Verhalen door:

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten IndonesiŽ

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in PŤtjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Szťkely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Derks, H.A.T. - Herinneringen - 2

Lees voor met webReader
 


Herinneringen van een Stadswachter van Semarang.

December 1941-December 1945.


2 )  In de gevangenis te Semarang.

    De aankomst in de gevangenis was adembenemend. Wij werden gesplitst in Europeanen, Chinezen en Inlanders en apart ondergebracht. Op de binnenplaats van het cellen complex aangekomen, zagen we door de tralies onze officieren en politiemannen, die gisteren verdwenen, op een baleh-baleh vlak tegen de tralies met ontbloot bovenlijf, en sommigen in hun onderbroek, bijeen op een hoop, met sombere gezichten. Ook zij begrepen niets van de gevangenneming. Tevoren waren wij gevisiteerd en was ons alles afgenomen, behalve ons lijfgoed, wat geld, en sommigen hadden hun horloge mogen behouden. Alles wat afgenomen werd o.a. huizensleutels, papieren, portefeuilles, tabak enz. enz. werd in een vat gegooid, zonder eenige aanteekening zoodat verwacht kon worden dat daar nooit meer iets van terug kon worden verkregen.
    Wij werden in groepjes van zeven man gesplitst en met z'n zevenen tegelijk op vrij ruwe wijze in de cel geduwd, waarbij stompen en klappen vielen. De cel werd gelijk achter ons gegrendeld en daar zaten wij niet wetende wat tegen elkaar te zeggen, stom voor ons uitstarende, op de houten brits.
Verder was in de cel een vat water en een mok, een ton om je behoefte op te doen, veel stof, veel wandluizen en hoog aan het plafond een pieterig klein electrisch lampje.
    Na de zaak eens rond gekeken te hebben, glurende naar de overkant, met gebarentaal aan de aldaar opgeslotenen, praten wij onder elkaar over ons lot en meenden dat e.e.a. op een grote vergissing moest berusten en wij binnen een paar dagen wel weer vrij zouden zijn.
Immers wij waren geen militairen, dus ook geen krijgsgevangenen, zoo redeneerden wij. Mijn mede celgenoten waren allen stadswachters t.w.

1. Esser  Houtvester Sem.            2. Falk  commies Weeskamer Sem.
3. Dregalsky, kantoorbed. Sem.  4.  Keiner  empl. bankktr. Sem.
5. Westhoff, post. Sem.                 6.  Schajer, Bosopzichter  Sem.

Esser en Degralsky zijn later overleden. Esser aan hersenmalaria, Degralsky bij het bombardement in September 1944 beiden te Nan Peleduk.
Van de overigen weet ik nu niet precies of zij nog leven. Allen waren Indische jongens, ook wij zagen ze daarvoor aan, en ik liet het maar zoo.
    De eerste uren kropen langzaam voort. Wij zagen en zochten de wandluizen en gingen spoedig op jacht, want zoo was op die planken niet te zitten, laat staan te slapen. Honderden vielen ons ten prooi maar ook nog honderden bleven er over. Den avond begon te vallen en de stemming daalde onder nul. Het eerste eten werd opgediend bestaande uit muf ruikende slechte roode rijst, half gaar, een beetje gootwater met hier en daar een blaadje groente er in. Beide spijzen in vieze gedeukte aluminium bakjes en aangereikt door een gestrafte, geleid
door een Jap die een aller onvriendelijkste indruk maakte, veel onverstaanbaar mopperde en schold. Er werd hoegenaamd niet gegeten.
Een lepel of vork was er niet bij. Ieder nam een hap want wij hadden honger doch de meesten spuwden die weer uit. Zoviel de avond die eeuwen scheen te duren, doch vermoeid vielen wij, zoo om een uur of elf, tegen en naast elkaar, gekleed in slaap.


    De nacht was hopeloos wat wandluizen jeuk aangaat. Onze gedachten waren droevig, zoo erg dat de waterlanders niet uitbleven.
De volgende morgen bracht enige verlichting doch maar heel weinig.
Wij mochten een kwartier uit de cel, om ons op te frisschen met 70 man aan drie peuterstraaltjes water en konden onze behoefte doen, op vieze privaten gezeten vlak naast elkander.
Een handdoek, zeep, noch papier, hadden wij, dus ging alles even beroerd en nog voordat de helft gereed was, moesten wij weer naar binnen. Ons ontbijt kwam, bestaande uit dezelfde oneetbare rijst en een hard klein zoute vischje. We moesten nu toch wat eten en namen met het vischje als lepel enige happen rijst, met verbeten gezichten. Het vischje was te hard om het door te bijten en werd bewaard als lepel.
Intusschen surveilleerde een Jap regelmatig en het gelukte ons niet om wat te horen te krijgen. Engelsch verstond hij niet en Japansch spraken wij niet dus was het gebarentaal, voornamelijk om een cigaret te vragen of om een dokter voor eenige van ons, die niet lekker waren. Een dokter, een Engels IndiŽr, kwam tenslotte en liep met vliegende vaart langs alle cellen, deelde wat bitter water uit, en verder niets. Voor geen mensch had hij een goed woord over ( hij sprak Engels ). Onze positie werd hachelijker en allen vergingen wij van de honger en dorst, toen om 1 uur weer een niet eetbaar potje kwam a la gisteren avond. Door de honger aten wij grootendeels de vieze rijstmassa op, doch trokken allen daarbij een leelijk gezicht. De heele dag ging net als gisteren heen, met dien verstande, dat wij tegen half vijf even mochten luchten, en verfrisschen, doch wegens de korte tijd er bitter weinig van terecht kwam en zoo ving de tweede nacht aan welke heen ging als de eerste.
De tweede dag was evenzoo, doch in de ochtend kregen wij een broodje dat door de Semarangsche dames bereid en gebracht was, en ons door de Jap werd toegeworpen. Dat mochten wij buiten op  de galerij opeten en wij zochten natuurlijk onze mede lotgenoten, kennissen op, om te praten en te gissen. Geruchten waren doorgedrongen, door cipiers en gevangenen overgebracht, dat buiten alles gedaan werd om ons vrij te krijgen.
De volgende dag mochten enigen van ons, voornamelijk spoorwegmenschen vrij af om hun werk te verrichten en 's avonds weer terug in de cel.
Toen waren wij niet meer verstoken van bericht en konden ook onze familie stiekum briefjes sturen. Dezelfde dag gebeurde het onmogelijke met ons. We moesten allen uit de cel en aantreden waardoor wij vermoeden vrij gelaten te worden. Zonder dat wij wisten waarheen zaten wij spoedig in open vrachtauto's en te kijk aan het Indische publiek, dat ons nijdig en vijandig aankeek, gingen wij door de stad in de richting van het vliegveld. Nog van niets bewust, kwamen wij daar aan en zagen gelijk een trein arriveren. Velen dachten daar moeten wij in
en ze transporteeren ons naar elders. Dat was echter niet zoo.
Spoedig zagen wij grondwerkgereedschappen aanbrengen en onder ons verdeelen. Vlug stonden wij allen,op wenken en gebaren afgaande.op het vliegveld voor meters diepe kraters in de startbaan en daar begon onze eerste corveedag.
Geheel vermoeid en ons ellendig voelende deden wij, geen enkele officier uitgezonderd ook de Overste Sierenveld, ons afmattend en vernederend werk waarbij ook klappen vielen.



Tenslotte was het ook weer niet erger dan het onmogelijke leven in de afgesloten cel en hadden wij zelfs gelegenheid een strootje te bemachtigen en een pisang, alsmede drinkbaar water Toch vermoeide het werk ons zeer en 's avonds kwamen wij vies en vuil bezweet en geheel verbrand door de zon, thuis.
Het was al laat, van baden kwam er niets, zoodat een alles behalve frissche nacht volgde. Gelijk aan deze dag verliepen er nog een tiental dagen en toen waren wij allen van baarden en snorren voorzien van de monsterlijkste uitdrukking want scheergerij hadden wij niet.
Intusschen was eenig contact met de familie ontstaan en mocht ons een kleinigheid gezonden worden. Er kwamen toen schaakspelen en andere gezelschapsspelen alsmede een handdoek, een stukje zeep en wat eetbaars binnen, doch heel weinig.
Tenslotte was het werk aan het vliegveld klaar, wij waren haveloos gekleed, want alles scheurde van je lichaam met dat zware werk, en alles vervuilde.
De ellende die wij deze eerste dagen meemaakten is eenvoudig niet te beschrijven, doch allen bleven gelukkig gezond op een enkele na, o.a. de Heer van Rijn die een nieraanval kreeg. Deze persoon is later helaas in begin 1943 op Kiwuayark overleden.
Intusschen was het gerucht doorgelekt dat wij uit de gevangenis zouden gaan en worden ondergebracht in het kamp Djatingaleh. De verdere dagen moesten sommige van ons daar corvee doen en ook ik was daar een keer bij. De autorit daarheen en terug ging langs mijn huis, en ja hoor, daar zag ik de heele familie inclusief de bedienden. Mams stond zeer bedroefd te kijken en glimlachte droeveig toen ik voorbij ging. Ook de overigen waren zeer ter neer geslagen en ik had een behoorlijke brok in
mijn keel.
Op Djattingaleh aangekomen liep ik rechtuit op een spiegelkast aan en was getroffen door dat ongure gezicht, dat, meende ik, achter mij stond, doch het was helaas m'n eigen beeltenis. Hopeloos, mager, vuil en met een zwarte snor en witte baard, van wilde vorm. Ik herkende mezelf niet en kon pas toen, goed indenken, wat er in Mams binnenste omging toen ze mij voorbij zag gaan.
Die avond heb ik geloof ik het grootste verdriet van mijn leven gehad en huilde ik, die eigenlijk niet huilen kon, als een kind dikke en hete tranen achter m'n klamboe, die Mams en Riete gezonden hadden, op mijn bultzak waarin een lederen koffer met kleeren, sigaretten en lekkers, alles door Mams en Riete vergaard en door tusschenkomst van de dames van het Rode Kruis daar gebracht.
Een nooit te vergeten nacht brak aan, en eindigde gelukkig in een zonnige morgen en de Goede God had mij die nacht de noodige inwendige rust bezorgd en vol moed toog ik aan vrijwillig keukenwerk en zwoegde de gehele dag voort met een goed resultaat op de etenstafel. Eenige bekende Semarangers ook eenige dames sprak ik en daardoor kreeg ik en velen van ons contact met de familie.
Die dag was goed, doch helaas dat zou niet lang duren. Reeds de volgende dag hoorden wij dat wij naar Soerabaja zouden worden opgezonden naar een kamp een Europeaan waardig en daarom behoefden wij niets mede te nemen dan onze koffer met kleeren.



===========================
Copyright: R.Derks



Creatie datum : 15/10/2010 @ 18:25
Laatste wijziging : 25/10/2010 @ 10:50
Categorie : Derks, H.A.T.
Pagina gelezen 4138 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 638883 Bezoekers

 5 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^