Indonesian
Nederlands - U zelf introduceren
Nama - naam
Kenal - kennen
Senang - behagelijk, blij, tevreden, zich goed voelen
Dengan - met
Juga - ook / toch
Benar / Betul - waar, zeer, veel, erg, juist / juist, inderdaad
Baik - goed
Sekali - erg, zeer, een keer, geheel, heel
Saya senang berkenalan dengan Anda! - ik ben blij kennis gemaakt te hebben met u
Bahagia - bij (permanent)
Sangat - uitermate, ernstig, erg, heel erg