Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pètjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 35

Mijn verhaal - Nederlands Indië 35

Door het onverantwoorde gejakker van onze compagnie waren wij in zeer slechte fysieke toestand geraakt. Proviand was er niet! Er was gebrek munitie. Wat een enorme rotzooi! Vanwege de slechte toestand van de mariniers werd de opmars 24 uur uitgesteld. De mariniers werden gelegerd in de huizen rondom de Aloon-Aloon.
Op 2de kerstdag werd er voeding en munitie gedropt door vliegtuigen van de marine. Eindelijk te eten. Hier knapten we weer helemaal van op. De mariniers konden zich weer scheren en baden en konden schone kleding aantrekken. En eindelijk een goede nachtrust.
De 27ste december kregen wij opdracht om op 11.30 uur onze opmars te vervolgen in de richting van Maospatie. Van daar zouden wij naar Madioen doortrekken.
‘Wat een klerezooi is het met deze actie. Ze hebben zoveel bezuinigd dat we bijna niet meer in staat zijn om een militaire actie uit te voeren. De schoften die dit hebben bedacht zijn misdadigers,’ kankerde een marinier. Deze marinier was een dienstplichtige en zag het al helemaal niet meer zitten.
‘We lopen ons de klere. De ploppers hebben overal de bruggen vernield en kunnen wij onze trucks wel afschrijven. We mogen nog van geluk spreken dat ze in Ngawi voeding en munitie hebben gedropt op de Aloon-Aloon, anders hadden we nog meer in de ellende gezeten,’ zei Levi.
‘Ik ben benieuwd wanneer wij de trucks terug zien,’ zei Leo van de Noot.
‘Reken daar maar niet. Die bruggen krijgen ze nooit zo snel in orde. We gaan lopen. Let maar op,’ zei Jan Haag.
‘En het is nog een heel eind lopen naar Madioen. De ploppers laten zich niet zien maar hebben toch kans gezien onze opmars flink te vertragen,’ ging Jan Haag verder.
‘Ze zijn toch niet in staat ons tegen te houden. Daar hebben ze de kracht niet voor. Ze zullen ons wel op een andere manier pakken,’ zei Hardeman.
Hardeman was niet teveel op het gekanker ingegaan. Zij hadden gelijk. Een marinier kon heel wat aan daar was hij voor opgeleid maar je moet ze wel verzorgen. Een Nederlander kankert altijd. Maar hij is altijd bereid om zijn opdrachten uit voeren. Hij verlangd daarvoor wel dat hij verzorgd wordt.
De leiding had hen in de steek gelaten. Zij hadden moeten weten dat de opmars veel vertragingen zou oplopen. En als ze dat niet wisten dan waren hun inlichtingendiensten niet capabel..
De opmars naar Maospati ging zonder problemen. Er werd bijna niet geschoten. Af en toe probeerde een plopper het met een schot maar daar werd door de mariniers niet op gereageerd. Om 18.30 uur arriveerden wij in Maospati.
Hardeman was ziek geworden onderweg. Hij voelde de koorts opkomen. Hij was doorgelopen omdat hij het gevoel had dat dat nog wel kon. In Maospati was het op.
‘Ik ben zo ziek als een hond,’ zei Hardeman tegen Theo Gruter, ‘Ik denk dat ik een malaria aanval heb.’
‘Kom op, Klaas, ik breng je wel in één van die huizen.,’ antwoordde Gruter, ‘’ Jongens, Klaas is ziek. Kom  we gaan in één van huizen slapen. Klaas moet  nu rusten. Haal even de ziekenverpleger.’
‘Klaas, ga niet op de grond liggen,’ zei Gruter toen ze in een huis waren.
‘Wacht ik trek deze kast omver dan kan je op de achterkant van de kast liggen,’ zei Gruter weer.
Hij trok een grote kast met inhoud van glazen poten met suiker en servies omver. Een hels kabaal was het resultaat.
‘Kom op, Klass, ga hier op de achterkant van de kast liggen.
Hardeman ging op de kast liggen en Gruter gooide een deken over het rillende lichaam van Hardeman. De ziekenverpleger kwam met medicijnen. Eindelijk was er ook eten maar Hardeman kreeg het niet door zijn keel. Hij viel in slaap en de hele nacht sliep hij door. Jan Haag had tijdelijk de leiding van de groep.
De volgende morgen voelde Hardeman zich een stuk beter. Hij at was en het smaakte hem wel.
‘Gaat het weer, Klaas,’ vroeg Gruter.
‘Ja, ik denk dat ik er weer dooheen ben. Ik heb goed gerust vannacht en de medicijnen hebben gewerkt.’
De compagnie moest verder, naar Madioen. Ook deze mars verliep zonder problemen. Ook nu weer lieten de ploppers niets van zich zien of horen. Maar wij waren er van overtuigd dat zij ons goed in de gaten hielden. Op 28 december arriveerden wij  om 11.00 uur in Madioen.
‘Hardeman, jij blijft bij de verkeersbrug. En denk er aan hij moet intact blijven,’ zei luitenant van de Berkhof.
‘Oké, luitenant.
Bij de brug stonden een paar kleine huisjes. De huisje waren verlaten door de bewoners. De groep van Hardeman trok in de huisjes om daar te blijven totdat zij werden afgelost. De opdracht was de brug te bewaken. Vanaf 1800 uur moest er patrouille gelopen worden met vier man in de richting van Maospati. De afstand die gelopen moest worden was heen en weer ongeveer tien kilometer. Vier mariniers hielden de wacht bij de brug en vier mariniets hadden rust. Onmiddellijk richtten wij ons in voor de nacht en daarna werd de wacht ingedeeld. Uiteraard moest er ook ’s nachts de wacht worden gelopen. Het was een zware taak en er kon alleen overdag wat worden gerust.
Hardeman kreeg weer een malaria aanval.
‘Jan, het is weer mis. Ik krijg weer een malaria aanval. Neem jij voorlopig de groep over. Zorg ervoor dat de patrouilles worden gelopen en dat de brug wordt bewaakt,’ zei Hardeman.
‘Ik neem de groep, Klaas. Maak je geen zorgen. Ik zal onmiddellijk medicijnen laten halen. Ga maar direct plat,’ antwoordde Jan Haag
Driedagen lag Hardeman met hoge koorts op de baleh-baleh. Hij ijlde. Eten doet hij niet. Jan Haag bleef zoveel mogelijk bij hem in de buurt. Als Jan Haag moest patrouille lopen dan was Theo Gruter bij hem in de buurt. De ziekenverpleger kwam elk even kijken. Op oudejaarsavond is Hardeman doodziek. Na de vierde dag zakte de koorts en Hardeman had weer zin in eten. Jan Haag had soep gemaakt en hielp Hardeman met de soep eten. Hij was zo slap als een vaatdoek. De soep smaakte uitstekend.
‘Hoeveel dagen lig ik al op de baleh-baleh, Jan,’ vroeg Hardeman.
‘Vier dagen. En je hebt heel wat afgepraat. Het is maar goed dat niemand je begreep want volgens mij heb je heel war geheimen verteld,’ lachte Jan Haag.’
‘Was het zo erg?’
‘Je bent goed ziek geweest.’
‘De soep heeft mij goed gesmaakt, Jan. Maar ik voel mij als een dweil,’ zei Hardeman.
‘Je bent altijd al een kampongdweil geweest, dus er is weinig veranderd,’ antwoordde Jan Haag, ‘’ Komt vanzelf wel weer goed. Ik zal je vol stoppen soep.’
Hardeman bleef nog drie dagen op de baleh-baleh liggen en voelde zich daarna weer zover hersteld dat hij de baleh-baleh afkwam en zich aankleedde.  Hij ging wat heen en weer lopen in de omgeving van de post en de brug en ging in de zon zitten als deze er was. Het regende nog veel. Na een paar dagen was hij weer zover in orde dat hij een patrouille meeliep. Het is een patrouille in de nabije omgeving. Tijdens de patrouille waren er moeilijkheden met de vijand. De bevolking was schichtig. Toen de patrouille terugkeerde op de post was Hardeman uitgeteld.. Hij ging gekleed op de baleh-baleh liggen.
‘Blijf maar een poosje liggen. Ik zorg wel voor de boel,’ zei Jan Haag.
Hardeman viel in een diepe slaap en werd pas de volgende ochtend wakker. Jan Haag had de schoenen van Hardemans voeten getrokken en zijn sokken uit gedaan. Toen hardeman wakker werd voelde hij zich uitstekend. Hij lag gedeeltelijk gekleed op de baleh-baleh. Hij stond op, kleedde zich uit en ging mandi. Daarna was hij helemaal de oude.
‘Gaat het Klaas. Doe het anders maar rustig aan,’ zei Jan Haag.
‘Het gaat weer prima, Jan. Bedankt voor je verzorging. Anders was er niet veel van mij terecht gekomen,’ antwoordde Hardeman.
‘Maar nou moet je weer snel aan het werd, Klaas,’ lachte Haag.
Hardeman had ergens onderweg van Ngawi naar Maospati malaria opgelopen. Het begon in Maospati en hier in Madioen brak het goed uit. Door de vermoeidheid had hij weinig weerstand gehad en de malaria was toen uitgebroken. Hij was nu weer in orde. Hij moest inderdaad weer aan het werk. Er was veel werk te verrichten. Het was constant patrouillelopen of de wacht doen. En het was heel erg slecht weer. Maar de brug moest bewaakt blijven. Het was de gewoonte van de mariniers om steeds je gezicht te laten zien. Dat deden wij overal. Als je op je plaatst bleef zitten dan zaten de ploppers zo op je lip. Een geweergroep bestond uit twaalf man en de groepscommandant. De groepscommandant liep uiteraard ook de wacht en de patrouilles mee. De omgeving was niet gezuiverd er konden dus overal ploppers zitten. Tijdens de patrouilleloop liepen wij met de wapens schietklaar in de hand. De uren dat wij patrouille liepen waren altijd in het donker.
Het was om 18.00 uur donker en om 06.00 uur licht. Wij namen geen enkel risico. Er werd in de omgeving van Madioen veel suikerriet geplant. Er waren heel grote suikerriet velden. Door de velden liep een smalspoortje. Waar de suikerriet op lorries werd vervoerd naar de suikerfabrieken. ’s Nachts waren er mensen in de suikerrietvelden aanwezig. Zij stalen daar de suikerriet om er zelf suiker van te maken. We wisten niet of het bevolking was of dat het ploppers waren. Voor de bevolking was het levensgevaarlijk om ’s nachts in de velden aanwezig te zijn.. ’s Nachts schoten de mariniers op alles wat bewoog. Zij namen geen enkel risico. Daarbij kwam ook dat de mariniers niet wisten of het burgers waren of ploppers. De ploppers hadden burgerkleding aan en daaronder heel vaak hun wapens. Overdag zou het anders zijn dan kon je de mensen op afstand houden.
In de eerste nacht liep de patrouille aan beide zijde van de weg, 2 mariniers links en 2 mariniers rechts van de weg. Het was bewolkt en af en toe kwam de maan tevoorschijn. De patrouille verplaatste zich langzaam. Honden begonnen te blaffen. Zij merkten de vreemdelingen op. Er was niets te zien.. Er werd halt gehouden bij een brug daarover liep het smalspoor. De marinier stonden bij elkaar en hoorden een rommelend geluid. Het leek of er iets over het smalspoor kwam. De hielden hun wapens schietklaar. Ze zagen een zwaar en groot voorwerp over het spoor aankomen. Het bleek een lorrie te zijn. Ze hoorden stemmen. Toe de lorrie zichtbaar was en men ook de mensen kon zien schouderde de BAR schutter zijn wapen en schoot in de richting van de lorrie. Het was een hels kabaal in de stilte van de avond. Geschreeuw en gegil,geplonsd in het water van een smalle kali. Dan is het weer doodstil. De patrouille bleef rustig afwachten. De mariniers lagen nu plat op de grond. Er gebeurde verder niets. De patrouille keerde terug naar de post en meldde aan Jan Haag omdat Hardeman nog ziek op bed lag, wat er was gebeurd.
‘Ga straks als het licht is terug naar de plaats waar het is gebeurd en kijk wat er allemaal aan de hand is,’ zei jan haag.
Direct na dat het licht was geworden ging de patrouille weer naar de plaats waar geschoten was. Een lorrie stond vlak bij de weg. De lorrie was afgeladen met suikerriet. In het veld lagen een aantal dode mannen en vrouwen.
‘Moet je verdommem hier zien. Hier hangt een zwaar gewonde vrouw half in het water,’’ zei marinier Hilderink.
Het was een oude vrouw. Zij was zo zwaar gewond dat hulp haar niet meer kon helpen. Zij rochelde uit haar keel. Terwijl de marinier naar haar toebuigt valt haar hoofd opzij en sterft zij.
‘Jezus, Hilderink, het lijkt wel of jij altijd oude vrouwen moet doodschieten,’ zei een marinier, ‘ In Modjokasri schoot je ook al een oude vrouw dood.’
‘Ik kan er niets aan doen. Ik kan niet eerst vragen of er oude vrouwen bij lopen. Ik neem geen risico, voor het zelfde geld zijn het poppers,’ antwoordde Hilderink.
‘We moeten dat wel in de gaten houden want die mensen komen natuurlijk elk nacht hier suikerriet halen,’ zei Gruter, wiens patrouille het was, ‘ Kom op we gaan terug. Voor ons is hier niets meer te doen.’
De mariniers lieten alles voor wat het was en keerden terug naar de post.
‘Er zijn een aantal doden n er lag een heel oude vrouw, zij stierf toen wij er aan kwamen. Deze mensen stelen suikerriet en daarvoor gebruiken ze de lorries,’’ zei Gruter tegen Jan Haag.
‘Dan hebben ze goed pech gehad dat jullie daar nou net waren. Zij hebben wel behoorlijk risico genomen,’ antwoordde Jan Haag. Hij liet het er verder bij. Over de doden werd niet meer gesproken. De kampong bevolking zal dat zelf wel oplossen.

Tot 10 januari waren we bij de brug. We hadden een erg drukke tijd achter de rug. Veel patrouille- en wachtlopen. Tijdens de patrouilles waren er veel doden gevallen bij de Indonesiërs. Ook waren nog een paar mariniers ziek geworden. Daar door werd de patrouillegang nog zwaarder. De afmattende opmars naar Ngawi had nog meer mariniers ziek gemaakt. Maar intussen was iedereen weer hersteld en in goede conditie. De actie had ook veel tegenslag vanwege de Westmoesson. De wegen waren zeer slecht en er was veel oponthoud geweest dor allerlei obstakels.. Deze slechte militaire actie was te danken aan een zeer slechte politieke beslissing. Wij konden ons niet voorstellen dat hoge militairen die toch verstand moesten hebben deze beslissing zelf zouden hebben genomen. Hoewel wij militairen geen verstand hadden van politiek, althans ons er niet mee bemoeiden, had de politiek en de militaire top grove fouten gemaakt.

  Compagnie ‘W’ ging Madioen verlaten en werd naar Padangan overgeplaatst. Deze plaats lag in de buurt van Tjepoe waar de een olieraffinaderij van de BPM was gevestigd. De plaats lag ongeveer 20 kilometer te noorden van Tjepoe. In het gebied rondom Tjepoe lagen veel olievelden. In Padangan kwam de compagniespost. De compagnie zal wel weer over een aantal posten worden verdeeld. Hardeman hoopt dat hun peloton niet op de commandopost werd gelegerd.
De compagniescommandant had zich ontpopt als iemand die niet geliefd was. Je hoorde nooit iets van de man. Hardeman had het van geruchten. Hij had de man nog nooit gesproken en hij had zich ook nergens laten zien. De pelotonscommandant van het 2de peloton was geen beroerde vent. Maar veel hadden wij nog niet gemerkt van hem. Tijdens de opmars naar Madioen had hij net als de andere officieren niet veel gezegd. Voor hen als voor ons was de 80 kilometer lopen van Ngawi naar Madioen net zo zwaar geweest als voor de rest. De PC van Hardeman had zich niet laten zien tijdens de ziekte van  Hardeman.
Hardeman vond het heel gek dat er zo weinig uitging van de officieren in de compagnie.
In Padangan hoorden wij dat wij een eigen post kregen.
De PC en de OPC riepen ons bij elkaar en vertelden ons wat er ging gebeuren.
‘Ons peloton heeft de opdracht gekregen om de olievelden bij Banjoe Oerip veilig te stellen. Er zijn nog geen troepen voor ons geweest. Wij zijn dus de eersten die daar komen. Er is weinig of niets bekend van het gebied en wij weten ook niet hoe de ve3lden eruit zien. Wij kunnen vijandelijkheden verwachten. Banjoe Oerip ligt in de heuvels. Groepscommandanten controleren hun munitie op de man. Morgenvroeg vertrekken wij. Heeft er nog iemand iets te vragen? Niemand had vragen. Ook de majoor had geen verhaal of vragen en beide gingen zijn weg.
Hardeman hoorde nog even later dat wanneer Banjoe Oerip bezet was er employees van de BPM achter ons aan zouden komen om de velden te controleren. Er moest weer zo snel mogelijk olie uit de grond komen.
De volgende ochtend stonden wij gevechtsklaar om naar Banjoe Oerip op te rukken. Het was al licht. Er stonden een paar trucks waar ons peloton mee naar Banjoe Oerip zou worden gebracht. Wij vertrokken. Het ging goed totdat wij op de weg kwamen naar Banjoe Oerip. Het was een basaltweg. En heel lang niet onderhouden. Maar beroerder was dat alle bomen langs de weg omgekapt waren. De truck konden niet verder. Dat was een tegenvaller. De sterke GMC’s trokken met hun winch de bomen opzij. Onder leiding van een adjudant van de motorcompagnie werd er hard gewerkt. Maar het oponthoud duurde te lang. We moeten zo snel mogelijk boven zien te komen. De infanterie ging te voer verder. Zij moesten over de bomen klimmen met hun zware marsbepakking en wapens ging dat niet snel.
‘Sergeant Hardeman ga met je ploeg naar voren en probeer boven te komen,’ riep de luitenant.
‘Groep twee, snel voorwaarts.,’ riep Hardeman naar zijn mensen. De groep sprong en klim over de bomen en zij gingen zo snel als mogelijk voorwaarts. De rest van het peloton bleef bij de trucks die druk bezig waren met het wegslepen van de bomen. De obstakels hielden op en Hardeman rende met zijn mensen naar voren. Er gebeurde niets!.
‘Kom op. mannen. We moeten zo snel mogelijk boven zien te komen,’ riep Hardeman, hij liep bij de voorste ploeg. De kampong lag op de top van een heuvel. Geen schot werd er gelost. De mariniers rende het laatste stuk omhoog.
‘Kijk goed uit, riep Hardeman. Nog steeds werd er niet geschoten. De mariniers rende voorwaarts.
‘Als we boven zijn verspreiden en dekking zoeken,’ riep Hardeman weer. Ze zijn boven. De mariniers zoeken dekking en wachten af wat er ging gebeuren. Hardeman liep nog iets verder met een ploeg mariniers. Ook nu gebeurt er niets. Er hadden mooie huizen gestaan maar allen waren in de brand gestoken. Het was een grote puinhoop. Er was niemand te zien. De kampong huizen waren leeg.  Iedereen was gevlucht.
‘Verbeter je positie en kijk goed uit.,’ zei Hardeman. Hijzelf liep naar het hoogste punt en keek in de diepte waar de trucks nog bezig waren met het wegtrekken van de bomen. Hardeman zwaaide met beide armen heen en weer. Zijn Pc ziet hem staan zwaaien en steekt een arm omhoog. Hardeman stak zijn arm omhoog en draaide een kwartslag en liet zijn  arm gestrekt naar voren vallen, ten teken aan zijn PC dat hij en de rest van het peloton naar boven konden komen. Een AG-ploeg bleef bij de trucks als bewaking.
Toen de PC boven was zei Hardeman, ‘ Er is niemand te zien, luitenant. Er staan genoeg huizen hier waar wij kunnen intrekken. De stenen woningen van de BPM zijn allemaal in de brand gestoken en vernield. Er is geen huis intact..’
‘Prima sergeant, je was snel boven,’ antwoordde de luitenant., ‘ Majoor, laat alle groepen de omgeving afzetten. Laat de groepscommandanten bij mij komen.’
De major waarschuwde de anderen twee groepscommandanten. Toe  men bij elkaar stond zei de PC, ‘’
We gaan eerst rondkijken. Neem een AG-ploeg mee. We kunnen dan zien hoeveel huizen er ter beschikking zijn waar onze mensen in kunnen legeren.’
Hardeman nam een AG-ploeg mee en zij liepen de kampong binnen. Er stonden genoeg huizen en de meeste waren leeg.
‘Inderdaad er staan genoeg huizen.,’ zei de luitenant. Wij stonden stil bij een stenen huis dat lager lag dan de rest van de huizen. Het was een leuk huisje.
‘Neem de huizen die zo dicht mogelijk bij elkaar staan zodat de post niet te uitgestrekt wordt. Verzamel het peloton en ga per groep in een huis of eerdere huizen liggen. Hardeman zet jij je posten uit totdat iedereen geïnstalleerd is. Zoek zelf alvast je huis uit. Om 1800 uur tot 0600 uur dubbelposten uitzetten.’
‘Oké, luitenant.’
De groepscommandanten haalden hun groep bij elkaar en installeerden zich in de huizen. Een uur later was iedereen geïnstalleerd. Ook de groep van Hardeman had zich in een huis geïnstalleerd.
De majoor had de wachtregeling in orde gemaakt en om 1800 uur konden de mensen hun posten betrekken. De truks waren intussen ook boven gekomen en konden wij onze tampatje ook nog opzetten.
‘Morgenochtend gaan we beginnen met het bouwen van opstellingen. Er zijn genoeg zandzakken meegekomen,’ zei de majoor.
De employees van de BPM waren direct na ons aangekomen en installeerden zich op een klein veldje bij de post. Zij hadden een houten woning bij zich die in een ogenblik in elkaar gezet werd. Zij hadden alles bij de hand en complete inrichting van een huis.. Er was weinig contact met deze mensen. Ze waren niet onvriendelijk maar ook niet erg spraakzaam met de mariniers.. Banjoe Oerip was een mooie kampong geweest. Er hadden mooi huizen gestaan voor de employees en misschien wel gezinnen. Maar geen een huis was nog te bewonen. Zo gingen wij de eerste nacht in op Banjoe Oerip. In de nacht gebeurde er niets. Goed uitgerust werden we wakker.

Onze kok, een afgekeurde infanterist had zijn kombuis al in orde. Hij was vroeg wakker. Hij moest ervoor zorgen dat er voor het peloton een ontbijt klaar was. Na het ontbijt ging er een patrouille uit om de omgeving te verkennen. Zij hadden de opdracht om eerst het gebied met de oliepijpleidingen te gaan controleren. Dat gebied was voor de employees het belangrijkste werk. Daar moesten zij dagelijks werken. De mariniers moesten daar dagelijks een patrouille rijden. Na een paar uur kwam de patrouille terug met het bericht dat het olieveld er zeer verwaarloosd bij lag. Er waren afsluiters vernield waardoor en olie wegstroomde. Ook was er door de bevolking met provisorische middelen olie uit de grond gehaald. De grond was zeer vervuld. Er zou heel wat werk verzet moeten worden door de employees van de BPM. Zij wilden zo snel mogelijk aan het werk. Voordat zij aan het werk gingen reden wij met een GMC de weg af om te zien of alles veilig was. Vooral moest er uitgekeken worden of er geen mijnen of bommen in de weg lagen. De mariniers waren verantwoordelijk voor de veiligheid van de employees van de BPM.
Buiten onze post stonden nog een paar huizen. De bewoners keerden weer terug. De bewoners van de huizen waarin de mariniers nu woonden hadden wij nog niet gezien. Niemand kwam zich beklagen.
Op onze post hadden we een Indische jongen als hoofd van de VDMB. Hij had een paar Indonesische informanten. Deze knapen waren veel op weg naar de kampongs. De bewoners die terugkeerden werden verhoord door de VDMB.
Maar zo als altijd zij wisten van niets. Er woonden alleen vrouwen in de huisjes. De mannen waren nog niet teruggekeerd. De eerste dagen werden veel zandzakken gevuld om de stellingen te bouwen. In de stellingen stonden mitrailleurs en ’s avond werden de anderen stellingen bemand met BAG’s. De post was goed beveiligd. In de omgeving van Banjoe Oerip waren veel djatibossen. Het waren heel dichte bossen. Jarenlang was er niet gekapt. Rondom onze post moesten de mariniers nogal struiken en bomen kappen vanwege een goed schootsveld. Dat moest wel anders zaten de ploppers ons op de lip zonder dat we er erg in hadden.
Na een week ongeveer kwamen er meer bevolking terug. Zij kwamen vragen of ze terug mochten in hun huizen. De luitenant gaf daar toestemming voor. Ook kwamen ze vragen of ze in de huizen terug mochten waar de mariniers in zaten. Dat ging niet door. De families die niet in de huizen terug konden gingen bij de anderen inwonen.. De luitenant vond dat hij die toestemming moest geven omdat het vervelend genoeg was voor de mensen dat ze niet in hun eigen woning terug konden.. Hoe lang dat zou gaan duren wisten wij niet. En als wij afgelost zouden worden wisten we ook niet hoe dat dan zou aflopen. Maar daarover maakten wij ons niet druk. De mariniers hadden werk genoeg te doen. Onze post was niet afgesloten, iedereen kon zo door de post lopen. Mensen die er hadden gewoond haalden vruchten of andere dingen van de tuinen. De kampong was erg nieuwsgierig en keken hun ogen uit. Naar die blanke jongens. Het was het aanzien niet waard want de hele dag liepen de mariniers in pendek. Ze waren allen diep bruin. Jaap Meertens liep de hele dag met een oude schipperspet die hij ergens had gevonden. Zijn haar was lang en had een baard. Althans iets dat er op leek. Maar als de mariniers op patrouille gingen dan waren ze in gevechtstenue. De wapens schietklaar in de hand. Geen enkele risico werd er gelopen. Maar op de post kwamen veel mensen. Er waren ook nu wel mannen bij. Ze mochten niet blijven staan kijken. De wachtposten gelasten ze door te lopen. Aan kijkers hadden mariniers niets. Je wist maar nooit wat voor mannen het waren. De mariniers dachten wel dat er ploppers bij waren.
De patrouillegang was volop in gang gezet. Elke dag gingen er patrouilles uit. Soms van een dag maar ook patrouilles van meerdere dagen. Allereerst de rijdende patrouille. Een GMC ging elke morgen met zes mariniers, een patrouillecommandant, dat was een sergeant, op patrouille. Het ging er dan om te kijken naar eventuele vijandelijkheden. Zoals eerder gezegd of er geen mijnen of bommen in de weg lagen. Maar ook of er geen vijandelijke militairen in de omgeving aanwezig waren. Dat was moeilijker want zij lieten zich niet zien. Maar elke morgen gingen de employees van de BPM aan het werk. Het was nog niet gebeurd dat zij in moeilijkheden waren gekomen. Zij hadden zelf een kleine auto een zogenaamde pick-up.
Verder was het als altijd bij de mariniers, we lieten elke dag ons gezicht zien. Op de post stond ook een radiojeep die verbinding kon maken met de commandopost in Padangan.
De BPM kon weer aan het werk om de olie aanvoer weer op gang te laten komen.

  Sinds de aanvang van de actie hadden Hardeman en Gruter niets meer gehoord van hun meisjes in Soerabaja. Maar nu kwam de post weer door en kwamen de eerste brieven voor beide mannen. Ook kwam er weer post uit  Nederland. De hele toestand was weer genormaliseerd. Er was weer post en er was voldoende voeding. Er was niets te klagen. Sinds Hardeman een meisje had had hij nog nooit zoveel geschreven als thans. Maar hij moest veel op patrouille. Hij zorgde er wel voor dat er dan steeds een brief  klaar was.
Het patrouilleren vanuit Banjoe Oerip was niet mis. Het was een zwaar gebied. Menig zweetdruppel werd uit zijn lijf geperst. Aan de ene kant van de heuvel waar de post was gevestigd was een steile afdaling en aan de andere kant was het sterk heuvelachtig. De eerste tijd merkten we niets van de ploppers. Maar wij hadden ervaring genoeg dat dat niet kon. Er moesten genoeg ploppers in de omgeving of in de verre omgeving zijn. Als wij in de kampongs kwamen dan stond de bevolking ons vriendelijk toe te lachen en met hun duim omhoog. Maar hoe vriendelijk de mensen ook deden de mariniers liepen altijd met hun wapens schietklaar in de hand. In de kampong was de ruimte maar klein. In elk huis kon de vijand zitten.
In ieder geval de employees konden veel werk verzette en er was heel veel werk voor hen. Oudere bevolking kenden de Nederlanders nog wel omdat vele van hen  bij de BPM hadden gewerkt. Maar er waren er ook bij die nooit een Nederlander hadden gezien.

‘Sergeant, of u zich wilt melden bij de luitenant,’ zei een marinier. Het was een marinier van zijn eigen groep.
‘Ik ga al,’’ zei Hardeman. Hij stond van zijn veldbed op en trok een lange broek aan.. In zijn bloot bovenlijf ging hij naar de luitenant. Deze zat aan een ronde tafel met een marmer blad. De stoel was van hou met een gevlochten zitting. Een stoel die overal in Indië te vinden was.
‘U hebt mij laten roepen, luitenant,’ zei Hardeman.
‘Ja sergeant, ga zitten.’
‘Er is een bericht binnen gekomen bij de VDMB, dat er bij een kampong, hier een eind vandaan, een mijn in de weg is gelegd en er zitten vier of vijf ploppers in een hinderlaag op wacht,’ zei de luitenant.
‘Gaat het nu beginnen, luitenant.’
‘Ja, dat lijkt erop. De VDMB weet waar de hinderlaag ligt. Stel een patrouille samen en ga die hinderlaag opruimen. Je wordt een eind weggebracht door de pick-up van de BPM. Één van de BPM’ers brengt je een eind op weg. Daarna rijdt hij terug en zal je terug moeten lopen. Voor de rest weet je zelf wel wat je moet doen. Ga je gang,’ zei de luitenant.
‘Ik heb het begrepen luitenant. Ik neem korporaals mee. Dat zijn doorgewinterde jongens. En de groep moet niet te groot zijn. We moeten ons snel kunnen verplaatsen,’ antwoordde
Hardeman.
‘Oké, ga er zo snel mogelijk op af.’
‘Ik ga al.’
Hardeman verliet het huisje van de PC en liep naar zijn huis waar de VDMB zich ophield. De sergeant die de leiding zat achter een tafel.
‘Zijn er nog inlichtingen waar ik rekening mee moet houden,’ vroeg Hardeman toen hij in de kamer kwam waar de VDMB’er zat.
‘Niet meer dan dat ik de luitenant heb verteld,’ zei de man. Het was een stevige gedrongen man met schouders alsof hij dagelijks een GMC moest drukken. Hij deed aan gewichtheffen.
‘Er gaat een informant met je mee. Hij weet precies waar je moet zijn..’’
De VDMB’er zei iets tegen een Javaanse jongen die in een dungareepak in dezelfde kamer zat.. De jongen knikte alleen.. Hardeman keek naar de jongen. Hij had een piksplinternieuw dungareepak aan. Vast iemand die nog maar bij de VDM werkte.
‘Oké, dan ga ik maar,’ zei Hardeman.
‘Succes.’
Hardeman ging naar zijn huis gevolgd door de informant.
‘Jan Haag en Leo van de Noot,’ riep Hardeman.
‘Ja, hier Klaas.’
De beide korporaals zaten aan een tafel te praten.
‘Jullie gaan nu met mij mee. Er ligt ergens een hinderlaag met vier of vijf ploppers. Zij hebben een mijn in de weg gelegd. Die gaan wij opruimen. We doen het met ons drieën. Die vijf man kunnen wij wel aan. Daarbij kunnen wij ons snel verplaatsen en dichtbij elkaar blijven. Er gaat een informant mee hij weet precies waar we moeten zijn en waar de hinderlaag ligt. Geen helm, het zal wel sluipwerk worden. Ik wil nu vertrekken.’
‘We zijn al klaar, man, ‘ zei jan haag. Hij was al begonnen zich aan te kleden, gevolgd door van der Noot..
‘Neem vooral handgranaten mee,’ zei Hardeman. Binnen enkele ogenblikken zijn klaar en gingen naar buiten. De pick-up stond al klaar. De chauffeur was een Indische jongen éé van de BPM. Op het gezicht van de informant was geen emotie te lezen.
‘Laten we gaan’
De vier mannen sprongen in de open bak. De  chauffeur kwam nog even uit de cabine en zei,
‘ Sergeant, ik rij u een eind in de richting ik ga niet helemaal met u mee. Dat is te gevaarlijk voor mij.’
‘Dat is goed. De informant weet waar het is. Hij geeft wel aan waar we moeten stoppen. Ik geef wel een klap op de cabine.’  Het autootje zette zich in beweging.
’Die ploppers liggen aan de rand van een djatibos. De mijn ligt aan de kant van de weg. Ik denk dat het allemaal sluipwerk wordt. Er is veel kort hout in het bos waar we ongezien onderdoor kunnen kruipen of tijgeren. Die kerels zullen wel dichtbij de mijn zitten. Wij blijven zo dicht mogelijk bij elkaar zodat we contact kunnen houden. Houdt mij goed in de gaten. Voor de rest moeten we maar zien hoe het loopt,’ zei Hardeman.
‘Wij houden jou goed in de gaten, Klaas,’ zei Jan Haag met een grijns.
Leo van de Noot zei niets maar stak zijn duim op.. De informant zei dat we moesten stoppen en Hardeman gaf een klap op het dak van de cabine. Het autootje stopte abrupt.
De mannen sprongen uit de achterbak en Hardeman liep naar de chauffeur.
‘Rij zo snel mogelijk terug. Wij komen wel lopend terug naar de post. Zeg de luitenant dat wij zo snel mogelijk terug keren.’
‘Ik zal de luitenant waarschuwen, sergeant,’ antwoordde de man en reed direct terug. De vier mannen gingen nu te voet verder. Zij kenden het terrein. Ze konden nog een eind doorlopen. De weg slingerde door heuvelachtig terrein. Ze kwamen gelukkig geen Kampongmensen tegen. Hardeman had wel een idee waar de ploppers konden zitten. Hij was al eens eerder op deze weg geweest. De weg liep naar een kampong. Ze konden niet de hele weg volgen. Ze kwamen bij een scherpe bocht.
‘Sersan, u moet niet voorbij de bocht. U moet hier het bos in,’ zei de informant in krom Nederlsnds.
‘Even stoppen jongens. Hier gaan wij het bos in. Kijk god uit en luister goed. Let op mijn tekens. Er wordt niet meer gesproken.
‘Goed Klaas, laten we gaan,’ zei Leo van der Noot. Voor Van de Noor was dit een routine klus. Heel gewoon. Die hinderlaag even opruimen.
Hardeman zei tegen de informant, ‘ Blijf jij hier wachten. Ga in de struiken liggen, zodat eventuele voorbijgangers je niet zien. Als het erg lang duurt voordat wij terugkomen probeer er dan achter te komen of er iets met ons is gebeurd. Waarschuw dan onmiddellijk de luitenant.’
‘Ja, Sersan,’ antwoordde de informant en hij dook in het kreupelhout.
‘Kom op, we gaan,’ zei Hardeman.
Het djatibos was dicht begroeid met laag hout. Aan de enen kant lastig omdat de kans op brekende takken of takjes groot was. Aan de andere kant kon je goed gebruik van maken om laag langs de grond kruipend voorwaarts te gaan zonder dat je gezien werd. De mariniers kropen onder het lage hout en ging kruipend verder. Onder het hout was het erg warm en de grond was vochtig. Ze konden toch vrij snel voorwaarts gaan. Ze kwamen niet boven het lage hout uit. Ze werden wel nat van transpiratie. Maar dat waren ze wel gewend. Ook de kleding begon smerig te worden. Vooral de knieën waren al goed smerig. Ze hadden steeds contact met elkaar. Hardeman hield ze goed in het oog. Af en toe gaf hij een teken even te gaan liggen en wees op zijn oren om goed te luisteren. Maar het was heel stil in het bos. Gelukkig was het droog. Althans het regende niet.
Hardeman gaf een teken weer even te gaan liggen. Met de mouw van hun jas veegden zij het zweet uit de ogen. Luisteren, geen gehoor.
Sein,  ‘Voorwaarts.’
Kruipend verder. De kleding was nu helemaal zwart van de bosgrond. Heel langzaam verder. Ze maakte geen geluid. Zij hielde elkaar goed in de gaten. Hardeman lag in het middel, links van hem Leo van de Noor en rechts Jan Haag. Het was vreselijk warm. Veel spanning bij de mariniers maar ook warm in het vochtige bos. Hardeman gaf het teken dat hij even omhoog ging om te zien of er iets bijzonders was.
Ze liggen nu stil. Hardeman ging op zijn knieën zitten en heel voorzichtig ging met zijn lichaam omhoog. Heel voorzichtig. De bladeren van het kreupelhout was groen en met zijn groen vechtpet zou hij niet veel opvallen als hij maar voorzichtig omhoog ging.  Net boven het bladerdak uit kijkt hij naar links en draaide heel langzaam zijn hoofd naar rechts. Dan ziet hij een kaki veldmuts net boven het bladerdak uitsteken. Wat een klojo die vent om met een kakimuts in een groen bos te gaan zitten. Hij is een uitkijk. Zit helemaal rechts. De straat is links. Hij zit met zijn rug naar de mariniers toe en heeft er geen idee van dat er drie mariniers op nog geen vijfentwintig in zijn rug zitten.
Hardeman zakt terug en lig plat in het bos. Hij wijst in de richting van de plopper en keek naar de twee anderen mariniers. Zij steken hun duim op. Ze hebben hem begrepen.. Hardeman geeft het sein ‘voorwaarts’. Hardeman legt zijn karabijn op zijn onderarmen en begint te tijgeren. De mariniers zien het en doen hetzelfde.
Heel langzaam gaan ze naar voren. Het kan niet ver meer zijn. Hardeman lag stil en maakt een beweging naar zijn oren. Luisteren! Even werd er geluisterd maar niets te horen. Hardeman beweegt zijn hoofd, naar voren. Langzaam gingen ze verder. Hardeman keek niet meer naar de uitkijk. Daar zouden ze geen last van hebben. Langzaam verder en luisteren. Die uitkijk was nu niet belangrijk. Hij moest de mensen bij de mijn hebben. Als hij nu zou schieten op die ene vent dan zouden de anderen vluchten. Ze zouden de mijn onschadelijk maken, maar de vijand zou gevlucht zijn en ons het later moeilijk maken. Langzaam gingen ze verder. Maar er was geen geluid in het bos. De kleding van de mariniers was kletsnat en zij zaten onder de blubber.  Ja, dit was even wat anders dan lopen op Toendjoengang in Soerabaja. Steeds gingen verder voorwaarts.
‘Stoppen en dekken’. Hij hield de handpalm bij het oor. Hij maakte het gebaar met de hand als een kwekende eend. De mariniers liggen doodstil en luisteren. Jan Haag knikte met het hoofd hij hoort ook iets. Ze blijven luisteren. Ja, er wordt heel zacht gesproken. Het is meer een gemompel. Het leek recht voor hen uit.
Zij bleven luisteren en het praten hield aan. Van der Noot en Jan Haag lag plat op de grond en keken naar Hardeman.
‘Voorwaarts!’
Weer een paar meter, rusten. Luisteren! Nog steeds gemompel.
Iets voorwaarts weer. Geen enkele geluid. Het mompelen werd duidelijk. Het zweet stroomde over hun gezichten. Hardeman haalde zijn modderige mouw over zijn gezichten. Het zweet liep hem in de ogen. De koppen waren donkerrood geworden.
De stemmen werden duidelijker. Jan Haag deed de vingers op elkaar, kwekken. Hardeman knikte met een glimlach. De ploppers hadden geen vermoeden wat er boven hun hoofd hing. Het moest een verrassing blijven waarvan enkele nooit een weet zouden hebben. Nog iets verder duidt Hardeman. Met beide handen maakte Hardeman duidelijk, langzaam aan. Als slangen gleden zij verder. Het praten werd nu heel duidelijk. De ploppers konden nu nooit meer ver weg zijn. Van der Noot maakt het gebaar, ‘hand granaat gooien’. Nee, schudde Hardeman met het hoofd.. Ze zitten de ploppers nu bijna op de lip. Nog iets verder. Ze hoorden de ploppers nu zo duidelijk praten alsof ze naast elkaar zaten. Hardeman pakte een handgranaat uit zijn tas en liet deze aan de beide ander zien. Alle drie hebben nu een granaat in de hand. Ze trekken de pin er uit. Hardeman gaf aan als de greep weg springt twee tellen en dan gooien. De mannen knikken.
‘Klaar?’ knikte Hardeman
De beide korporaals knikten met het hoofd.
‘Werpen!’
Twee tellen, drie droge klappen verscheuren de stilte in het bos.. Gegil van de plaats waar de ploppers lagen. De mariniers springen omhoog en schieten hun wapens leeg in de richting waar de ploppers hadden gelegen. Hardeman draaide zich om en schoot een kogel in de richting van de uitkijk. Maar deze was niet meer te zien. De drie mariniers sprongen naar voren. Een plopper ging hinkend door de bosrand naar de weg. Een der korporaals schoot hem neer. Er lagen drie doden. Geen wapens. Hardeman en de twee korporaals zochten de plaats af maar vonden niets. De ploppers waren ernstig getroffen door de scherven.  Eén had een afgrijselijk wond aan zijn hoofd. De ander had een scherf in de keel gekregen, de keel was bijna geheel afgesneden. Er lag een grote plas bloed.
‘Deze lieden zullen ons niet meer lastig vallen,’ zei Hardeman.
‘Nee, ze zullen niet geweten hebben wat hun overkwam,’ grinnikte Jan Haag. Onder de indruk waren de mariniers niet. Ze wisten dat als er een auto met mariniers op de mijn was gereden dat de mariniers er ook niet best van afgekomen zouden zijn..
‘Verrek hier liggen nog wapens.’ zei Van der Noot. Onder een struik lag een geweer, Japans model en een twee klewangs.
‘Jezus, wat een bloed ligt hier. Het lijkt wel of een varken is geslacht,’ lachte Jan Haag.
‘Het zijn ook varkens,’ zei Hardeman, ‘ Wij hebben hier drie varkens geslacht. Het doet mij denken aan Rambipoetji. Weet je nog Jan dat jij daar die grote beer kapot schoot.’
‘Kom, we moeten die mijn onschadelijk maken,’ zei Hardeman.
De mijn was niet moeilijk te vinden. Een bobbel in de weg gaf aan dat daar iets in de weg was gelegd.
Hardeman nam een handgranaat uit zijn granaattas. Gaan jullie even plat, jongens. Ga maar een eindje weg. Haag en Van Noor liepen een eind weg en gingen plat tegen de grond. Hardeman liet de beugel van de granaat springen en legde de granaat op de bobbel. Hij sprintte weg in de richting van de korporaals. Hij viel plat aan de kant van de weg. Daarna volde een harde knal. De mijn was ontploft net als de handgranaat. Er was een flink gat in de weg geslagen. Als hier een truck  op gereden was dan was er een flinke schade geweest en ook de mariniers op de truck hadden doden of gewonden gehad. De mariniers  keken nog wat rond maar er was verder niets te zien.
‘Dat was een flinke knal. We moeten nog kijken of die ploppers iets bijzonders in hun kleding hebben,’ zei Hardeman.
‘Het zijn ook maar gesjochten jongens opgefokt door hun leiders om de mariniers bang te maken,’ zei Jan Haag.
‘Ja, de sloebers,’ zei Van der Noot.
Met zijn drieën liepen ze naar de rand van de kampong maar daar was niets of niemand te zien. Er was natuurlijk niemand komen kijken. Iedereen in de kampong wist dat die mijn er lag. De mariniers hadden hun opdracht uitgevoerd.
‘Jongens, we hebben het gefikst. We gaan terug naar de post. We moeten nog een eindje wandelen,’ zei Hardeman.
‘Tijdens die klote actie hebben we geen schot gelost en nu ruimen we een vijandelijk hinderlaag op.’ zei Leo van der Noot.
‘Ja, we mogen wel zeggen dat grote heren in Batavia hebben gefaald en nu zitten de ploppers ons op de lip. De ploppers hebben rustig staan kijken en met de duim omhoog gestaan toen wij voorbij kwamen. Nu gaan ze het ons lastig maken,’ zei Jan Haag.
‘Laten wij dan maar proberen er zoveel mogelijk te grazen nemen en zij niet ons,’ lachte Hardeman.
‘We gaan onze informant opzoeken.’
De mariniers liepen lachend en grappen makend naar de plaats waar de informant moest zitten. Hij lag op zijn gemak in de struiken en stond op toen de mariniers bij hem stonden.
‘De zaak is opgelost, Mas,’ zei Hardeman, ‘ Er waren drie doden. Draag jij deze wapens maar.’ De informant nam de wapens over van de korporaals.
‘Er moet nog een gewonde zijn, maar die is gevlucht. Kom op, we gaan naar de post.
De informant lachte wat maar zei verder niets. Hardeman had het niet zo op die informanten. Hij wist niet goed wat hij van die lui moest denken. Spionnen en verraders had je in elke oorlog en deze man was ook een verrader of spion. Hardeman ging er maar vanuit dat de VDMB wist wie ze in dienst namen.
De mariniers zagen er verschrikkelijk vies uit. Zij zaten dik onder de bosgrond. De bosgrond was gitzwart. Het was het eerste incident in de omgeving van Banjoe Oerip. Wat zouden de ploppers nog meer op hun kompas hebben. Na een uur lopen kwamen de mariniers terug op de post. Hardeman ging direct naar de PC. De mariniers op de post stonden  hen al op te wachten. Zij waren benieuwd hoe het was afgelopen. Aan de lachende gezichten van de drie mariniers te zien was het snel duidelijk dat de zaak goed was afgelopen. Jan Haag en Leo van de Noor vertelden in geuren en kleuren hoe het was gegaan.
‘We zijn weer terug luitenant. We hebben de hinderlaag opgeruimd. Er zijn drie ploppers gesneuveld. Eén ploppers is gewond en gevlucht en een ander die op uitkijk stond is ook gevlucht. Een geweer en twee klewangs buitgemaakt. De uitkijk is gevlucht nadat wij de hinderlaag hebben uitgeschakeld. Ik zag die vent al snel en heb hem laten zitten anders zou ik mijzelf hebben verraden. Er lag inderdaad een flinke mijn in de weg maar wij hebben hem opgeruimd,’ rapporteerde Hardeman.
‘Niemand van jullie heeft iets opgelopen, neem ik aan vroeg?’ vroeg de luitenant.
‘Oh, sorry, luitenant. Wij zijn gezond terug gekomen,’ zei Hardeman.
‘Dat hebben jullie goed gedaan. Maar een rapport voor de compagnie, sergeant. Bedankt,’ zei de luitenant.
Hardeman ging terug naar zijn huis waar beiden korporaals nog bezig waren het verhaal te vertellen.
‘Sergeant, dat hebben jullie goed opgelost met die hinderlaag,’ zei een marinier.
‘Ja, we hadden mazzel dat ze precies in het gedeelte van het bos zaten waar wij vandaan kwamen. Het was sluip= en kruipwerk. Maar we hebben het er goed afgebracht en de ploppers te pakken genomen.’’
‘Ik vraag mij of  we nog niet meer van dit soort zaken moeten oplossen. Die ploppers zitten hier vast in de omgeving,’ zei Levi.
‘Dat zullen we snel genoeg merken. Maar die ploppers moeten wel van goede huizen komen willen ze ons wegjagen hier,’ grijnsde Jan Haag.
Hardeman ging bezig met het schrijven van een patrouillerapport dat naar de compagnie moest.
Voor Hardeman was deze zaak klaar. Hij had de opdracht uitgevoerd. Hij dacht aan Levi die gezegd had dat het hier wel eens heel druk zou kunnen worden met dit soort zaken. Hij had het gevoel dat het hier inderdaad wel eens heel druk kon worden. Maar zo als altijd elke dag trokken ze erop uit om te laten zien dat de mariniers voor niemand bang waren. Het beroerde was dat je de ploppers nooit herkende. Hardeman was er van overtuigd dat er elke dag van die lui door hun post wandelden. Zij waren altijd vriendelijk en probeerden een praatje te maken. Maar met praatjes hielden de mariniers zich niet op. Ze lang ze niet met wapens rondliepen kon je er weinig of niets aan doen. Je kon niet iedereen doodschieten.
Later op de dag vernam Hardeman van de VDMB dat de sergeant opmerkingen had gemaakt over de manier waarop Hardeman de hinderlaag had opgeruimd. Hij had liever gevangenen gezien. Ook was de sergeant van de VDMB gepikeerd geweest omdat Hardeman de informant niet had ingeschakeld. Hij had liever gevangenen gehad om inlichtingen uit die lui te persen. Hardeman haalde zijn schouders op,’ Hij kan barsten. Als wij het niet goed dan gaat hij zelf maar. Hij heeft dezelfde kleur.. En als hij inlichtingen wil hebben over de vijand dan stuurt hij zijn informanten maar. Daar zijn die kerels voor..

 


Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 10:13
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 10:13
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7564 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 614792 Bezoekers

 6 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^