Verhalen door:

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten IndonesiŽ

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in PŤtjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Szťkely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Velleman, Luwi - Oorlogsliefdekind

Lees voor met webReader

Ik ken het gezicht van mijn vader alleen van een foto.

Oorlogsliefdekind.

Luwi Velleman is geboren in 1949 en woont in Semarang, in de wijk Jangli. Zijn vader, Louis Velleman, heeft de kleine Luwi nog in zijn armen gehad en gekoesterd, totdat in 1949 alle Nederlandse soldaten terug moest keren naar Nederland. Vader Louis liet zijn meisje en kind achter in Indonesie met de bedoeling zo snel mogelijk terug te keren, met een baan en toekomstperspectief. Daar is het nooit van gekomen. Luwi leefde al die tijd in de veronderstelling dat zijn vader hem moedwillig in de steek had gelaten. Totdat hij in 1990 een brief uit Australie ontving.


Luwi: 'Mijn moeder was een jong, ongehuwd meisje, in haar tienerjaren nog, toen zij kennis maakte met de Nederlandse soldaat Louis Velleman. Ze werkte, net als veel andere Indonesische meisjes, als hulp in de huishouding bij de Nederlandse kazerne, hier vlak bij. Daar heeft ze mijn vader ontmoet. Hij werd haar eerste liefde. Maar in 1949 vertrokken alle Nederlandse militairen, en dus ook mijn vader. Ik was toen al geboren. En zo stond mijn moeder er opeens alleen voor. Toen ik drie jaar oud was, is mijn moeder getrouwd met mijn stiefvader. Mijn zusjes en broertjes zijn uit dit huwelijk geboren. Het is nooit een geheim geweest dat ik van een andere vader was. Want iedereen om me heen wist het immers: mijn oma, de buren, zij hadden mijn vader allemaal gekend. Hij kwam hier vroeger altijd bij mijn moeder op bezoek. En toen ik een jaar of zeven was, kon ik ook zelf het verschil wel zien tussen mijn zusjes en mij, ook al waren zij nog baby's.

Terwijl andere kinderen huiswerk maakten.

Mijn stiefvader was timmerman. Dat betekende dat hij werk had als er ergens gebouwd werd. Maar als er niet gebouwd werd, zat hij zonder werk en dus ook zonder geld. Soms hadden we niets te eten. Dan zochten we cassaves, die raspten we en daar kookten we pap van. Het was altijd moeizaam om genoeg eten bij elkaar te scharrelen. Ik zat nog op de lagere school, in de vierde klas, toen ik mijn moeder al moest helpen. Hout zoeken om te koken bijvoorbeeld. En als er hout over was, dan verkochten we het, om eten te kunnen kopen. Een van mijn dagelijkse taken was het water halen, met twee emmers; in het Javaans zeggen we dipikul. Water halen voor het dagelijks huishouden. Om te baden, om te koken. Ik begon om vijf uur 's ochtends en werkte soms door tot elf uur in de morgen, daarna verkochten we het.

Ook werd ik er op uitgestuurd naar de Puskesmas, de kliniek te Jatingaleh om flessen melk te halen voor mijn zusjes en broertje, die waren nog baby. Andere mensen uit de straat vroegen of ik ook voor hen flessen melk wilde halen. Ik vond dat wel eng, met die vele zware flessen sjouwen, maar deed het toch. Om half vijf, vijf uur moest ik al opstaan om die melk te halen. Daar gebruikte ik een grote doek voor, die ik zo genaaid had dat er twee flessen in pasten. En zo droeg ik als kleine jongen twee flessen op mijn rug, met een touw over mijn schouder, en dan van voren ook twee flessen. Dus, ja... anderhalve kilo, en dan lopen. Het was best zwaar, ik heb het ongeveer twee jaar gedaan. Het grootste deel van het geld dat ik daarmee verdiende, gaf ik aan mijn moeder, een deel was voor schoolgeld. Als ik de flessen had afgeleverd, ging ik naar school van zeven uur 's ochtends tot twaalf uur. Terwijl andere kinderen 's middags hun huiswerk maakten, liep ik met van alles en nog wat te sjouwen.

Mijn moeder werkte tot vier uur 's middags. Meestal was mamah dus nog niet thuis als ik uit school kwam. Als het meezat, wanneer ik de kleine kast opendeed, dan stond er rijst. Als het tegenzat, tsja, dan deed ik de kastdeur open en moest ik meteen huilen. Ik had zo'n honger. Wat was dat moeilijk. Om twaalf uur moest ik naar de groentetuinen gaan. Andermans groentetuin. Ik nam een arit, een sikkel, mee om iets eetbaars te zoeken. En zo werd ik een dief. Met mijn voeten en mijn arit haalde ik de cassaveknollen uit de grond, rauw, at ze op. Als ik genoeg had dan viel het wel mee, deed mijn buik niet zo'n zeer.


Niet slapen van de honger.

Toen ik wat sterker werd, mijn lichaam wat groter, verdiende ik wat met het bij elkaar rapen van de cassaveknollen die waren blijven liggen na het oogsten. Om twee uur 's ochtends ging ik al op pad, met mijn dunak, een gevlochten draagmand van bamboe, bij me. Een, twee, drie, vier, van die hele kleine cassaveknollen. Thuisgekomen schilden en kookten we de cassave. En dan maakte mijn moeder Surip er allerlei verschillende gerechten van. Soms raspten we het, om er pap van te koken. Soms pletten we het, dan konden we er gethuk van maken: een soort zoete pasta van gekookte cassave, om 's middags te eten. Dan kon ik tenminste slapen. Als we dat niet hadden, konden we niet slapen van de honger.

Na de lagere school ben ik nog even naar de middelbare school geweest, bij de Paters van Franciscus. Dat was geen staatsschool, je moest daar voor betalen. Er was bij ons thuis gewoon geen geld om de school te betalen, dus ben ik van school gegaan en heb een tijd genietsnut en deed allerlei dingen om geld te verdienen voor eten. In die tijd, het werd van mij gezegd en ik geef het eerlijk toe, ik was een schoffie. Daarna kwam ik gelukkig bij het Sint Elizabeth Ziekenhuis te werken, in de tuin. Dat loon droeg ik af aan mijn moeder, om eten te kopen voor haar en mijn broertje en zusjes en stiefvader. En 's avonds werkte ik nog op de parkeerplaats, nam ik het werk van de parkeerwachten over die dan al naar huis waren. Het geld dat ik daarmee verdiende, bewaarde ik voor mezelf, of bijvoorbeeld om het huis op te knappen. Of mijn vader verschil maakte tussen mij en mijn broertjes en zusjes, omdat ik van een Nederlandse vader was? Dat weet ik niet echt, want ik zag hem eigenlijk nooit. Ik was maar weinig thuis. En als hij wel verschil had willen maken, had hij dat toch niet gedurfd. Want ik bracht een groot deel van het geld binnen, dus hij keek wel uit.

Kind van de bezetter.

In de kampong met mijn vriendjes heb ik nooit gemerkt dat zij mij anders behandelden omdat ik een Nederlandse vader had. Maar misschien lieten ze het ook wel uit hun hoofd, want ik was sterk en een deugniet. Dan waren ze nog niet klaar geweest met me. Want als iemand vervelend deed tegen mij dan maakte ik hem af. Zo was ik vroeger, keihard. Mijn moeilijke leven heeft mij zo gemaakt. Het gebeurde wel eens dat kinderen van buiten de wijk mij uitscholden. Dan vonden ze het grappig om mij Londo te noemen, Hollander. Of 'kind van de bezetter', dat soort dingen. Toen ik een keer hout had gezocht, kwam ik iemand tegen uit de wijk Karang Panas. "He, Hollands kind, kind van de bezet¨ter!" riep hij me na. Hij heette Kasno, hij leeft nog. Ja, ik rende hem achterna, ik sloeg hem. Maar daar liet Kasno het niet bij zitten. Hij rende terug naar huis om zijn vrienden te halen. En een andermaal, toen ik ergens langs wilde, werd ik tegengehouden. Ik werd in elkaar geslagen. Soms kwam ik vol builen en schrammen thuis, want ik ging niemand uit de weg. Tot op de dag van vandaag, ik ben nu al zestig, zijn er nog wel mensen die mij gekke Hollander noemen. En op 17 augustus krijg ik het als grapje vaak te horen: "Kijk een kind van de bezetter." Vroeger, als iemand dat tegen me zei, ja nou, dan was ik kwaad! Maar tegenwoordig laat ik het maar. Ik schaam me er niet voor. Ik ben het kind van een Nederlandse militair. Zo is het. De Nederlanders hebben ook veel goede dingen achtergelaten; grote gebouwen, stations, treinrails, autowegen, de waterleiding, het drinkwater. Als je dat een bezetting wilt noemen, dan noem je het maar een bezetting. Maar Indonesie heeft er ook veel voordeel van gehad. In Semarang alleen al is negentig procent van alle wegen door de Nederlanders aangelegd. En dat de Nederlanders wreed zijn, vaak iemand vermoorden, wie zegt dat? Oude mensen van vroeger, als die vertelden over Indonesie, vertelden ze altijd dat de Nederlandse tijd 'normaal' was.

Huilen, huilen, huilen.

Op een dag, al weer twintig jaar geleden, werd er een brief bezorgd. Van mijn halfbroer, uit Australie. Het bleek dat mijn vader, nadat hij eenmaal terug was gestuurd naar Nederland, jarenlang heeft geprobeerd terug te komen naar Indonesie om voor mijn moeder en mij te zorgen. Hij solliciteerde op allerlei baantjes, maar het lukte hem niet om naar Indonesie te komen. Hij heeft toen besloten om naar Australie te emigreren. Hij hoopte vanuit Australie makkelijker hiernaartoe te kunnen komen. Z6 ver, van Nederland naar Australie, wilde hij gaan om zijn vrouw en zoon te ontmoeten! Maar dat is er nooit van gekomen. Want toen hij mijn moeder in die jaren schreef dat hij probeerde naar Indonesie te komen, schreef zij hem terug dat zij inmiddels getrouwd was met mijn stiefvader. Toen heeft mijn vader het contact verbroken.

Het eerste contact tussen mijn vader en mij kwam tot stand doordat zijn zoontje, die was toen nog jong, in een kist een foto van mij mijn moeder Surip vond, en ook brieven van mijn moeder. Toen heeft mijn vader over mij verteld: "Dit is een foto van je oudere broer Luwi, in Indonesie." Hij heeft mij toen weer geschreven; we woonden nog steeds op hetzelfde adres. En zo hebben we contact gekregen. We sturen nu over en weer brieven en foto's, en cadeautjes, en soms geld. Mijn vader heeft het in Australie ook nooit breed gehad, en hij moet daar ook een gezin on derhouden. We hebben geen van beiden geld om de ander te bezoeken.

Ik heb mijn vader dus nog nooit ontmoet, en ken zijn gezicht alleen van een foto uit 1987. Die heeft hij opgestuurd toen we weer contact kregen. Hij is op die foto al net zo oud als ik nu ben, en vader van een nieuw gezin. Hij moet veel van mijn moeder hebben gehouden, want hij is pas in 1980 hertrouwd. Toen was hij al 53. Hij heeft er veel voor over gehad om te proberen weer samen met mijn moeder te zijn. Hij heeft haar ook altijd geld gestuurd, en cadeautjes, en kleren voor mij. Maar mijn moeder heeft mij dat nooit ver¨teld. Ik moest soms wel geldwissels ophalen, maar zij heeft mij nooit verteld dat die van mijn vader kwamen. Ik heb altijd gedacht dat hij mij in de steek had gelaten. Ik ben daar later heel kwaad over geworden naar mijn moeder toe. Dat ze niet heeft gewacht op mijn vader. Maar toen ik haar dat voor de voeten gooide, kon ze alleen maar huilen, huilen, huilen.

Ik neem mijn vader niks kwalijk. Maar ik mis hem verschrikkelijk en heb hem eigenlijk altijd gemist. Gelukkig is mijn naam hetzelfde als mijn vaders naam. Mijn vader heet Louis, en ik heet Luwi. En mijn kleinzoon heet Luwis. Dus ook al hebben we elkaar nooit ontmoet, onze naam blijft ons aan elkaar verbinden.

Bron: Moesson Juni 2010.




Creatie datum : 25/11/2010 @ 15:25
Laatste wijziging : 25/11/2010 @ 15:25
Categorie : Velleman, Luwi
Pagina gelezen 4938 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Reactie #1 

Door: wiert op 29/08/2012 @ 11:00

Luwi, zoon van Louis Velleman. Ik doe genealogisch onderzoek naar (ondermeer) de familie Velleman. Een oud-oom van mijn schoonmoeder was Hartog Velleman uit Groningen, die diende in het KNIL. Hartog had een zoon die is gesneuveld in Frankrijk in 1942. Hartog was in 1923 als sergeant in Batavia en was gehuwd met Harmke de Vries uit Groningen. Hartog overleed in 1959. In mijn genealogie komt Louis Velleman voor. Deze overleed 0- 13-10-1980. In mijn genealogie komen 28 personen voor met de naam Velleman. Ik nzou het heel erg op prijs stellen als U contact met mij wilt opnemen. Dat kan via: wiert (apestaartje)hotmail.com.

Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 652619 Bezoekers

 5 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^