Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pètjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Voorspel - 3

Mijn verhaal - voorspel 3

Een week ongeveer bleven de aspirant-mariniers in Amsterdam. De eerste groep was bijna vierhonderd man groot en afkomstig uit alle delen van Nederland, zoveel verschillende accenten, waarvan Klaas eigenlijk alleen het ‘utrechts’ kende, want daar kwam zijn moeder vandaan, maar de enige echte splitsing was die tussen Limburgers en niet-Limburgers. Iedereen werd voorzien van militaire kleding, allemaal uit Engeland, die ze gelijk moesten aantrekken. De zogenaamde battle dress was nieuw, maar het werktenue was slecht, al gedragen en beschikbaar in twee maren: te groot en te klein.
Daarna gingen ze naar Bergen op Zoom, waar ze hun eerste militaire vorming zouden krijgen. Er werden klasse gevormd of bakken, zoals dat bij het Korps mariniers werd genoemd. Het kader bestond uit beroepsmariniers die voor de oorlog al in dienst waren gekomen en tijdens de oorlog wel ergens in de wereld dienst hadden gedaan of krijgsgevangen waren geweest. De sfeer was gezellig en gemoedelijk maar toen, na hun eerste nacht in de kazerne;
‘Trek er uit trekhonden, kom uit je vodden baal. Laat ze zeentje los en trek eruit!’
Een kleine man met twee strepen op zijn mouw rende tussen de bedden door alsof de hele kazerne in lichte laaien stond.
‘Kom op. Het stinkt hier als een varkenskot. Ga je scheren en wassen en laat de deuren openstaan want dan krijgen we weer frisse lucht binnen. Godverdomme, wat kunnen jullie stinken.’
Hun opleiding was begonnen.

Alles in de kazerne heette als op een schip, dus ze moesten hun ontbijt halen in de kombuis. Dat ontbijt bestond uit een paar sneetjes brood, een twintigste deel van een pakje margarine, stroop die net zo dun was als de thee, en altijd een zure bokking. Veel tijd om daarover na te denken hadden ze niet want iedere ochtend om 08.00 uur was het appel, het zogenaamde baksgewijs.
Maar eerst moesten ze aantreden voor het legeringsgebouw, naar lichaamslengte. De langste helemaal rechts, de kleinste helemaal links. Klaas eindigde iets links van het midden. Die plaats moest je goed onthouden want die plaats, en geen andere, was jouw plaats bij het baksgewijs, Toen iedereen zijn definitieve plaats had toegewezen gekregen, moesten ze afmarcheren naar de plek waar het baksgewijs zou worden gehouden. Een korporaal gaf hun eerste militaire instructie:
‘Iedereen begint met zijn linkervoet op het commando ‘voorwaarts mars’, begrepen´
Niemand zei iets. Leek ook niet zo moeilijk.
´Voorwaarts….MARS, brulde de korporaal. De klas zette zich in beweging, en meteen brulde de korporaal± ´Links, rechts, links rechts, links, rechts, een, twee, drie vier. Hou die koppen omhoog, en luister naar mijn tellen. Links, rechts, een , twee, drie, vier. Koppen omhoog en blijf in de maat lopen. Stop maar. Wat een ellende.´
Op het exercitieveld werden ze allemaal opgesteld, twaalf klassen mariniers in wording, onwennig en in toenemende mate onzeker, er was tot nog toe niks goed gegaan in hun militaire carrière. Het kader liep met zure gezichten tussen hen door om hun kleding, schoeisel en haren te controleren.
Allemaal moesten ze naar de kapper, de schoenen waren niet goed gepoetst en de kleding zat niet goed. Verweer was niet mogelijk. ´Mond houden, en doen wat je gezegd wordt.´
Na baksgewijs werden ze toegesproken door hun klascommandant, een grote vent met een stierennek. Het was een sergeant der mariniers.
´´Luister even goed uit mannen. Jullie willen allemaal marinier worden en dat gaan we ook van jullie maken. Maar dat gaat niet vanzelf. Vanaf nu gaat alles model. Als een meerdere tegen je spreekt dan sta je in de houding. Dat wil zeggen, je staat rechtop en kijkt je meerder aan, je voeten tegen elkaar en je armen gestrekt naar beneden en daarbij zijn je vingers gestrekt. Je spreekt je meerdere aan met twee woorden, dus, ja sergeant, ja korporaal enzovoort en als het nee is, dan is het nee sergeant, enzovoort. Het aantreden geschiedt in de looppas. Voorlopig wil ik het hier bij houden, want aan jullie gezichten te zien lijkt dit al te veel. Maar iedereen gaat eerst naar de kapper, en dat doe je wel in je eigen tijd. Jullie krijgen daar twee dagen voor, daarna doen wij het en hoef je de eerste jaren niet meer te gaan. Nu gaan jullie naar je kamer en daar gaan we beginnen met het nummeren van de kleding en uitrusting. Het kader zal wel vertellen hoe dat moet gebeuren. Korporaal laat ze maar inrukken.´
´Inrukken´
Het nummeren moest gebeuren met de kettingsteek. Niemand heeft er ooit van gehoord, maar het kader doet het een keer voor en even later is iedereen bezig met naald en garen. ´Jezus, we lijken wel een stelletje wijven. Hebben we straks wat te vertellen, als we verlof hebben. Hoe is het geweest= Nou Leuk, we hebben de hele zitten borduren. Naald in de aanslag. Zet af naald.´
Model, Klaas had het woord zelden gebruikt in zijn leven, maar dat zou gaan veranderen. Ze leerden hoe we onze bedden model moesten opmaken. Was je bed niet model opgemaakt dan werd alle beddengoed er vanaf getrokken en kon je opnieuw beginnen. Ook je plunjekast moest model worden ingeruimd.. Als de kastdeuren open staan moeten ze allemaal hetzelfde, precies hetzelfde, lijken. De kastdeuren moesten met een hangslot worden afgesloten. Vergat je dat, dan ging je direct in het rapportenboek wegens, ´gelegenheid geven tot diefstal´ en dat was goed voor ´licht arrest´. Dat hield in dat je je moest melden bij de officier van de wacht, en dat was dan ´s avonds, en je mocht de poort niet uit om te passagieren.
De eerste dagen waren gevuld met kleine dingen die ze moesten leren en onthouden. Niets ervan was echt ingewikkeld maar alles was nieuw voor hen en overal stond een sanctie op.
Na twee dagen waren ze klaar met het nummeren van kleding en uitrusting en de inspectie daarvan. Ze waren ook allemaal naar de kapper geweest, en model geknipt, twee centimeter glad boven de oren en bovenop goed kort. Het was geen gezicht, maar ze droegen een baret op het hoofd dus niemand die het zag. Even dreigde een moment van rust, maar snel werd duidelijk dat het mariniersleven geen rust kende. De hele dag waren ze in touw, voornamelijk met exercitie en theorielessen. De theorielessen bestonden onder ander uit. De baksorder, krijgstucht, deze lessen werden altijd gegeven door een officier. Er was veel theorie te leren. En alles moest in je kop gestamp worden. Geen moment werden ze alleen gelaten.
Tussen twee lessen kregen ze vijf minuten strootjeroken, en geen minuut langer. Ze begonnen met exercitielessen, eerst de grondoefeningen. Voetje voor voetje werd geleerd om je voeten zo te plaatsen dat het later allemaal vanzelf ging. Je leerde naar rechts of links te draaien, of rechtsomkeert dat was een halve draai. En alles moest wel gelijk gaan. Dan kwam de inwendige dienst. Het allemaal te maken met de spelregels die bij de Koninklijke marine waren opgesteld. Het leren van rangen standen was heel belangrijk want ze moesten iedereen hoger in rang de militaire groet brengen, ook die werd hen grondig bijgebracht, al zoude de praktijk op dit punt voorlopig nog geen problemen geven want hen was ook duidelijk  te verstaan gegeven dat het nog heel erg lang zou duren voordat ze iemand zouden tegenkomen in de kazerne of daarbuiten die lager was dan zij. Het leren met de omgang met je meerderen, de straffen, wanneer er gegeten kan worden, ziek zijn, ziekenboeg, noem maar op. De baksorder, vooral het eerste psalm, was zeer belangrijk. Dat moest je uit hoofd leren en op de gekste moment van de dag moest het kunnen opzeggen. Als je dat niet uit het hoofd kende dan was je niets waard.. Marcheren, geweergymnastiek, schiethoudingen. En dan de theorielessen over wapens, geweer, automatische geweer, pistool etc.  De lesmethode was stampen, stampen, stampen. Wat je hier leerde zou je nooit meer vergeten. De rode draad  in alles wat ze deden was discipline. Discipline, discipline, overal dook het op, even vanzelfsprekend als de zuurstof in de lucht die je inademde.
Doodmoe en kapot waren we aan het einde van de dag, en iedere dag werd de training iets zwaarder maar elke dag ging het iets beter, ondanks de niet aflatende minachtende opmerkingen van het kader.
´´Kom op jongen trekhonden, jullie willen toch zo graag marinier worden, dan moet je er ook wat voor doen. Aan slappelingen heeft het Korps niets,´ schreeuwde de korporaalsportinstructeur die aan hun bak was toegevoegd, terwijl hij voor de troep uitrende als een paard dat net de sporen heeft gekregen. En daar gingen ze weer, zwaar, zwaarder maar het begon al een beetje leuk te worden.

Een van de belangrijkste momenten in de eerste weken van hun opleiding was de verstrekking van een geweer. In de wapenkamer kregen ze allemaal een Johnson semi-automatisch geweer, kaliber 7,62 mm. Het geweer had een losse loop, de meeste geweren hadden dat niet, werd hen verteld. Elk geweer had een nummer en dat nummer werd vastgelegd op naam waardoor ieder geweer was terug te koppelen naar de gebruiker ervan.. Bij het geweer werden ook enkele toebehoren verstrekt, zoals een bajonet, een draagriem en onderhoudsmateriaal als olie, looplapjes en poetslapjes. Het geweer hing met twee dekenriempjes aan je bed. Alles in hun persoonlijke uitrusting was belangrijk, tot en met de koperen marineknopen op hun jekker, verlies daarvan kwam je op een daverende uitbrander te staan., maar hun geweer was met grote voorsprong het belangrijkste element in hun persoonlijke uitrusting. Het was, en bleef, eerst en vooral natuurlijk eigendom van het Koninkrijk der Nederlanden, en alleen om die reden al moest er uiterst behoedzaam mee worden omgesprongen, maar het was ook een levensreddend element.
  ‘Als de ploppers jullie beschieten vanuit de jungle rond de sawa’s dan is je wapen je beste en enige vriend, dus zorg er goed voor. Het kan jouw en dat van je maten redden.’

‘Je meisje komt na je geweer,’ zei de sergeant, ‘ Maar dat voor de meesten van jullie geen problemen geven want zo te zien zijn er deze keer weer een hoop meisjes in de bak binnengeslopen.’
Geen problemen voor Klaas. Hij had nog geen meisje maar me zijn eigen geweer zouden die vanzelf komen.
Een geweer was nooit schoon, dus als je even niets te doen had, of je dacht even niets te doen te hebben tussen de theorielessen, het marcheren, het exerceren, de geweergymnastiek en de gewone gymnastiek, was je bezig met je geweer. Waar je vroeger even ging zitten om uit te rusten, pakte je nu je geweer, vanzelf, zoals alles wat ze moesten leren na een tijdje vanzelf ging. De leermethode was gebaseerd op stampen. Wat je hier leerde zou je nooit meer vergeten. En voor alles wat je deed bestond slecht één goede manier om het te doen, en op die manier moest het gebeuren, daar werd verder niet over gesproken, laat staan met hen over gediscussieerd. Je kreeg een opdracht om iets te doen, en dat deed je, precies zoals je het had geleerd. Eigenlijk heel gemakkelijk.
Doodmoe en kapot waren ze aan het einde van de dag, en iedere dag werd de training iets zwaarder maar elke ging het ook iets beter, ondanks de niet aflatende opmerkingen van het kader.
‘’Kom op jonge trekhonden, jullie willen toch zo graag marinier worden, dan moet je er ook wat voor doen. Aan slappelingen heeft het Korps niets,’ schreeuwde de korporaal..
Aan slappelingen heeft het Korps niets, dacht Klaas als het echt zwaar begon te worden, en dan ging het weer.

Het kader dat aan de bak was toegevoegd bestond uit een sergeant, twee korporaals en een marinier 1ste klas. Het waren geen beroerde kerels, alleen keihard, maar Klaas had niet anders verwacht. Daar ging het tenslotte allemaal om als je marinier wilde worden, keihard worden, voor niets en niemand bang te zijn maar andersom wel bij iedereen respect af te dwingen, alleen al door je verschijning. Tenminste daar ging het Klaas om. Zo zagen zijn helden eruit, de groene duivels van Rotterdam.
De sergeant was een grote kerel, met brede schouders en een nek die onderaan breder was dan zijn hoofd. Tijdens de oorlog was hij in Engeland geweest en gedetacheerd bij de RAF als boorschutter. Misschien had hij in een van de vliegtuigen gezeten die Klaas zo vaak had zien overkomen in Amersfoort aan het einde van de oorlog. Een echte mannetjesputter, voor hen onaanspreekbaar. Als ze wat te vragen of te zeggen hadden, dan moesten ze zijn bij de oudste korporaal, hun baksmeester. Hij had in Japanse krijgsgevangenschap gezeten en was een zwijgzame, afstandelijke man. Zolang je mij maar met rust laat, vink ik alles best, leek hij te denken. De ander korporaal had in Duitse krijgsgevangenschap gezeten.. Deze man kon niet normaal praten, altijd liep hij te schreeuwen. De marinier eerste klas in leeftijd en rang het dichts bij hen en was een aardige vent die voornamelijk was belast met praktische huishoudelijke taken, hij zorgde er o.a. dat het wasgoed van de jonge mariniers naar de wasserij ging. Hij had aan boord gezeten van een schip dat de slag om de Javazee had meegemaakt. Allemaal mariniers met oorlogservaring. Betere leermeesters hadden ze niet kunnen hebben. Ze knepen ons alle dagen af. 
‘ Al is de weg nog zo krom, je perst maar door en kijkt niet om’. Ze zouden merken dat ze tot het Korps mariniers behoorden, het keurkorps!


‘Bak tien, aantreden!’
Veertig jonge kerels sprongen op en renden de trappen af naar de plaats voor het gebouw waar zij moesten aantreden.
‘Schiet op, godverdomme,’ schreeuwde een korporaal.
Hijgend traden de mariniers.
‘Na het inrukken gaan jullie in de looppas naar boven, halen jullie geweer en komen als de bliksem weer naar beneden.’
‘INRUKKEN’
De mariniers renden weer naar boven, haalden hun geweer en stonden in een paar minuten weer beneden aangetreden. Dat was behoorlijk snel gegaan, dacht Klaas tevreden.
‘Een stel ouwe wijven doen het nog sneller dan jullie. We doen het nog een keer!’, schreeuwde de korporaal terwijl hij met gespreide benen voor de groep stond. Klaas schraapte, onhoorbaar bijna, zijn keel.
‘Wat sta jij daar te kuchen, Hardeman. Gaat het iets te…hard misschien?’
‘Nee, korporaal!’ schreeuwde Hardeman.
‘Je schreeuwt toch niet tegen de korporaal, zak!’
‘Nee, korporaal,’ schreeuwde Hardeman.
‘Wel godverdomme, nou schreeuw je weer tegen me,’ zei de korporaal, woedend. Zo kon zijn vader ook kijken, vlak voordat de eerste klappen op je neerdaalden.
‘Nou, omdat Hardeman niet weet hoe het moet gaan jullie nogmaals twee keer de trap op omhoog en naar beneden. INRUKKEN!’
Uitgeput stonden de mariniers een paar minuten later weer aan getreden voor de korporaal. De korporaal ging pal voor Hardeman staan, zijn gezicht heel dicht bij het gezicht van Hardeman, en zei: ‘ dat hebben jullie nou aan Hardeman te danken. En om het niet meer te vergeten gaan we nog een keer naar boven, in de looppas! INRUKKEN!’ Zijn adem stonk naar zware shag.
Daar gingen ze.
  Hou verdomme je geweer goed vast als je de trap oprent!’
  ‘Opschieten trekhonden, kom naar beneden.’

De mariniers stonden met rode koppen aangetreden, het was nog weer iets sneller gegaan dan de laatste keer.
‘Nou, dat stelt geen ene moer voor. Dat zullen we nog maar eens een paar dagen blijven oefenen. Vanaf nu gaan jullie steeds in de looppas op en af, totdat ik zeg dat het genoeg is. Hebben jullie dat begrepen?’, beet de korporaal hen toe. Het leek dat hij de oren spitste om zelfs maar het geringste geluid op te,kunnen vangen. Het was nog nooit zo, stil geweest op het exercitieterrein. De korporaal draaide zich van de groep af, deed enkele stappen maar draaide zich toen razend snel naar de groep om. Hij keek of hij iemand wilde verscheuren maar zei en deed verder niets. Iedereen hield zich voor dood. Klaas kon dat goed. Hij won vroeger ook met adem inhouden.
‘We gaan nu infanterie-exercitie doen’, ging de korporaal verder met schorre stem, ‘’ Zet je kakken goed op dek, en zwaai je armen door tot schouderhoogte. Lijkt mij niet zo moeilijk en verder gelul in de soldatenschool!’ De korporaal ging stram in de houding staan.
‘Geeft acht!’
Zijn kop barstte bijna van inspanning en de aders aan beide zijden van zijn hals zwollen op als kabels. De mariniers sprongen stram in de houding. Klaas kon de anderen niet zien maar hij voelde dat iedereen als een standbeeld stond aangetreden.
‘Sta stil man, verdomme. Al sta je in de brand, dan nog sta je stil, heb je dat begrepen, man!’ schreeuwde de korporaal tegen een marinier. Klaas durfde zijn ogen niet te draaien. Onbeweeglijk stonden de mariniers, de armen en handen gestrekt langs het lichaam, het geweer aan de punt van de voet.
‘Overrrrrr…… geweer!’
Weer die opgezwollen kop, die dikke aders. Hardeman keek er recht tegen aan. Straks klappen ze uit elkaar en zit hij onder het bloed. Hij zag het al gebeuren.
‘Jezus wat een klerezooi.’
‘Zééét……af, geweerrrr!’ De korporaal liep voor de troep langs.
‘oh lieve Heer, wat heeft u aan ons aan wrakhout geleverd. Moet ik daar mariniers van maken. Als jullie denken mij op mijn strot te jagen, dan heb je het mooi mis, want dan gaan vanavond gewoon een poosje door. Ik heb de tijd!’
‘Sta stil man! STA STILLLL!’ gilde de korporaal weer.’ Je staat in de houding, zak.  En al staat er een meid je gulp los te maken, dan sta je nog stil man!  Heb je dat betgrepen, zak!’
Hardeman dacht aan zijn moeder, ‘Laat dat jochie, dan ziet hij nog wat van de wereld’.
De marinier naast Klaas schoot in de lach en de korporaal schoot er als een pijl op af.
‘Wat sta jij te lachen, stommeling, of lach je mij uit, verdomme.’
‘Nee korporaal, ik lach niet’, zei de marinier schuchter.
‘Hou dan je bek man en haal die onmilitaire grijns van je smoelwerk.’ De korporaal stond bijna met zijn gezicht tegen het gezicht van de marinier. Klaas dacht hij ruikt op de shaglucht.
Duitse Fritz, Klaas moest er inwendig om lachen. De korporaal had in Duitse krijgsgevangenschap gezeten en had daar vast iets geleerd van Duitse Fritz.
‘We staan nog steeds in de houding en dan is elke vezel in je lichaam gespannen en zo moet je uren kunnen blijven staan.’
De mariniers stonden strak in de houding, niemand durfde zich te bewegen. De korporaal liep weer om de troep heen.
‘Na het inrukken brengen jullie je wapen weg en komen jullie zo snel mogelijk terug. Hier op deze plaats.’
‘Ingerukt…. Mars!’
De mariniers renden weer als dwazen het gebouw binnen, de trap op.
‘LOOPPAS!’’ hoorde ze de korporaal schreeuwen toen ze boven waren. Een paar minuten later stond de hele bak weer aangetreden. Ik had toch gezegd dat jullie direct terug moesten komen. Ik sta hier alweer drie minuten te wachten. Zijn jullie soms moe?’ Niemand durfde iets te zeggen.
‘Niet? Mooi dan heb ik nog wel wat voor jullie. Neem jij ze maar mee collega,’ zei de korporaal tegen de korporaalsportinstructeur, de meest fanatieke sportinstructeur van bergen op Zoom, die al een tijd zwijgend had toegekeken. ‘Knijp ze maar goed af want anders leren ze het nooit!’
‘Volg mij maar,’ riep de korporaalsportinstructeur opgewekt, en zonder hun reactie af te wachten begon hij als een waanzinnige te rennen.
Drie kwartier later kwam bak tien terug. Als voddenbalen vielen ze op hun bedden. Er werd niet meer gesproken. Weer een dag voorbij, dacht Klaas, bijna te moe om te denken, maar ook voldaan.

Na het avondeten, wat hetzelfde was als het ontbijt, waren de mariniers vrij en konden zij gaan passagieren in bergen op Zoom. Daar werd door enkele gebruik van gemaakt, anderen gingen naar de kantine en brachten zo hun vrije avond door.. In de eerste weken in bergen op Zoom hadden zich allerlei groepjes gevormd. Ook Klaas had een paar maten waarmee hij optrok in Bergen op Zoom. Maar ze bleven meestal in de kantine, waar je voor een paar centen een biertje kon kopen. Soms kwam het kader in de kantine kijken en dan kon je gewoon met die lui praten. Dan was het best gezellig, maar Klaas bleef op gepaste afstand. Hij hoefde geen bruine arm te halen in de kantine om in een goed blaadje te komen bij het kader. Hij liet buiten in het veld wel zien wat hij waard was. Hij had maar een doel, een goede marinier worden, daar deed hij alles voor, zonder extra op te vallen, allen vonden anderen hem fanatiek. Dat deerde hem niet. Hij was erg trots te worden opgeleid tot marinier en hoe eerder hij naar Indië kon liever het hem was.

Zo verstreken er weken. Alle dagen waren afgeknepen, opgejaagd en uitgescholden maar het was niet voor niets geweest. Hun lichamen waren gespeurd geworden en niemand was meer bang voor de korporaalsportinstructeur. Wat hij kon, konden zij ook, en misschien wel beter inmiddels. Ze voelden nu ook iets bij wat ze al veel langer wisten, de mariniers waren de besten. Ze zouden gaan behoren tot de groene duivels van Rotterdam en daar hield je rekening mee. Als ze de wal op gingen om te passagieren dan liepen ze er behoorlijk gekleed en maakten geen overdreven drukte langs de straat. Zelfs als het met het bier uit de hand was gelopen dan zorgden ze er voor dat iedereen op tijd binnen kwam. Incidenteel liep er wel eens wat uit de hand, ze waren natuurlijk geen mietjes. En als het een keer helemaal mis was gegaan, dan moest je de consequenties daarvan aanvaarden. Niet zeuren, ‘s avonds een vent, ’s ochtends een vent! Onze opleiding in Bergen op Zoom kon worden afgerond. We mochten ons marinier noemen en op de wal een stropdas dragen, de eerste beroepsmariniers van na de oorlog. Wat waren we trots en, mooier kon het niet, als een soort bonus, moesten we een paar weken later ter gelegenheid van 281-jarig bestaan van het Korps Mariniers parade lopen in Rotterdam, dé mariniersstad. Een echte parade, met alles erop en eraan, uitreiking Militaire Willemsorde aan het Korps Mariniers, de hoogste militaire onderscheiding voor het Korps. En niet te vergeten, het allerbelangrijkste, Hare Majesteit de Koningin zou er bij zijn. Klaas had zijn doel bereikt.

Een marinier was 24 uur per dag, 365 dagen per jaar in dienst van Hare Majesteits Marine. Dat ze ’s avonds vrij hadden, in het weekend naar huis konden en zomer- en winterverlof hadden, was een gunst en geen recht. Alle mariniers onder de rang van sergeant moesten ook altijd, dus ook op de wal en tijdens verlofdagen hun uniform dragen. Klaas vond het allemaal best, hij had trouwens geen andere kleding meer dan zijn militaire kleding. Het was de beste kleding die hij ooit had gehad, en hij droeg zijn uniform dan ook met trots. Overal werd er naar hem gekeken, zoals hij zelf vroeger naar mariniers had gekeken, met bewondering en respect. Ze konden een vijand doden met hun blote handen, een deur inbeuken met hun hoofd en met hun tanden een schuttersput graven in bevroren aarde, maar dat was geen reden om er als een schooier bij te lopen. Op de wal was hij altijd om door een ringetje te halen. Het lichaam kaarsrecht, geen vouwtje verkeerd in de onberispelijk gestreken kleding, de knopend glimmend als edelstenen en de schoenen glanzend als spiegels. Trots, op het arrogante af, maar altijd spiedend naar iemand nog trotser en arroganter, een meerdere. Je salueerde altijd voor een meerdere, behalve in situaties waarin je je baret mocht afzetten, zoals in een restaurant of café.
Thuis in Amersfoort, was iedereen trots. Toen Klaas voor het eerst in mariniersuniform hun straat, de Palmstraat, inliep werd hij door iedereen enthousiast begroet. Zelfs Anneke de Graaf inmiddels Anneke Goeree, die Klaas nog met de Canadezen had zien zoenen op de tanks, leek onder de indruk. Ze was hoogzwanger en haar buik was zo groot dat ze met haar bovenlichaam achterover leunde om niet voorover te vallen. Haar borsten waren zo groot als de handballen in de kazerne en zaten zo strak in haar truitje dat je de contouren van haar enorme tepels duidelijk kon zien.. Ze bekeek hem zichtbaar tevreden van top tot teen en terwijl ze met haar handen over haar kolossale buik streek, zei ze: ‘ Kleine Klaas is grote Klaas geworden.’
Klaas had graag nog even met haar gesproken maar toen zag hij zijn vader en moeder hem buiten voor de deur al stonden op te wachten. Zijn moeder had haar linkerhand voor de mond, wat ze altijd deed als ze niet kon geloven wat ze zag of hoorde. Zijn vader stond volmaakt ongeïnteresseerd naast haar, wat zijn manier was om te laten zien dat hij onder de indruk was. Zijn moeder viel hem om de hals. ‘Goed gedaan jochie.’ zei ze met trillende stem.
‘Stel je niet aan moeder, hij is er nog lang niet’, sprak zijn vader streng terwijl hij waarschuwend zijn rechterwijsvinger hief, waarvan het topje jaren geleden was afgekneld tussen twee spoorbielzen.
Zijn vader die voor de oorlog een overtuigd antimilitarist was geweest, kwam er nu openlijk voor uit dat de ‘gebroken geweertje’ politiek van voor de oorlog niet goed was geweest, maar hij voegde er wel gelijk aan toe dat hij zich nog steeds een goede socialist voelde en dat de arbeidersstrijd gewoon doorging.

Klaas liet zich overal zien in zijn uniform. Aan meisjes was geen gebrek en Klaas voelde zich een beetje als de Canadese militairen op de tanks bij de bevrijding van Amersfoort, alleen had Klaas niets uit te delen en na tien dagen verlof begon het scheiden opnieuw, en harder dan ooit. Het was januari 1947. In Amsterdam hield Hare Majesteit de Koningin haar nieuws jaarsreceptie voor het Corps Diplomatiek. Er moest een peloton mariniers naar Amsterdam om de wacht te lopen voor het Paleis op de Dam. Tien dagen lang iedere dag urenlang in keurslijf wachtlopen. De rest van de werktijd onafgebroken onderhoud aan kleding, schoeisel en koperwerk. Ze waren ondergebracht in een wachtlokaal onder het Paleis. Het was nog troostelozer dan ze gewend waren in de kazerne. Er stonden houtens tafels en banken. Op de grond lag een vlonder dat enigszins schuin afliep naar voren. Daarop lagen flinterdunne matrasjes, net dik genoeg om je botten niet te beschadigen. In het wachtlokaal werd op fluistertoon om te voorkomen dat de Koningin hen zou horen. Het wachtlokaal werd verwarmd door één grote ijzeren kachel. Een keer moesten ze midden in de nacht allemaal als de bliksem naar buiten. Er was koolmonoxidevergiftiging geconstateerd. Als ze niet zo rottig hadden geslapen op de vlonders hadden ze misschien niets gemerkt en waren er doden gevallen, nog voordat er op ze was geschoten. Voor iedereen even schrikken, maar als je weer aan de voorkant van het Paleis liep en werd bekeken en beschimpt door de Amsterdammers,dan voelde je je weer marinier in hart en nieren, trots als een paard met zeven lullen.

 


Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 09:27
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 09:35
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7664 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 622544 Bezoekers

 5 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^