Oei Tiong Ham, de man van 200 miljoen.


Ongetwijfeld de rijkste en machtigste man die Semarang in zijn lange geschiedenis ooit heeft voortgebracht, was de Chinese zakenman Oei Tiong Ham (1866-1924), oprichter van het gelijknamige concern en bij zijn overlijden goed voor een nalatenschap van 200 miljoen gulden.

Tot dit Oei Tiong Ham Concern behoorden in latere jaren ondermeer de oudere Handel Maatschappij Kian Gwan, de N.V. Algemeene Maatschappij tot Exploitatie der Oei Tiong Ham Suikerfabrieken, de N.V. Bank Vereeniging Oei Tiong Ham, die ook de N.V. Bouw Maatschappij Randoesarie beheerde, en de Hiap Eng Moh Steamship Company Ltd.

De grondslag voor dit imperium werd in 1858 gelegd, toen een zekere Oei Tjie Sien, keizerlijk ambtenaar in de provincie Fukien, om politieke redenen zijn vaderland moest ontvluchten en zich na enige omzwervingen in Semarang in Nederlands-IndiŽ vestigde.

In tegenstelling tot het merendeel van zijn medeemigranten van die jaren had Oei in China goed onderwijs genoten, maar aan bezittingen had hij door zijn overhaaste vertrek vrijwel niets van waarde kunnen meenemen.

Semarang was in die nadagen van het Cultuurstelsel sterk in opkomst als centrum van particuliere en gouvernementshandel van en naar Midden-Java.

Een groot deel van de plaatselijke detailhandel was in handen van Chinezen, en ook Oei Tjie Sien begon hier in 1858 als klontong, marktkramer, met als handelswaar goedkope Chinees komrnetjes en ander kleingoed.

Dankzij Oei's uitzonderlijke handelstalent liepen de zaken al snel voorspoedig, zelfs zozeer dat hij naar verluidt in 1863 reeds een kapitaal van 3 miljoen gulden bijeengebracht had.
Hij handelde toen op grotere schaal in wierook en gambir, het laatste een belangrijk ingrediŽnt voor de sirihpruim.
Op 1 maart van dat jaar richtte hij een handelsfirma op met de naam Kian Gwan,'Bron van voorspoed voor iedereen'.
Oei Tjie Sien was inmiddels hertrouwd - zijn eerste vrouw en kind had hij bij zijn vlucht achtergelaten - met Tjan Bien Nio, dochter van een Chinese handelaar in Semarang.

Het paar kreeg twee zoons, Tiong Ham en Tiong Bing.
Van wie de tweede na verloop van tijd minder geschikt bleek voor het zakenleven, reden dat de oudste ten slotte als opvolger voor Kian Gwan werd aangewezen.
Oei Tiong Bing kreeg een relatief groot deel van de bezittingen van zijn vader, voornamelijk land en huizen, voor het beheer waarvan men kennelijk geen speciaal zakentalent nodig achtte.

In 1890 nam Oei Tiong Ham de zaken van zijn vader over. Onder zijn leiding werd de produktie van en handel in suiker vooreerst de voornaamste pijler onder Kian Gwan, meer dan andere cultuurprodukten als rubber, kapok, kofhe en tapioca.
Het verhaal wil dat hem in 1894 een bedrag van 300.000,- risicoloos voorgeschoten werd door de gepensioneerde Duitse consul, die in Semarang een huis van zijn vader huurde.
Dit bedrag stelde Tiong Ham in staat een vijftal oudere suikerfabrieken te kopen, waaronder de nog bestaande Redjo Agoeng bij Madioen. De fabrieken werden gemoderniseerd en onder leiding gesteld van gekwalificeerde managers, vaak Nederlanders.

Zulk professioneel management, aangetrokken om zijn kwaliteit en niet op grond van afkomst of familieband, was in die tijd volstrekt ongebruikelijk binnen de Chinese zakenwereld in IndiŽ, maar bewees aan het stormachtige succes van Kian Gwan spoedig ondubbbelzinmg zijn waarde.
In hun beste tijd leverden de vijf fabrieken niet minder dan 100.000 ton suiker per jaar, waarvan Redjo Agoeng alleen al zo'n 290 ton per dag.
In het kader van een verantwoorde risicospreiding investeerde Oei Tiong Ham een deel van zijn verdiensten in een geheel andere branche, via de Bouw Maatschappij Randoesarie.
Deze fungeerde als ontwikkelingsmaatschappij voor onroerend goed en groeide in latere jaren uit tot de grootste onderneming op dit gebied op Java.
De maatschappij hield zich bezig met de bouw en verhuur van huizen, in het bijzonder voor inheemse arbeiders.

Voor het beheer van andere bezittingen aan land en huizen in Nederlands-IndiŽ en in de Straits Settlements werd het Grond & Huizen Bedrijf opgericht, met buitenlandse vestigingen in ondermeer Londen en Singapore.

Nog lucratiever bleek Oei Tiong Hams pacht van de opiumhandel in Semarang, Soerabaja, Solo en Djokjakarta, die hem tussen 1890 en 1904, het jaar dat het Gouvernement de opiumdisthbutie aan zich trok, in totaal een winst van ongeveer 18 miljoen gulden opleverde.

Het particuliere leven van Oei Tiong Ham was al met minder groots opgezet dan de zaken.
Hij was getrouwd met Goei Bing Nio, afkomstig uit een welgestelde familie in Semarang, bij wie hij twee dochters kreeg.
Naast haar nam hij in totaal zeven bijvrouwen, die hem in de loop der tijd nog elf dochters en dertien zoons schonken.

De laatste zoon werd in 1924 in Singapore geboren, waar Oei Tiong Ham zich drie jaar eerder had gevestigd om niet volgens het Nederlands erfrecht gedwongen te zijn, zijn handelsimperium te laten opdelen over de vele rechthebbenden.
Een andere reden voor zijn vertrek uit Nederlands-IndiŽ was de extra belasting die hem van gouvernementswege werd opgelegd vanwege de oorlogswinsten die in de periode 1914-1918 waren gemaakt met speculaties op de internationale suikermarkt.

In tegenstelling tot zijn vader, die tot zijn overlijden in 1900 streng is blijven vasthouden aan de Chinese leefwijze, was Oei Tiong Ham meer westers georiŽnteerd, al heeft hij nooit de Nederlandse taal geleerd.
Als ťťn der eerste Chinezen verzocht hij in 1889 het Nederlands-Indische gouvernement zijn haarvlecht te mogen afscheren en westerse kleding te dragen, hetgeen hem werd toegestaan.
In 1898 werd hij benoemd tot kapitein der Chinezen, maar twee jaar later op eigen verzoek weer van deze eervolle vertegenwoordigende functie ontheven, in verband met zijn drukke zakenleven.
Wel kreeg hij daarna in 1901 de titel van honorair majoor der Chinezen.

De vader van Oei Tiong Ham had al vroeg in onroerend goed geÔnvesteerd.
Voor zijn familie verwierf hij het landgoed Simongan of Semongan, even zuidwestelijk van Semarang, met daarop het huis Penggiling en de beroemde tempel van Sam Po Kong.
In 1880 verleende het Gouvernement hem toestemming voor bewoning, in die tijd voor Chinezen buiten de Chinese Kamp nog geen vanzelfsprekende zaak.
Onder OeiTjie Siens beheer werd nadien de tempel van Sam Po Kong vrij toegankelijk voor bezoekers, waar deze voorheen slechts tegen betaling betreden kon worden.
Ook Oei Tiong Ham kreeg al vroeg toestemming om buiten de Chinese kamp te gaan wonen en wel op Gergadji, een I9de-eeuwse Europese buurt aan de voet van het 'Heuvelterrein' waar zijn vader uit de boedel van de failliete Chinese zakenman Ho in 1883 een Indische villa had gekocht.
Hier vestigde Tiong Ham zich later met een dochter van deze Ho, inmiddels zijn zevende bijvrouw.

Oei Tiong Ham was een harde werker en een niet minder harde zakenman, maar hield daarnaast van een extravagant leven.
In zijn ruime classicistische villa ontving hij grote gezelschappen, onder wie leden van vorstenhuizen uit Europa en AziŽ.
Om het huis lag een weelderige tuin, waarin een privť-dierentuin met beren, herten, slangen, apen, casuarissen en pauwen het pronkstuk vormde.

Na zijn overlijden in 1924 werd zijn stoffelijk overschot uit Singapore overgebracht naar Semarang en bijgezet in het graf op Penggiling, waarvan hij de plaats lang voor zijn dood had bepaald.
Als zijn opvolgers voor Kian Kwan had hij twee van zijn zonen aangewezen, Oei Tjong Swan en Oei Tjing Hauw.
De eerste trok zich al spoedig terug en Tjong Hauw bouwde door aan het bedrijf.
In 1927 elektrificeerde hij de onderneming Redjo Agoeng, waarmee deze suikerfabriek een model voor moderne bedrijfsvoering in de kolonie werd.
Door de toen in Semarang zeer bekende architect Liem BwanTjie liet hij in 1930 aan de Hoogendorpstraat een nieuw hoofdkantoor voor het concern bouwen, waarvan het interieur alom bewondering oogste door de rijke aankleding met marmer en andere kostbare materialen.
Kian Gwan bleef tot de Tweede Wereldoorlog een florerend bedrijf; in de toenemend moeilijke periode na de soevereiniteitsoverdracht bracht de concernleiding geleidelijk aan steeds meer kapitaal onder bij de buitenlandse vestigingen, vooruitlopend op de escalatie van de politieke en economische crisis in de latere jaren vijftig.
Het resterende Indonesische bedrijf werd ten slotte in 1961 genationaliseerd.

Oei Tiong Ham - Semarang


(Bron: Brommer, B., Semarang Beeld van een stad, Asia Maior, Purmerend, 1995, pag. 19.)