Verhalen door:

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten IndonesiŽ

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in PŤtjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Szťkely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Derks, H.A.T. - Herinneringen - 10

Lees voor met webReader
 


Herinneringen van een Stadswachter van Semarang.

December 1941-December 1945.



10) Ruim 7 maanden in Hin-dato en Kwie-ma.
   
     (10 maart - 20 october 1943, ongeveer 7 maanden).

    Aldus op den morgen van de tiende Maart 1943 bijna een jaar na onze gevangename ontwaakten wij.
De zon brak juist door de horizon en gaf reeds helder schijnsel op de vijftig witte tenten die daar in een vierkant stonden goed gerijd en goed gespannen.
    De grondslag was zanderig en hier en daar stond een schaduwrijke boom.
Als de toestand niet zoo intreurig was, zou je er zeker iets moois in kunnen zien. Aan de vier gezichtseinden, rond je heen, zag je het mooie groen van het oerbosch en aan ťťn zijde daalde het terrein af naar een forsche bergstroom meer dan 100 meter breed, waarlangs de keuken lag en welke ons tot badplaats diende.
    Ons werd echter geen gelegenheid gegeven dit schoone in ons op te nemen en na een pan rijstepap zonder suiker moesten wij dadelijk aan het werk.
    Slechts een enkele die hooge koorts had, of zichtbare verwondingen, mocht na veel praten van onze kapiteindokter met een soldaat Koreaan, thuis blijven.
    Wij gingen naar de spoorweg in aanleg op een plaats waar deze door een harde steenachtige formatie moest worden uitgegraven, en wij werkten met zware pikhouweelen, schoppen en patjols. De afkomende grond pikolden wij aan goenie-zakken waarin twee bamboe's als draagstokken werden gestoken ongeveer 100 m. ver weg, over een eerst dalende daarna stijgende weg.
Het was zwaar werk en je kreeg geen rust voor het daarvoor tijd was. Na een paar uur werken werd, een kwartier rust gegeven en dan doorwerken tot het middageten.
Wanneer je door moeheid niet meer kon en de pikhouweel even liet rusten was er gauw een Koreaan die dit zag en met een stok op je af kwam om je zoo noodig te ranselen. Er viel dan ook geregeld hier en daar een klap. In de middag was er een uur rust.
De rijst met een stukje gedroogde visch of deng-deng werd       gebracht en die at je daar in het bosch, met je vieze handen, op.
Daarna werd tot half vijf weer gewerkt dan een kwartier rust en door tot tegen donker ongeveer 7 uur.
Het waren zware dagen doch als het daarbij gebleven was, zou het nog wel te dragen zijn geweest.
    Men begon toen met taakwerk op te geven.
In gewone grond eerst  1 kubieke meter per persoon per dag.
Al gauw werd dit 1Ĺ tot 2 en later 3 tot 5.
De taken werden zoo zwaar, dat de sterkste ploegen later thuiskwamen en de zwakkere zelfs heel laat.
Het gebeurde heel vaak dat als wij s'middags om 1 uur gegeten hadden, zij pas s'avonds om 11 uur thuis kwamen voor hun avondhap, dat dan koude rijst en koude soep geworden was.
    Ik voor mij maakte dat zware werk maar enkele dagen mee en werd met eene Bogaarts een man van mijn leeftijd aangenomen als doodgraver. Na enkele dagen in dit kamp stierf de tweede persoon daar. Het kamp was in Februari opgericht en nu 15 Maart pas de tweede doode dat ging dus nogal.

    Vanaf die datum ging het echter anders en binnen drie maanden lagen er al 50 begraven.
    Hieronder waren toen al twee stadswachters n.l.
Stekkinger en de Meijer. Beide waren van Semarang of steeds met ons meegegaan en de Meijer nog al in mijn directe vriendenkring.  Vanaf de jaarmarkt sukkelde hij al en was al drie keer in het hospitaal geweest.
    Eerst in Singapore toen in Rin-tin en hier in Hin dato tot tweemalen toe.
In zijn laatste dagen waren van Benthem en ik veel bij hem en ook lt. Schilling bezocht hem vaak als geestelijke vader, tot verlichting van zijn laatste dagen.
    In begin Mei echter begaven zijn krachten hem en moesten wij hem aan moeder aarde geven.
    Intusschen werd het werk steeds zwaarder en langduriger en het eten niet beter en was het steeds een komen en gaan van duizenden krijgsgevangenen Tambie's (maleiers enz. van Malakka) en zelfs Javanen die langs de spoorweg verderop te werk werden gesteld. Zoo waren er dus in die tijd tienduizenden aan het werk over een afstand van eenige honderden km..
De spoorweg moest en zou op eind Juli klaar zijn.
Van Burma en ook van Thailand (Siam) uit, was aan elke zijde een beginstuk van ongeveer 100 km. toen reeds van rails voorzien en liepen daarop de werktreinen. Een tusschenschakel van ongeveer 200 km. was overal bezet met kampen, om de 4 Š 5 km., waar in en om elk kamp eenige duizenden aan het werk waren.
    In begin Juli was te voorzien dat het werk niet klaar kon zijn deze maand en toen werden de Jappen als door de duivel bezeten. Wij hadden geen rust meer en ook zieken moesten mee, tot zij langs den weg neer vielen.
Ook menig Tambi vond zijn dood langs de weg.
Naast de doode werd een gat gegraven en het lijk erin gerold.
    De onmogelijke toestand die er toen heerschte is niet met een pen te beschrijven. Ook wij doodgravers moesten meedoen en werden in de tweede helft van Juli 1943 naar Kwin-ma gezonden, een zuster kamp op slechts drie km. afstand van het hoofdkamp Hin-dato. Daar legerden ongeveer 1000 man Hollanders en Engelschen en deden dagelijks hun moordende arbeid.
Doordat intusschen de regens waren doorgekomen was het werken nog veel zwaarder. Kleederen kon niemand meer dragen dus liepen wij in een enkel broekje of slechts met een lendedoekje om.
    Hoeveel leed ik daar in drie weken tot 6 Augustus 1943 heb doorstaan is niet te beschrijven, genoeg zij dat ik op die datum totaal lichamelijk verzwakt was en geestelijk geheel uitgeput.
Ziek was ik, in de eigenlijke zin van het woord niet, doch hopeloos zwak en ik kon mijn gedachten nergens bijhouden.
Op ťťn der laatste dagen van die drie weken zakte ik, onder de zware last van een mand aarde, ineen en werd ik door een Koreaan net zoo lang geslagen tot ik weer opstond.
Gelukkig werden geen teere deelen van mij geraakt doch wel had ik behoorlijke pijn aan mijn ribbekast.
    Ik raakte toen over m'n zenuwen en liep naar de commandant van de Jappen en stond daar te huilen als een kind en was niet in staat een behoorlijk woord uit te brengen.
De smerige Jappen hadden nog schik in het geval en beduidden mij dat ik weg kon gaan.

    In eenige uren sleepte ik mezelve voort over een afstand van hoogstens 1 km. en bereikte daar het kamp.
De dokter (Hordijk) ontving mij, gaf me een borrel en wat pisang en raadde mij aan te gaan rusten. Ik viel in diepe slaap met de vaste gedachte dat dit mijn laatste nacht zou zijn.
Tevoren was ik al eenige keeren van het werk terug gestuurd, doch was het niet zoo erg als deze keer.
Ook mijn vrienden en de dokter hadden mij al opgegeven en niemand dacht dat ik dat zou overleven.
    Dergelijke gevallen kwamen toen dagelijks voor en velen vielen als slachtoffer.
De volgende morgen ontwaakte ik uit een diepe slaap en voelde weer eenige kracht. Het weer was beestachtig.
    Een hevige regen stroomde neer.
De mooie tenten in droge tijd waren nu doorzeefd met scheuren en regende het binnen bijna nog harder dan buiten.
Wij lagen dan ook allen onder natte lompen en de ransels waren ook doorregend en bemodderd. Ik ging naar de dokter om die dag niet naar buiten te moeten en vragen om corvee in het kamp.
Al meerdere malen was dit gelukt en dan deed ik werk als doodgraver of sprokkelde hout voor de keuken.
Deze dag echter ging dat niet want de Jap wilde iedereen naar buiten hebben.
    Bovendien moest die dag 40 uren achtereen gewerkt worden zonder slaap. Dat had ik natuurlijk nooit vol kunnen houden.
    De dokter raadde mij aan me te verbergen tijdens het uur dat de menschen voor het werk moesten aantreden en zoolang verborgen te blijven totdat de Jap de tenten had geÔnspecteerd en schoongeveegd.
Wanneer namelijk nog mannen met koorts in de tenten waren blijven liggen dan keek de Koreaan ze eens aan en als hij vond dat de patient geen koorts had, moest hij aan het werk.
Zieken mochten er die dagen niet zijn.
Ook alle officieren werkten toen mee al was het dan maar hout verzamelen voor de keuken, maar werken moest iedereen.
Ook werkten officieren aan de spoorweg doch hadden dan het toezicht over een 50 van onze menschen.
    Ik voor mij had goede vrienden in de keuken en verstopte me daar in ťťn van de vele leege drums.
Eenige uren zat ik daar verborgen en kreeg zoo nu en dan een inlichting diep te duiken als er een Jap in het zicht was.
    In de keuken werd gelukkig niet geÔnspecteerd.
Na een paar uren schuilen werd de naam Derks gebruld en dacht ik dat het mis was.
    Gelukkig echter was dit een oproep tot afvoer naar het hospitaal Hin-dato met nog vijf andere zieken.
Ineens kreeg ik wat kracht en pakte vlug mijn boeltje bijeen en was binnen een Ĺ uur op marsch terug naar Hin-dato, waar wij tegen de avond aankwamen. Het bleek toen dat ik van die zes man nog lang niet het slechts er aan toe was.
Twee man moesten gedragen worden. Onze barang werd door fitmenschen gedragen.
Zelf kon ik wel loopen en voelde mij hoe verder ik van Kwie-ma ging zelfs wat beter.
    In Hin-dato was ik binnen een week in mijn gevoel, en op het oog, weer beter.

Ik probeerde dadelijk weer mijn oude baantje als doodgraver op te vatten doch knapte in ťťn dag tijd weer af.
    De volgende dag kreeg ik koorts en de dokter constateerde malaria tertiana.
Een dag of vijf was ik hard ziek en knapte weer op.
    Tevoren had ik in Kin Sayark en Hin-dato ook al eens last gehad van papperige aandikking in m'n gezicht en m'n kuiten dat een begin van natte Beri2 aanduidde.
Last had ik er echter nooit van gehad, doch na m'n koortsdagen brak dat heftig uit en werd ik over mijn heele lichaam papperig dik, kreeg bovendien last van buikloop, en nog meer  koorts.
Dat aldus was het begin van mijn zieke dagen, die helaas zouden duren tot December 1944 dus 1 jaar en 3 maanden.
    In die drie weken dat ik van Hin-dato weg was, was het heele kamp en waren ook de menschen geheel veranderd.
De regen had de rivier buiten zijn oevers doen treden.
Waar eens die mooie tenten stonden op de zandlaag, die verleden jaar door de bandjir daar was achtergelaten, was een zee gevormd, die op sommige plaatsen wel 6 m. diep was.
De boomkruinen dreven als het ware boven op het water en elke dag steeg het water eenige d.m..
Het hele kamp was verplaatst in het hooger gelegen bosch.
De mannen hadden daarmee zwaar werk gehad en hun stemming en gezondheidstoestand was beneden 0.
    De overste kampcommandant Mans Bekfeld en zijn adjudant Kapitein ....? waren veel veranderd.
Beiden hadden zij de Jappen methode van drillen en slaan overgenomen en dat gaf een onhoudbare toestand voor iedereen.
    Ook ik liep een keer bijna een pak slaag op, zonder eenig motief, van onze kampcommandant, doch het liep gelukkig met een sisser af.
    De reden was dat ik niet kon werken en toch moest en dit natuurlijk niet vlot ging.
Enfin over die details wil ik liever niet verder uitweiden want dan moet ik betere capaciteiten als schrijver hebben.
Geschikte woorden kan ik daar niet voor vinden.
Intusschen verdiende ik geen geld en mijn kapitaal was op.
Toch had ik hard versterkende middelen noodig.
In het kamp had ik vele goede vrienden o.a. de stadswachters Prant en anderen en een aannemer van Soerabaja.
Inderdaad hebben velen mij toen goed geholpen, doch ik wilde ook graag zelf wat extra en althans m'n tabak hebben.
    Zoo kwam ik aldus te behooren tot de groote massa die al hun kleeren goud enz.hebben verkocht, om in leven te blijven.
Spoedig verkocht ik van alles en nog wat ook m'n politie pak m'n riem een scheeretui en zoo meer, tot ik zoowat niets meer over had dan wat vodden.
    In mijn koortsdagen bleef ik te bed doch was gelukkig altijd nog in staat zelf naar de W.C. te gaan (soms 10 keer per dag en 3 of 4 keer in de nacht) en mijzelve te wasschen enz..
    Als ik geen koorts had was ik op de been en hielp ik vele zware zieken die al maanden plat te bed lagen en maar wachten op het einde. Dagelijks vielen er dan ook slachtoffers en toen ik half October Hin-dato verliet lagen daar al een paar honderd dooden.

Zoo zou ik nog uren kunnen doorgaan om het leelijke van deze dagen te beschrijven doch het heeft zoo weinig zin om die ellende in details uit te werken.
    Genoeg moge het zijn hier te verhalen dat ik mijn moeilijkste tijd hier sleet en ongeveer half October 1943 afgevoerd werd naar het ziekenkamp Canchil-buri.
    De Hindato - Kwie ma hel sluit hierbij af.

 (Patjol = een werktuig dat lijkt op een hark, maar inplaats van tanden is dat een blad zoals van een schop.) .
 (Pikollen = wegdragen aan een juk) .
 (Deng deng = gebakken gedroogd vlees, ook een gerecht bij de indise rijsttafel.) .
 (Bandjir = overstroming).    red.


===========================
Copyright: R.Derks

Creatie datum : 15/10/2010 @ 18:53
Laatste wijziging : 25/10/2010 @ 10:52
Categorie : Derks, H.A.T.
Pagina gelezen 4036 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 629802 Bezoekers

 7 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^