De koloniale samenleving

De Nederlandse aanwezigheid in de Oost werd gedurende de gehele 19e eeuw bepaald door mannen. Mannen, die meestal leidinggevende rollen speelden.
In de regel kwamen zij als vrijgezel naar Indië, zowel de militair als de burger. Zijn eerste lessen als
sinkeh begonnen al bij het verlaten van de boot.
Hij werd als eenling direct ondergedompeld in ‘het Indische koloniale leven’.
Aanpassing was daarbij vaak een overlevingsstrategie om zich staande te houden onder de zo totaal andere levensomstandigheden, niet alleen klimatologisch, maar juist ook sociaal-cultureel.

Hoe afgelegener het oord, hoe groter de noodzaak was voor een sinkeh om opgevangen te worden.
Het comfort was immers minder en de eenzaamheid groter. Hoger geplaatsten in de steden hadden een heel stel ‘hulptroepen’, zoals de koki voor het eten, de djongos voor de bediening in huis, de jagar als nachtwaker, de kebon als tuinknecht en de koesir (koetsier).
Deze Inlanders waren het, die het leven van de totok leefbaar maakten.
Een totok is een volbloed Europeaan, die in Indië is geboren of al langere tijd in Indië vertoefde.

Behalve de primaire verzorging van de dagelijkse behoeften werd de sinkeh opgevangen in de soos of de club of tijdens de vele partijtjes.
Daar is een zowat dagelijks terugkerend ritueel van ontmoetingen tussen alles wat zich Europees mocht noemen.
Waar het vooral op aan kwam was het zich conformeren aan bestaande waarden en normen, tenminste als men hogerop wilde komen in een rangen- en standenmaatschappij zoals Nederlands-Indië was.
Je moest je er gewoon vertonen. Zij die niet meededen aan deze rituelen, ‘niet met de stroopkwast konden lopen’, stond onverwachte overplaatsing te wachten.

De wet en de praktijk.

De ‘rechtsbedeeling’ in Indië was veel ingewikkelder dan in Nederland, mede doordat rekening gehouden moest worden met de verschillen in rechtsbehoefte die er bij de tientallen verscheidene Inheemse bevolkingsgroepen bestond. Men vond eenheid van rechtspraak (zoals dat gold in Nederland) niet gewenst.

Volgens de Nederlandse wetgeving waren in Indië maar twee categorieën bevolkingsgroepen die juridische status hadden:
Inlands en Europees.
Deze wettelijke indeling viel maar zeer ten dele samen met de gehanteerde verdeling naar ‘rassen’, want mensen van gemengde afkomst werden in één van beide categorieën ingedeeld.
Allesbepalend hierbij was de wettelijke erkenning door de Europese vader: kreeg men die erkenning, dan werd men dus juridisch ingedeeld bij de Europeanen, kreeg men die erkenning niet, dan bleef men Inlands.
In de praktijk kwam het dan vaak voor dat het kind met zijn moeder ‘in de kampong verdween’, een staande uitdrukking die ook in officiële stukken veel gebruikt werd.
Erkenning of wettiging van een kind, door een Europeaan buiten huwelijk verwekt bij een niet-Europese vrouw, kwam voor een kind dus neer op een overgang van de ene naar de andere bevolkingsklasse!
Het recht dat op de moeder van toepassing was gold na erkenning niet meer voor het kind, op wie nu de voor Europeanen geschreven verordeningen en voorschriften golden.
Zijn of haar moeder, de niet-gewettigde vrouw, was en bleef dus per definitie Inlands.
Voor wettiging lag de zaak nog genuanceerder.

De juridische status van Europeaan sloot echter discriminatie geenszins uit.
De regel bijvoorbeeld, dat men voor het bekleden van hogere functies in Nederland geboren moest zijn, of op z’n minst daar een opleiding moest hebben genoten, verwijst onmiskenbaar naar discriminatie en racisme.
Termen als: volbloed Europeaan, totok, mesties, Indo-Europeaan, Indo, Indisch en (vanaf 1940) Indische Nederlander, werden gebruikt om het maatschappelijk verschil aan te geven en zijn tegelijk een verwijzing naar al dan niet gemengde afkomst,
of zoals het regelmatig werd en wordt genoemd ‘van gemengde bloede’.

Een huwelijk tussen een Europeaan en een Inlandse vrouw was overigens bij de wet wel toegestaan.
Maar de hindernissen in de vorm van allerlei bepalingen brachten deze mogelijkheid terug tot praktisch nul.
Zo bestond er voor de Nederlandse man een trouwverbod gedurende de eerste zes jaren van zijn arbeidscontract (hij mocht ook niet met een Nederlandse vrouw trouwen), er waren financiële drempels en administratieve verplichtingen (zoals het aanvragen van toestemming om te mogen trouwen).
In de praktijk kwam het er op neer, dat het niet-gewettigd samenleven steeds meer de regel werd.

De Europese samenleving in het Indië van de gehele 19e eeuw was dus vooral een mannenaangelegenheid.
Deze situatie was (behalve bovengenoemde oorzaken) mede een uitvloeisel van het verbod voor Nederlandse vrouwen om naar Indië te mogen vertrekken,
ingesteld nog door de VOC.
Meer dan de helft van de Europese mannen In Indië leefde ongehuwd samen met hun nyai.
De uit deze relaties geboren kinderen werden Indo’s, Indo-Europeanen of Indische mensen genoemd.
Maatschappelijk gezien (dus niet wettelijk-juridisch) vormde deze Indische groep een tussenlaag tussen de autochtone bevolking (de Inlanders) en de sociale top van Europeanen.
De Indo-Europese bevolkingsgroep stond door de omgang met de Inheemse bevolking sterk onder invloed van de Inlandse cultuur en was daar ook geruime tijd aan verwant.
Na het Britse zelfbestuur (1811-1816) echter ontstond een druk op de Indische groep om zich qua cultuur en omgangsvormen zo Europees mogelijk te gedragen.
Indische vrouwen moesten bij voorkeur geen sarong en kabaja meer dragen, een monogaam Europees huwelijk had de voorkeur boven Inheemse verbintenissen.
Daarbij kwam dat vanaf het begin van de 20e eeuw Europese vrouwen steeds meer toegelaten werden in de koloniën, hetgeen een verdere ‘Europeanisering’ van de Indische cultuur bevorderde.
Ook het opheffen van het trouwverbod na 1920 zal deze tendens hebben versterkt.
Zo ontstond vanaf het begin van deze eeuw in Nederlands-Indië een tamelijk ongelijksoortige bevolkingscategorie, weliswaar met een duidelijk Europese oriëntatie.
Deze heterogeniteit werd vergroot, doordat rond 1920 een derde juridische categorie in het leven werd geroepen:
‘VreemdeOosterlingen’, waarin mensen terecht kwamen van andere Aziatische landen, indien ze naar Indië migreerden, en voor wie andere wetten en voorschriften golden dan voor de Inlanders en de Europeanen.

De schattingen van het aantal Indo-Europeanen lopen sterk uiteen.
Hier speelt natuurlijk de kwestie van definiëring: wie kan nu beschouwd worden als Indo-Europeaan.
Het begrip Indo-Europeaan of Indo blijkt in de literatuur niet echt eenduidig gehanteerd te worden.
Ook op Internet zijn hierover stevige discussies ontbrand.
Het meest gebruikelijk is toch om onder deze groep te verstaan: gemengdbloedigen met blanke voorouders, die naar de wet tot de categorie Europeanen gerekend worden.
Men neemt aan dat omstreeks 1940 in Nederlands-Indië ongeveer 200.000 Indo-Europeanen woonden, die dus naar de wet Europeaan waren en de Nederlandse nationaliteit bezaten.

In sociaal opzicht kende de categorie van Indo-Europeanen nog verschillende geledingen.
Enerzijds was er een groep die erin geslaagd was zich een min of meer Europese levensstijl aan te meten, bijvoorbeeld het groeiend aantal ambtenaren in het (hogere) middenkader.
Anderzijds kende men nog de zogenaamde ‘kleine boengs’ (kleine broers), die ondergeschikte, slecht betaalde baantjes hadden en ‘aan de rand van de kampong’ leefden.



(Only for Microsoft Internet explorer.)