Gong fabricatie Semarang Indonesië

http://www.semarang.nl/gong/

Plaat I (Foto's (Platen))

PLAAT I.



Een kijkje in de smidse op het moment, dat de „gong", onder het smeden, in den haard wordt verhit.
De cirkelvormige lichte plek op den achtergrond is de kratervormige opening van den haard [„prapen"] die, zooals rechts daarvan duidelijk zichtbaar is, feitelijk niets anders is dan een, uit houtskool opgebouwde heuvel.
De „pandji", de leider van het werk, zit met de, beenen in eene kuil, op den grond voor het vuur en behandelt met twee „pěnjoekat's", die daarbij steunen op de houten lat vóór den haard, het werkstuk in het vuur.
Ter rechterzijde zitten op een lager gedeelte van den bodem twee helpers [„noeloep" en „ngaroni"] die de beide blaasbalgen in werking houden. Daar een groot stuk onder handen is, wordt de groote haard gebruikt, waarvan het luchtkanaal [„doengoe"] twee tuiten of „soeling" heeft, aan elk waarvan een blaasbalg is bevestigd. Dadelijk links van deze beide werklieden ziet men het, aan den rand van het verhoogde deel van den bodem, ingelaten aanbeeld, dat „watoe mindan" heet, en waarvóór men den gewonen ijzeren hamer [„paloe"] op den grond ziet staan.
Een weinig ter linker zijde van den „watoe mindan" ziet men in den grond het kleine waterputje [„koboqan",] waarbij de kwast van padistengels [„kobjoq"] ligt.
Vlak vóór de voeten van den „pandji" is het bovenvlak zichtbaar van het, „watoe plarapan" geheeten aanbeeld, waarnaast men het kleine ronde gat in den grond ziet, bestemd om den knop van de „gong" op te nemen, als die op dit aanbeeld gesmeed moet worden.
Naast den „pandji" liggen, in hunne peperhuis vormige handbeschermers [„tjontong""] de beide nijptangen [„soepit"], waarmede hij straks de „gong" onder het smeden zal vasthouden op het aanbeeld „watoe tanděs", waarvan de eenigszins hellende oppervlakte zichtbaar is, tusschen de vier in een kring eromheen staande hamers, die op in den grond ingelaten houten latten rusten.
Aan de zijde van het laagstliggende gedeelte van den „watoe tanděs" ziet men tevens de ophooging van leem [„loeloeh"] welke den „gong" bij het smeden tot steun dient.
Links op den achtergrond zit een der smeden te wachten totdat het werkstuk voldoende verhit zal zijn om gesmeed te worden.
Geheel op den achtergrond, in een hoek van de smidse, ziet men een kegelvormig voorwerp. Dit is een van bladeren en bamboe gevlochten korf waarin de houtskool verkocht wordt. Links daarvan staan eenige ronde vormen voor het gieten van de „lakar's", de metaalkoeken waaruit de „gong's" gesmeed worden, en rechts, half in den grond gegraven, een smeltkroes [„kowi"] voor het smelten van de gong-spijs.