesische bevolking nog niet in zeer brede kring gebruikelijk was, anderzijds waarschijnlijk lang niet alle Indonesische slachtoffers op het ereveld zijn herbegraven.

Tegelijk met de strijd in Semarang is op 14 oktober ook in Ambarawa en Banjoebiroe de Indonesische actie volgens plan van start gegaan met de arrestatie van meer dan 500 buiten de kampen verblijvende Nederlanders en veronderstelde sympathisanten. Ze worden onder zeer slechte omstandigheden gevangen gezet in het oude FortWillem I, dat tevens als hoofdkwartier van de BKR dient.



Op 15 oktober geven ruim 200 man Japanse bewakingstroepen in de zes kampen in en om Ambarawa en Banjoebiroe zich aan de IndonesiŰrs over, maar tegelijkertijd weet majoor Kido's detachement onder leiding van luitenent Ishida met hun volledige bewapening door de linies van pemoeda's en BKR te breken; deze militairen begeven zich met hun voertuigen naar Semarang om daar aan de strijd deel te nemen.

De nu onverdedigde kampen worden in de dagen nadien herhaaldelijk doelwit van pemoeda-acties, waarbij ondermeer de RAPWI voorraden geplunderd worden en de ge´nterneerden en het RAPWi-personeel voortdurend ge´ntimideerd.

In Magelang komt het op 16 oktober eveneens tot massale arrestaties, waarbij naast de Europeanen met name de overwegend Ambonese en Menadonese bewakers van de twee ziekenhuizen het moeten ontgelden.

Te zelfder tijd evenwel slagen Tull en zijn medewerkers er vooralsnog in, met hulp van de gematigde leden van het KNI te Ambarawa en Banjoebiroe een grote uitbarsting van pemoeda-geweld tegen de kampen te voorkomen.

Slachtoffer van de frustratie en woede onder de pemoeda's over majoor Kido's succesvolle offensief in Semarang worden in dit stadium vooral nog de Japanse soldaten die zich in Ambarawa hebben overgegeven, die eveneens in het Fort Willem I worden opgesloten en zwaar mishandeld, waarbij een de dood vindt.