Verhalen door:

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten IndonesiŽ

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in PŤtjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Szťkely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Derks, H.A.T. - Herinneringen - 8

Lees voor met webReader
 


Herinneringen van een Stadswachter van Semarang.

December 1941-December 1945.



8) De reis Singapore - Kin Sayark.

    Toen wij goed en wel van Singapore weggingen was het donker en begon onze eerste moeilijke nacht.
Ik voor mij zat in een hoek op mijn koffer, bleef zoo de heele nacht zitten en sliep zoo nu en dan in.
Velen trachten te gaan liggen.
Het was stikdonker en allen lagen ongemakkelijk en kris kras tegen en op elkaar.
    Gelukkig brak eindelijk de dag aan, het werd licht.
Tegen 7 uur stopten wij aan een klein station, daar zagen wij alleen Jappen. De bevolking bleef op verre afstand. 
Alle opschriften en bekendmakingen op het station waren in Jap. karakters gesteld en niemand wist dus waar wij waren.
Enfin wij kregen rijst en soep, niet eens zoo erg slecht, en drinkwater. Gelijk werd rijst en soep ingeladen voor een volgende maaltijd. Weliswaar kregen wij niet veel, doch het was beter dan wij in Singapore de laatste dagen hadden.
Wij voelden ons na die akelige nacht alles behalve lekker.
    Tegen acht uur gingen wij in een slakkengang verder en stopten bij vele kleine stations, doch mochten onze wagons alleen voor een zekere boodschap verlaten.
Orienteren konden wij ons niet. Wij wisten alleen onze richting was Noord, en daar er op Malakka maar ťťn hoofdlijn naar Siam is, was het duidelijk dat wij daar heen gingen.
    Het werd intusschen warm, onze gesprekken stopten en weinig genoten wij van het pracht landschap, dat wij door gingen waar rubber en nog eens rubber te zien was. De tweede dag kwamen wij door het aluminium gebied en passeerden.....?  rechts terwijl links in de verte Penang zich afteekende.
Vandaar werd het landschap minder gecultiveerd, doch mooier van natuurschoon. Menschen zag je weinig, en toch, de enkelen die je zag kenmerkten een ander volk, dan in de omgeving van Singapore. Als deze menschen nog eens wat zeiden dan verstond niemand van ons hun en ik weet ook niet precies wat zij spraken vermoedelijk Hindoestanisch.
    De derde dag was dat nog opvallender en de vierde dag zagen wij de eerste Siamesche karakters op de stationsbekendmakingen en ook het type van de Siamees, die gelijkt op een Chinees en toch ook weer iets van de Maleier in zich heeft.
Ook die taal verstond toen nog niemand van ons.
Al gauw bleek echter dat veel Siameezen wat Engelsch spraken en daarmede vernamen wij, steels gewijze want praten mochten wij niet, met horten en stoten iets van een spoorwegaanleg.
Intusschen waren wij hopeloos vermoeid en vies toen de vijfde nacht in de trein aanbrak.
Tegen een uur of twee 's nachts werd het zoo koud dat wij niet meer tegen de ijzeren wanden konden leunen en niemand meer kon slapen. 
Het was nog donker toen de trein stilhield en een groot aantal Jappen was daar verzameld.
Daar moesten wij uit den trein, doch niemand wist dat van tevoren, zoodat allen nog wat in moesten pakken.
Dat ging de Jap niet vlug genoeg en dus ging hij vreeselijk tekeer. 

Velen moesten een groot deel van hun barang achterlaten en werden in de gereedstaande vrachtauto's gestuwd, met de mededeeling, dat de barang zou volgen.
Het werd licht en wij zagen een bijna verlaten dorp met gesloten winkels en zoo nu en dan een Siameesch.
Als ontbijt kregen wij allen een bos pisang zonder meer.
Tegen  7 uur vertrokken wij in groote vaart over een goede asphaltweg in N.W. richting en passeerden diverse kampen met Jappen en Geallieerden.
    Wij zagen ook iets van een spoorbaan in aanleg en dus bleek het dat ook wij daarvoor kwamen.
Onderweg zagen wij hier en daar de eerste Pagoda's en ook een olifant als werkdier bij het ploegen.
    Het terrein helde eenigzins en ging van Sawah grond in Tegalan over met sporadisch hier en daar een kleine nederzetting.
    Na ongeveer 70 km. over een goede weg te hebben gereden, kwamen wij omstreeks 10 uur in het stadje Canchil Bari, waar veel bedrijvigheid van Jappen was en ook de bevolking zich meer liet zien.
    Daar gingen wij over in andere zeer zware en vuile       vrachtauto's en begon een onverharde slechte boschweg.
De Jappen die deze auto's begeleidden zagen als negers zoo zwart en zaten dik onder het stof en modder.
Het was een onguur stelletje en erg bazig en groot doende en ons steeds vernietigend aanziende.
Wij werden overgeladen en na een paar uur pas vertrokken wij.
De weg was slecht en door diepe sporen sukkelden wij langzaam voorwaarts in een wolk van stof welke stof overal in en doordrong zoodat wij na een paar uren allen eenzelfde gezichts-uitdrukking hadden, als schoorsteenvegers.
    De pisang at je met stof en al op.
Wij werden door en tegen elkaar geschud door de bulten en gaten die de weg vertoonde, zoodat die rit ons allen zeer zwaar werd.
In Canchil bari hadden wij enkele onzer wegens uitputting moeten achterlaten, in het hospitaal.
Onderweg werden meerdere van ons ziek en toen dacht ik, als wij hier een jaar in de Jungle moeten blijven komt zeker      50 % van ons niet terug.
Dit is helaas waarheid geworden.
Het bosch werd hoe langer hoe dichter en bestond veelal alleen uit bamboe doeri met stoelen van tientallen meters omtrek en 20 tot 30 meter hoog.
Zoo'n zwaar bamboebosch zag ik hier voor het eerst.
    Deze dag passeerden wij een groote rivierovergang waar een permanente spoorbrug in aanbouw was van drie overspanningen elk plus minus  50 meter.
De landhoofden waren klaar en met het storten van twee betonpeilers waren zij bezig.
Er was groote bedrijvigheid.
    Tegen de avond enterden wij ons eerste kamp Tarso waar enkele tenten gereed stonden, genoeg voor 1/3 van onze mannen en de rest moest in de open lucht bivakkeeren.
De grond in en om de tenten was vol bamboestronken zoodat je geen plekje kon vinden om te liggen.

Wij kregen een bord rijst met een stuk visch en thee en aten daarvan als wolven, want de heele dag hadden wij niets gehad. Onderweg waren wij enkele zijpaden tegen gekomen met richt-wijzers in Jap. karakters.
Dat waren zijwegen naar de spoorweg en de daarbij gelegen werkkampen doch daar zagen wij niets van.
Daar zaten Engelschen en Aussies die er al maanden te voet van Bang Pong aankwamen. Ook in Tarso waren toen nog geen Hollanders. 
De eerste 500 Hollanders die een paar dagen vůůr ons van Singapore gingen (een marine ploeg) was al doorgetrokken naar
Kin Sayark, hoorden wij daar.
De volgende dag moesten ook wij daarheen.
Al gauw werd het koud en toen begon een ellendige nacht.
Vooral voor diegenen die een deel van hun barang hadden moeten achterlaten, was het erg.
Sommigen hadden geen kleeren en deken anderen geen pan om uit te eten enz. enz..
Ik had gelukkig alles bij mij en vond een plaatsje in een tent, waar ik, weliswaar wat erg ruw, kon liggen en sliep geheel gekleed en met een handdoek om mijn hoofd in.
Aan wasschen of baden was nog niet te denken.
De morgen brak eindelijk aan en pijnlijk stonden wij op en waschten met een minimum aan water onze handen en gezicht doch veel knapten wij niet op.
    Wij aten wat rijstepap en zaten weldra weer in vrachtauto's voor de laatste 30 km.
Over die 30 km. deden wij 4 uren dus het ging met een slakkengang over een steeds slechter en gevaarlijke weg, langs vele steile hellingen, en door ravijnen met bamboebruggen.
    Tegen de middag kwamen wij plots in een groot opengekapt terrein in het bamboebosch en zagen op het eind daarvan een tiental bamboe loodsen, deels gereed, deels in aanbouw en daar waren onze jongens al aan het werk en nog een 1500 geallieerde broeders. Dit was ons eerste kamp in Thailand, Kin Sayerk plus minus 180 km. van Bang Pang gelegen, in het midden van de te maken spoorweg Bang Kok - Ban Pong - Drie Pagode pas = grens Thailand in Thailand en vandaar liggende in Burma en verbinding vormende met Rangoen.
Die middag kregen wij gelegenheid ons in een loods te vestigen en maakten wij van allang 2  een zacht bedje op de harde grond en installeerden wij ons aldus.
S'avonds kregen wij een hap ongare rijst en een soep met weinig groente veel knollen en geen vleesch.

(De spoorbrug in aanbouw is de bekende brug over de Kwai rivier.)

(Tegalan = een steppe-achtige grasvlakte.
Bamboe doeri = bamboe met stekels.
Alang2  of alang-alang = hoog lang gras.)

===========================
Copyright: R.Derks



Creatie datum : 15/10/2010 @ 18:47
Laatste wijziging : 25/10/2010 @ 10:51
Categorie : Derks, H.A.T.
Pagina gelezen 4330 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 660304 Bezoekers

 4 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^