Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pčtjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 21

Mijn verhaal - Nederlands Indië 21

  Tijdens onze patrouilles merkten wij dat er steeds meer opgevulde gaten in de weg zaten. Deze opgevulde gaten moesten steeds worden gecontroleerd en dat leverde weer gevaar dat we beschoten werden. Iedere keer dat wij een dergelijk gat controleerden vonden we dode kat of hond in het gat. Dit waren pesterijen van de ploppers. Maar voor ons bleef het een gevaarlijke situatie. Als je er bijvoorbeeld geen acht op zou slaan en zou doorrijden dat het dan wel eens een echte mijn kon zijn. Daarbij kwam als je bij een dergelijk obstakel moest gaan kijken dat heel gevaarlijk was. De truck reed een eind terug om te voorkomen dat wanneer zo,n obstakel zou ontploffen er geen schade aan het voertuig zou zijn. In dit soort gevallen zijn mensen altijd de personen die het moet opruimen en het grootste gevaar liepen. Er waren op vele patrouille vaak mensen die er voor geleerd hadden om de mijn of bom op te ruimen. En dan moest deze man weer beveiligd worden zodat hij zijn werk kon doen. Daarom lag de patrouille rondom op flinke afstand rond om de man.. Als de man beschoten zou worden dan konden de mariniers het vuur onmiddellijk overnemen.
Het bleef een gevaarlijk klusje. Als er geen mensen bij waren die dat moesten doen dan deden wij het zelf. Intussen wisten we genoeg van trekbommen en mijnen af.
We kwamen wel tot de conclusie dat die ploppers veel fantasie hadden. Vaak lag er een dode kat of hond in zo’n gat ook kwam het voor dat er een hoop stront in de grond gegraven. De ploppers zullen zich dan wel verkneukeld hebben van pret. De mariniers namen geen risico.
En er waren dagen dat er helemaal niets was. De bevolking deed dan vriendelijk en langs de weg stond men met de duim omhoog.

En dan gebeurd het weer. Een truck op een mijn gelopen waar we regelmatig dode dieren in de weg vonden. Nu dus een mijn. Een truck was er op gereden. De truck werd weggesleept en ons peloton kwam snel in actie. In twee trucks reden we naar de kampong. Daar aangekomen springen de mariniers van de truck en stonden op de weg waar de truck op een mijn was gereden.. Er is niemand in de kampong te zien. Het is er doodstil..
‘We sluiten de hele kampong af. Wij gaan de kampong in en sturen iedereen naar de hoofdweg. Iederen, mannen, vrouwen en kinderen. Alle huizen moeten doorzocht worden. Dus iedereen staat straks op de hoofdweg, begrepen,’ riep de pelotonscommandant, de adjudant.
‘Groep blijft op de hoofdweg en vangt iedereen op die uit de kampong komt. Iedereen op de hurken.’ Ging de adjudant verder.
‘Groep 2 en 3 gaan de kampong in en halen iedereen uit de kampong. Loop in linie door de kampong. Kijk goed uit en vooral als de huizen binnengaat. Altijd met zijn tweeën. Fouiller iedereen.  Er mag alleen worden geschoten als je in direct gevaar bent of als je onder vuur wordt genomen. Ga jullie gang maar.’
‘Groep 2 voorwaarts! ‘ zei sergeant Wikkers. Aansluitend gaat de 3de groep mee. De deuren werden opengetrapt en twee marinier gingen het huis binnen.. De bewoners renden naar buiten en werd voor de mariniers uitgedreven naar de hoofdweg.
Overal kwamen de mensen vandaan. Mannen uit de balken boven de hoofden van de mariniers, onder de baleh-baleh’s vandaan. Vooral vrouwen lagen onder de baleh-baleh.
Kinderen hingen aan de rokken van hun moeder. Huilend of heel verschrikt kijkend. Het ging nogal hardhandig.
‘Ajo, schiet op, ga naar buiten!’
Het begint op gang te komen. De bewoners riepen elkaar iets toe. Wij begrepen niet wat er werd gezegd. De mariniers gingen dor met hun werk. Er kwamen steeds meermensen in de kampong te lopen. Ze waren gewilligd. Eerst begrepen ze niet wat er aan de hand was daarna gingen ze vrijwel allemaal gemakkelijk naar de hoofdweg. Hier en daar was een schermutseling maar dat werd vrij rustig opgelost. Toch werd de bevolking onrustig. Waarschijnlijk omdat zij werden opgehitst. De vrouwen liepen te huilen en kinderen gilden het uit.
Hardeman trapt een deur open en gaat alleen naar binnen. Hij heeft nog steeds geen volledige ploeg. Hij moest even wennen aan het duister. Hij stond met zijn rug tegen de deur. Twee jonge vrouwen van een jaar of 20 zitten in een hoek in het vertrek.
‘Ajo, naar buiten,’ zei Hardeman. Hij had zijn geweer in draaghouding, niet gericht op de vrouwen..
Ze keken met grote verschrikte ogen naar Hardeman. Ze zeiden niets en bleven zitten.
‘Ajo, naar buiten,’ herhaalde Hardeman, hij sprak in het maleis, maar dringender.
Ook nu gebeurde er niets. De vrouwen bleven Hardeman met grote ogen aanstaren.
‘Ajo, naar buiten,’ schreeuwde Hardeman nu. De vrouwen schuifelden naar elkaar toe en grepen elkaar vast en zaten te huilen.
Hardeman richtte zijn geweer met bajonet op de vrouwen maar ze bleven rustig zitten. De vrouwen waren gekleed in stof van jute zakken. De hele bevolking zag er slecht gekleed uit.
Maar dit had Hardeman nog niet gezien.
Hardeman trok aan de jute om de vrouw overeind te krijgen maar ze begonnen te schreeuwen en vielen om. Hij hing het geweer aan de schouder en trok nu met twee handen aan de jute kleding. De lappen vielen van de lichamen en zaten de twee jonge vrouwen naakt op de grond. Ze hadden mooie jonge lichamen. Maar daar Hardeman geen tijd voor z moesten het huis uit..
Hardeman schreeuwde nog eens tegen de vrouwen en dreigde met zijn geweer. De vrouwen stonden op en liepen naakt naar buiten. Hardeman gooide nog de jute kleding naar hen toe maar ze liepen huilend verder met de andere mensen.
‘Klaas, wat ben jij aan het doen. Waarom zijn die vrouwen naakt.,’ zei sergeant Wikkers hij kwam er net aanlopen.
‘Deze vrouwen zaten alleen in een huis. Maar ze wilden niet naar buiten. Ze waren gekleed in die jute dingen daar. Ik probeerde ze omhoog te trekken en de jute liet los en u lopen ze hier naakt.’zei Hardeman.
Sergeant Wikkers liep verder en zei niets. De vrouwen liep met de anderen verder door de kampong naar de hoofdweg.
De vrouwen waren woedend en keken een paar keer achterom hard pratend en naar Hardeman kijkend.
Hardeman zat er niet mee in zijn maag. Hoewel hij er geen gewoonte van maakte om zo hard tegen vrouwen op te treden. De opdracht iedereen naar de hoofdweg. Deze vrouwen hoorde bij iedereen. De vrouwen hadden zich niet echt verzet maar waren ook niet gewillig naar buiten gegaan.. Hardeman liep naar een ander huis.. Hij merkte dat de deur open stond. Uitkijken. Hij drukte met zijn bajonet tegen de deur en deze ding verder open. Even wennen aan de duisternis. Hardeman stond in de deuropening. Recht in het vertrek staat een baleh-baleh. Twee vrouwen. Een oude vrouw en een jonge vrouw met een pas geboren baby op haar borst. Hardeman laat zijn geweer zakken. De twee vrouwen keken hem angstig aan. Hardeman stond vlak bij de baleh-baleh.. Het kindje was net geboren. Het zat nog onder bloed. Met zijn kleine knuistjes zocht hij zijn mondje. Hardeman voelde de hardheid uit zijn lichaam stromen. Hij keek naar de jonge vrouw met de grote donkere amandelogen. Het kindje geboren op een moment dat de kampong werd schoongeveegd.
Hardeman liep op de oude vrouw toe en legde zijn hand op haar schouder. De jonge vrouw keek angstig naar Hardeman.
Hardeman produceerde een glimlach op zijn mond en zei, ‘Wees maar niet bang.’
Hij liep achteruit naar de deur en keek nog even glimlachend naar de vrouwen. De oude vrouw zei, ‘ dank u wel, tuan.’.
Hardeman zag dat de jonge vrouw het kindje tegen haar gezicht legde en zag bij haar een  flauwe glimlach.
Hardeman knikte en stapte de deur uit. Buiten kan hij wel vloeken. Een marinier kwam aanlopen e n zei, ‘ Godverdomme, wat een klerezooi. Het ene moment ben je een beest en het andere moment ben je week als een kwal. Hierbinnen ligt een jonge vrouw met een baby van een paar minuten. Laat ‘er met rust!’
Hardeman liep met de marinier weg zij waren de laatste mariniers die op de hoofdweg arriveerden.
‘Is iedereen uit de kampong, Hardeman?’ riep de adjudant.
‘Ja, iedereen is hier,’ antwoordde Hardeman.
In het huis lag een jonge vrouw met haar baby en hier op de hoofdstraat zat de bevolking van een kampong in doodsangst wat er wel ging gebeuren.
Misschien zat de vader van het kindje hier wel tussen en was het een plopper.
De mariniers stelden zich rondom de bevolking op. De mensen zaten gehurkt dicht bij elkaar.
Hardeman zag de twee vrouwen, ze hadden nu weer jute aan, naar hem kijken. Ze moesten hm wel haten, zoals ze naar hem keken.
‘Houdt iedereen goed in de gaten,’ riep de adjudant.
De bevolking was doodstil.  Niemand durfden te praten. De kinderen zaten weggedoken bij hun moeder..
Er was een man van de VDMB meegekomen met deze patrouille.
‘Informeer eerst maar eens of de bevolking iets weet wie die mijnen in de grond legt,’ riep de adjudant tegen de VDMB’er. Deze man sprak Maleis en Javaans. Hij sprak de mensen in het Javaans. Deze taal spraken wij al helemaal niet. De bevolking verstond hem wel. Toen hij ze aanspraak begonnen ze hier en daar te schuifelen. Maar niemand gaf een antwoord. De mensen durfden niet voor zich uit te kijken en keken naar de grond. Nu was het niet de gewoonte dat een Indonesiër iemand recht in de ogen aankeek. Dat was voor hen een onbeschofte houding.
‘Dat levert niet veel op. Je moet harder optreden,’ zei de adjudant. De VDMB’er liep naar een man een trok hem aan de haren en vroeg hem of hij wist of  wie die mijnen in de weg had gelegd.
Geen antwoord. De man kreunden. Hetzelfde gebeurt bij een ander, geen antwoord. Hij krijgt een trap van de VDMB’er. Zo bleef het enige tijd doorgaan. Nu de vraag of er vaak ploppers in de kampong komen of dat er misschien nu ploppers in de groep mensen aanwezig zijn.. De man zei dat er vaak vreemdelingen in de kampong kwamen. Hij kende de mannen niet. Nu waren er geen vreemdelingen.
‘Waar zijn die vreemdelingen nu naar toe?’ vroeg de inlichtingenman.
’Ik weet het niet mijnheer.’ Was het antwoord.
‘Ik kan u niets vertellen,mijnheer.’
De man zat te rillen van angst.
Weer werden een aantal mannen hard aangepakt. Maar er kwamen geen antwoorden.
De adjudant had verder nog niets gezegd ook het kader zei niets. Zij hoopten dat de inlichtingenman  antwoorden kreeg.
‘Zijn hier vreemdelingen aanwezig?’
Geen antwoord.
‘Zeg tegen die lui dat wanneer zij niet snel vertellen waar die vreemdelingen zijn, dat wij zelf tien mannen aanwijzen  en dat wij die mannen goed zullen ondervragen.’ Riep de adjudant.
Hem ging hem allemaal te lang duren. De VDMB’er vertaalde wat de adjudant had gezegd. Er werd gemompeld onder de bevolking.
‘Blijf doordrukken, ze worden onrustig,’ riep de adjudant weer.
De VDMB’er bleef met de mensen praten en af en toe deelde hij een flinke trap of klap uit. Maar antwoorden kwamen er niet. Wel werd de bevolking onrustiger.. Ze begonnen met elkaar te praten, eerst nog zachtjes. Het werd luider en even later beginnen mannen tegen elkaar te schreeuwen. Oik de vrouwen beginnen nu hard te praten. Hardeman ziet ineens de twee vrouwen weer die vreselijk boos op hem waren. Een van hen keek nog erg boos naar Hardeman
Zitten er dan toch vijandelijke elementen tussen de bevolking? Ook begonnen enkele mariniers nu te stompen. De mariniers deelden nu ook trappen en stompen uit aan willekeurige mannen..De onrust werd groter. De mariniers bleven doordrukken. Twee mannen binnen elkaar te beschuldigen. De VDMB’er liep op de twee mannen toe en haalde ze uit de groep. Ze werden apart gezet. De beide mannen waren doodsbang en begonnen weer tegen elkaar te schreeuwen. Allebei kregen een paar klappen tegen het hoofd. Ze schreeuwden het uit. Wat ze zeiden was zelfs voor de VDMB’er niet meer te begrijpen.
‘Spreek Maleis of Javaans,’ schreeuwde de inlichtingenman.
Hij vroeg de mannen naar hun naam en vroeg of ze in de kampong woonden. Ja, ze woonden in de kampong
Een zwaar gemompel steeg op uit de menigte. Alsof ze het er niet mee eens waren.
‘Wie van jullie heeft er iets te zeggen over deze mannen,’ vroeg de inlichtingenman aan de bevolking.
Een oudere man stond op en zei,’ deze mannen horen niet in onze kampong thuis,’
‘Zij wonnen in een kampong verderop,’ De oude man wees in de richting van een kampong een honderd meter verderop. De beide mannen schreeuwden tegen de oude man. Maar nu werd er ook uit de menigte geroepen en men wees naar de beide mannen.. Zweetdrupples kwamen op hun gezichten. Ze waren doodsbang. De VDMB’ vroeg waarom ze logen en wat ze in de kampong deden. Ze waren bij vrienden geweest
‘Wie zijn die vrienden?’
‘Zijn die vrienden hier aanwezig?’ Geen antwoord.
De VDMB’er schopte een man in de zij. Hij kromp ineen van de pijn. En rolde over de grond.
Toen hij zijn hoofddeksel wilde pakken trapte een marinier het ding wek. Een gemompel steeg op uit de menigte.
‘Wie zijn die vrienden?’
Weer beginnen een paar mannen iemand aan te wijzen. En nog een.
Iedereen begint weer door elkaar te praten en wijst men elkaar aan. De mannen werden apart gezet. Acht mannen stonden er nu apart.
‘Zijn er nog meer,’ vroeg VDMB’’er
Er werd geen antwoord gegeven. De VDMB’er deelde een paar raken klappen uit en vroeg toen.’ Waar komen jullie vandaan?’
‘Zijn jullie lid van een militaire eenheid?’
‘Wat weten jullie van die mijnen af?’‘
‘Wij weten van niets, mijnheer,’ zei een der mannen.
‘Godverdomme, zeg op, waar komen jullie vandaan, wie zijn jullie? Ik wil nu antwoord hebben anders schiet je hier ter plaatse dood,’ schreeuwde de inlichtingenman.
Hij was woedend en richtte zijn karabijn op het hoofd van de man.
Het was muisstil!
De menigte was doodzenuwachtig. Kinderen begonnen te huilen.
‘Schiet op, pats, pats.’ De VDMB’er sloeg alle acht mannen hard in het gezicht.
‘Niet slaan, tuan!’
De mariniers stonden er koud bij. Zij hadden zich nog maar weinig met de zaak bemoeid. Hier en daar hadden ze een klap uitgedeeld. De VDMB’er had het initiatief.
Het ging moeilijk. Eindelijk zei een man dat hij wist wie de mijnen in de weg had gelegd.
‘Zeg op, wie is die plopper. Is hij hier aanwezig?’
‘Nee, mijnheer. De man woont in de kampong, daar.’ De man wees in de richting van een kampong, ‘iets verderop.’
De adjudant die het verhaal had gehoord zei tegen sergeant De kruik, ‘ De Kruik neem je mensen mee en ga kijken of je die vent kan vinden. Neem die vent hierheen en zeg tegen hem als hij probeert te vluchten dat je neerschiet.’
‘Oké, adjudant.’
De patrouille ging op weg naar de aangewezen kampong. Tussen hen in liep de vent die de woning zou aanwijzen..
‘Laat een AG-ploeg hen dekken,’ riep de adjudant tegen een andere groepscommandant.
Een AG-Ploeg werd aangewezen en liep achter de patrouille aan en ging even later in de greppel langs de weg liggen. Zij gaven de patrouille rugdekking.
De kampong was erg onrustig. Ze spraken veel met elkaar. Deze mensen zaten al meer dan een uur op de hoofdweg. In alle doodsangst. De kerels die apart waren gezet stonden daar nog steeds. Toen een van de man wilde gaan hurken trok een marinier hem overeind en zei,’ Staan blijven’.
Het werd warm. De mariniers transpireerde. Hun jassen werden nat. Iedereen stond of zat in de zon.
Er versteek driekwart uur voordat de patrouille terugkeerde.
‘Heb je iemand gezien in de kampong.’ vroeg de adjudant.
‘Geen moer, er was geen kerel te zien in de kampong. Er was niemand in het huis.’
De adjudant was duidelijk geďrriteerd.
‘Pers die lui maar goed uit. Het hangt me nou de strot uit!,’’ zei de adjudant.
De acht mannen werden nu goed onderhanden genomen. Er werd flink geslagen en geschopt. De bevolking rilde het uit van angst. De kinderen begonnen weer te huilen. Een paar marinier hielpen hieraan mee.
‘Wie weet er van die mijnen af.’
‘Wie is er van de TNI?’
Er kwam geen antwoord. De menigte mompelde. Het leek er op dat de mannen de ellende te vertragen. Misschien dachten ze dat het de mariniers te lang zou gaan duren en wel zouden ophouden.
‘Zet die kerels op een rij en dan dreigen we ze dat we ze zullen doodschieten.’ Riepde adjudant.
‘Kom op. Vier mariniers. Zet die kerels op een rij, daar!’ De adjudant wees naar een bamboehek.
De mannen werden tegen het hek gesleurd. Vier mariniers, waaronder Hardeman gingen met hun geweer tegenover de mannen staan. Het geweer in aanslag. Er weg wat gerommeld met het geweer alsof het leek dat de geweren geladen werden. Een golf van paniek ging door de bevolking en iedereen begon te praten. Het was een gekakel van jewelste met er tussen door het gehuil van de kinderen.. De wapens werden afgezet. De VDMB’er begon weer tegen de mannen te schreeuwen. Hij ging bij de mannen weg. Wij schouderde de geweren weer. Het leek er nu dat wij ze zouden neerschieten. Een van de mannen begon te praten. Hij wees naar een man die in de menigte zat. De man keek niet op en bleef naar de grond kijken..
‘Haal die vent er uit,’ riep de adjudant.
Het was niet echt een jonge man. Maar ook niet en oude man. Hij had geen kleding aan dat op militaire kleding leek. Maar dat zou ons al lang zijn opgevallen. Hij had een wit jasje aan met daaronder een vaal hemd. Hij had een zwarte broek aan. Om zijn schouder hing een gekleurde sarong. Op het hoofd het zwarte hoofddeksel. Weer werd de bevolking onrustig. De man werd bij de andere mannen gezet.. Heb we dan eindelijk de goede te pakken?
‘Wie is deze man?’’ vroed de VDMB’er.
Pats! Pats!. De andere acht mannen kregen de klappen.. De mannen vallen elkaar nu bijna aan. Ze schreeuwen tegen elkaar.
‘Deze man legt de mijnen in de weg en hij bedreigt ons,’ zei één van de mannen.
‘Is dat waar?’ riep de VDMB’er
Geen antwoord. Wij schouderde de geweren.
‘Schiet op, wie is deze kerel,’
Een aantal vrouwen en mannen wezen naar de man die het laatst die bij de andere acht mannen was gezet.
‘Is dit de man die zoeken?’ vroeg de VDMB’er
Er werd getwijfeld door de bevolking. Als de man schuldig was dan moest de hele kampongbevolking dit weten.
‘Schiet op anders schieten wij alle mannen dood,’ riep de VDMB’er weer.
Weer wezen een aantal vrouwen en mannen naar de bewuste man. De man schreeuwde tegen de menigte. Onmiddellijk gingen de vingers omlaag. De man kreeg een optater van een marinier en viel bijna omver. Hij keek brutaal naar de marinier die hem recht in het gezicht sloeg. Het bloed vloeide van de lippen. De voelde dat de situatie voor hem hopeloos begon te worden.
‘Nu voor het laatst, is deze man de man die de mijnen in de weg legt”, vroed VDMB’er.
‘Ja, dat is hij!’
De hele bevolking knikte en wees naar de man. Weer sprak iedereen door elkaar. Een oude man in de menigte stond op en ze ,  ’Deze man komt niet uit onze kampong en zelfs niet uit deze buurt en hij bedreigt ons. Ook legt hij de mijnen in de weg. Wij moeten ons verzetten tegen de Nederlanders. Hij is hier al een paar maanden,’ De oude man ging zitten. Niemand zei er verder nog iets.
‘Eindelijk, verdomme, neem die acht kerels mee naar de post en leg ze vuur aan de schenen. Zij weten vast meer,’’ zei de adjudant.
‘Wat doen we met deze vent,’ vroeg sergeant Wikkers aan de adjudant.
‘Die kerel schieten we standrechtelijk dood. Iedereen moet er bij blijven. Dan weten ze voortaan hoe wij de zaak oplossen,’ zei de adjudant, ‘ Hij zal het voorbeeld zijn voor eventuele ploppervriendjes.’
De mariniers zeiden niets. Het standrechtelijk doodschieten van ploppers hadden ze nooit gedaan! Standrechtelijk doodschieten. Een opdracht van een adjudant der mariniers.
‘Er moeten vier mariniers komen voor het vormen van een vuurpeloton. Liefst vrijwilligers.,’ zei de adjudant.
‘Doen we dat echt waar de bewoners bij zijn,’ vroeg sergeant Wikkers.
‘Ja, dat heb ik net gezegd. Deze vent is een voorbeeld!’
‘Ja, het lijkt mij beter de vrouwen en kinderen weg te sturen,’ antwoordde sergeant Wikkers.
‘Niks daarvan. Onder die vrouwen zitten misschien ook wel vijandelijk elementen,’ riep de adjudant., ‘’ Dan kunnen zij ook zien wat wij met onze vijanden doen als dat nodig is.’
‘Dus iedereen blijft er bij aanwezig,’ vroeg sergeant Wikkers nog eens.
‘Ja allicht, anders schieten we er nog geen moer mee op.’ riep de adjudant.
De adjudant had zwaar de pest in. Alles had hem al lang genoeg geduurd.
‘Kom op, mannen. Ik heb vier vrijwilligers nodig voor het vuurpeloton. Vier man is genoeg,’ de adjudant. Hi bleef doordrammen.
‘Doen wij er wel goed aan, adjudant?’ vroeg sergeant Wikkers nog eens.
‘Godverdomme, stel een vuurpeloton samen, sergeant!’ de adjudant was nu wetheet.
‘Oké, vier vrijwilligers!’
‘Nee, sergeant, wijs vier man aan,’ riep de adjudant.
‘Adjudant, het lijkt mij beter vier vrijwilligers te vragen,’ zei sergeant Wikkers heel rustig.
‘Het kan mij geen reet schelen wie het doet. Als het maar snel gebeurt.,’ snauwde de adjudant.
‘Vier vrijwilligers voor het vuurpeloton,’ riep sergeant Wikkers.
De mariniers stonden niet te dringen. Niemand voelde er iets voor.
‘Kom op mensen, vier mariniers heb ik nodig. Het moet niet te lang duren,’ zei sergeant Wikkers weer.
Hardeman stapte naar voren. Hij was tijdelijk korporaal en voorgedragen voor de rang van tijdelijk sergeant. Twee mariniers volgde hem.
‘Sergeant, schiet op. Nog een marinier moet er komen.’ riep de adjudant.
‘Nog een vrijwilliger,’ sergeant Wikkers bleef erg rustig.
De kampongbevolking bleef rustig. Zij voelden ook dat het niet van harte ging.
‘Wijs er een aan, sergeant. Schiet nou toch op. Het hangt mij de strot uit,’ de adjudant is buiten zinnen.
‘Jan Blomhof, jij gaat daar bij staan. Jij bent de vierde man,’ zei sergeant Wikkers.
‘Sergeant, ik doe dat liever niet,’ zei Blomhof.
De adjudant hoorde wat Blomhof zei.
‘Verdomme, nou dat weer. Wat een klootzak. Dat noemt zich marinier,’’ beet de adjudant van zich af.Toch doe ik het liever niet, adjudant,’ zei Blomhof nog eens, ‘ U weet het ik ben eigenlijk geen infanterist, ik ben chauffeur en voor straf bij de infanterie geplaatst.’
‘Dat hoef je mij niet te vertellen. Dat weet ik wel. Dat is al erg genoeg. Donder maar op, zak,’ beet de adjudant opnieuw.
‘Een ander, jij, eindelijk. Wat heeft dat lang geduurd, verdomde lang,’’ de adjudant is vreselijk kwaad.
‘Dat noemt zich nou mariniers. Ze laten zich liever zelf doodschieten dan dat ze de dader doodschieten. Nou, schiet maar op!’
Er stonden vier mariniers klaar om de man dood te schieten. Hardeman, de enige tijdelijk korporaal van het viertal, de andere mannen keiharde mariniers. Zij hadden al van alles meegemaakt. Zij hadden vrienden verloren tijdens beschietingen en tijdens patrouilles. Hardeman had er geen problemen mee dat er onder de vijand veel doden waren gevallen. De vijand streed ergens voor. Wij, Nederlanders hadden opdracht om orde en vrede te brengen en daar vielen doden bij aan beide kanten. Dit was iets anders. Dit was een  standrechterlijke executie! Hardeman had er begrip voor dat de andere het niet wilden uitvoeren. Maar wij hadden zoveel last van de ploppers. Voor ons zelf. Wij waren er niet op uit om iedereen maar dood te schieten. Maar wij wilden ook niet dat onze eigen jongens hier de dood zouden vinden. Er moest worden opgetreden. Standrechterlijk?
‘Kom op. Komt er nog wat van? Voltrek het vonnis.’ riep de adjudant. Het vonnis?
‘Wij zijn klaar.’ Riep Hardeman.
‘Schouder,… geweer!’
‘Vuur!’
Als een schot davert het.
De man werd door de kracht van de kogels bijna dubbel achterover geslagen. Hij stond vastgebonden aan een bamboe hek. Hij komt langzaam naar voren alsof hij een duwtje in de rug kreeg. Heel langzaam komt het lichaam naar voren.
De onderkaak hang aan een kant las aan het gezicht. Een arm hangt als een slap koord langs het lichaam. De arm is vrijwel los van het lichaam. Het lichaam zakt door de slappe touwen op de grond. Een golf van afschuw steeg op uit de menigte. De vrouwen gilden het uit. Vele van hen vielen van schrik en angst languit op de grond.
Het vuurpeloton stond er belabberd bij. Niet begrijpend dat zij dit afschuwelijke gezicht hadden aangericht.
‘Vuurpeloton inrukken,’ riep de adjudant, ‘ Klaar maken voor afmars.’
‘Zeg tegen de kampongbevolking dat wij hier geen problemen meer willen hebben. En als er vreemdelingen komen moeten zij ons direct waarschuwen,’ zei de adjudant tegen de VDMB’er

Deze man riep het in het Javaans naar de bevolking en zei dat ze naar de kampong terug moesten gaan.
De adjudant had zich omgedraaid en liep naar een van de trucks en stapte in de cabine en riep, ‘ Afmars!.’
De mariniers klommen op de trucks. De bevolking haastte zich naar de kampong.

De mariniers op de truck zijn erg stil. Geen hoerastemming. Dit waren ze niet gewend. Toen de patrouille terug kwam op Rambipoetji ging iedereen direct naar zijn verblijf.. Ook nu werd er weinig gezegd. Al helemaal niet over de ochtend. Men voelde zich niet lekker.
Hardeman voelde zich echt niet lekker. Dit was niet wat hij zag als orde en vrede brengen. Zo hoorde het niet. Hij had deelgenomen aan een standrechtelijk executie.
Ook nog in het bijzijn van vrouwen en kinderen. Hij had geen moeite met het doden van de vijand in een gevecht want de vijand zou dat ook bij hem doen. Dat waren de risico’s van een militair.
Eerst al dat gedonder met die vrouwen die uiteindelijk naakt in de kampong liepen. Toen dat jonge vrouwtje met haar pas geboren kindje op haar borst. Daar had hij nog vriendelijk naar gelachen en de oude moeder had gezegd. ‘ terima kasih, tuan’’. En nog geen uur later schiet hij een man dood.
Hij dacht zijn dat zijn moeder iets anders bedoelde met wat zij zei, ‘Laat dat jochie gaan dan ziet hij nog wat van de wereld.’ Terwijl ze al een dochter had die vermist werd.
Godverdomme, wat een klotezooi. Dit zou hij nooit meer kwijtraken. Die man met zijn afgeschoten kaak en arm. Dat stond op zijn netvlies gebrand.
Voltrek het vonnis!. Wat voor vonnis. Het vonnis uitgesproken door een adjudant der mariniers? Hij gaf opdrachten aan zijn minderen. Maar mocht hij dat? Deze opdracht?
Sergeant Wikkers probeerde nog wat maar werd net zo afgebekt als Jan Blomhof. Ook sergeant Wikkers ging door met het uitvoeren van zijn opdracht. De anderen onderofficieren gaven ook geen krimp. De adjudant vond dat deze man als voorbeeld gesteld moest worden. Maar dat kon niet!.
Toch werd het uitgevoerd en Hardeman was er bij betrokken.
Hardeman had respect voor Jan Blomhof. Dat zou hij hem nog zeggen ook. Blomhof was zeemilicien en weigerde de man dood te schieten. Geweldig!
Was dat nou het verschil tussen een beroepsmarinier en een zeemilicien. Blomhof zouden nooit wat hebben kunnen maken. Hardeman als beroepsmarinier ook niet, juridisch tenminste. Maar voor zijn later militaire carričre zeker.
Zou dat onbewust meegespeeld hebben? Op het moment van het gebeuren niet. Was dit Befehl ist befehl?
Jezus, wat een rotzooi.
Onze pelotonscommandant de adjudant liet zich niet meer zien en deed geen moeite de  mariniers van het vuurpeloton goed hadden gehandeld. De marinier Blomhof zei helemaal niets. Hij was onder de indruk. Hij was niet gewend aan het werk van infanteristen. Hij was een fijne kameraad maar hij hield niet van het infanteriewerk.
Hardeman lag op zijn tampatje en zag nog steeds de man met zijn afgeschoten kaak en arm.


Na enkele dagen werd er helemaal niet meer gesproken over de patrouille van een paar dagen terug. Er waren alweer andere patrouilles geweest. Het vreemde was dat er over de beruchte patrouille ook geen grappen of grollen werden gemaakt.
Men wilde die patrouille snel vergeten.
Het patrouilleren ging dagelijks door. Het leek dat het rustiger was geworden. Er reden geen trucks meer op mijnen of bommen en er waren weinig beschietingen. Misschien kwam dat wel door het keiharde optreden van een paar dagen geleden.
Maar dan was het spook er weer. Onze trucks werden weer beschoten en ook weer mijnen in de weg gelegd.
Dan trokken we er weer op uit om onze collega’s te ontzetten en er sneuvelden weer velen Indonesiërs. En of er dan veel onschuldige burgers bij werden gedood dat wisten we nooit. Hoewel er altijd werd gezegd dat het onschuldige mensen waren. Maar wij wisten beter onder de onschuldige mensen waren vele vijandelijke militairen of rampokkers. Wij zagen nooit mensen in een uniform.
Tijdens een van die beschietingen werd een vriend van Hardeman in zijn voet geschoten. De voet was geheel verbrijzeld. Het gebeurde bij een klein plaatsje Amboeloe op de weg nar Poeger.

Het bericht kwam dat ons bataljon werd afgelost en dat wij voor een rustperiode naar Soerabaja gingen. Wij gingen Rambipoetji verlaten. Hardeman was er blij mee. Het was december 1947. Wij waren nu acht maanden in Indië. In deze tijd hadden wij heel wat meegemaakt en keihard geworden. Vanaf de maand mei waren wij nu aan het front geweest. Het werd tijd dat wij op verhaal kwamen. In Soerabaja werden wij gelegerd in de Darmokazerne. Wij werden ontvangen door de baboes die in Soerabaja waren achter gebleven. De vrouwen waren blij dat wij weer terug waren op een enkeling na. Voor ons begon het kazerneleven weer. We zouden daar weer aan moeten wennen.

 


Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 09:59
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 09:59
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7301 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 604351 Bezoekers

 8 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^