Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pètjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 23

Mijn verhaal - Nederlands Indië 23

In het 2de peloton hadden een paar verschuivingen plaatst gevonden.
Sergeant Wikkers was sergeant majoor geworden en was nu OPC (opvolgend pelotonscommandant.). Er was een nieuwe groepscommandant bij ons peloton geplaatst sergeant Bolhuizen.. Hij was gelijktijdig met Hardeman sergeant geworden. Hij kwam ergens anders vandaan. Het was een Indische jongen en een rustige man. Verder waren een paar diensdoend korporaals  tijdelijk korporaal geworden. De adjudant was nog steeds onze pelotonscommandant.
Ons peloton kreeg de opdracht een langdurige patrouille te maken naar de zuidkust. Dit gebied was na de japanners niet meer bezocht door de Nederlanders. Het gebied behoorde tot ons compagniesgebied was het een mooie gelegenheid om die omgeving eens te gaan verkennen.
De sterkte van de patrouille zou bestaan uit een versterkt peloton. De pelotonscommandant van de mortieren ging eveneens mee. Hij was een OVW-officier. De adjudant was de patrouilleleider. De bedoeling was dat twee geweergroepen, de mitraillisten en mortieren vooruit gingen. De derde geweergroep kwam ons achterna met de dragers. Deze dragers hadden we nodig voor het sjouwen van extra munitie en voeding.. Deze groep zou zich wat minder snel kunnen verplaatsen. Sergeant Bolhuizen had de leiding van deze groep. De dragers waren vrijwilligers. Het peloton vertrok gelijktijdig  maar de derde geweergroep zou zijn eigen marstempo bepalen. De mariniers droegen hun marsbepakking, waarin kleding, klamboe, een deken en grondzeil.
Wij wisten niet wat er aan Indonesische troepen er in dat gebied aanwezig waren. Maar dat zouden we wel merken als ze ons tegenstand zouden bieden. Er was een bestand dus wij maakten ons er geen zorgen om. Daarbij waren wij zwaar bewapend.. Het was zeer zwaar terrein en heuvelachtig maar een schitterend landschap. We moesten er op rekenen dat het een zeer zware patrouille zou worden. Overal lagen wegen maar wij wisten niet of deze wegen goed begaanbaar waren. Maar lopen kon je overal. Het was een paar dagen lopen. Onderweg zouden we langs de kant van de weg slapen. Het was niet de bedoeling dat wij de kampongbevolking uit hun huizen zouden jagen. We wilden geen moeilijkheden maken met de bevolking.. Sergeant Bolhuizen sprak de taal van de dragers en dat zou ook geen problemen geven. De mariniers waren goed uitgerust omdat ze al een paar weken geen patrouilles hadden gelopen. De mariniers hadden er wel weer zin in. Tijdens de patrouilles leerde je veel. Het gebied was steeds anders. De bevolking was soms verdwenen of  ze stelden zich heel aardig op. Last had je niet van deze mensen. Het waren vijandelijke elementen die het de bevolking en ons moeilijk maakten. De bevolking kon zich ook heel bang opstellen. Deze patrouille zouden we wel merken hoe de bevolking was.
De patrouille vertrok. Wij liepen zoals gebruikelijk aan beide zijde van de weg. Eerst nog met de wapens aan de schouder omdat het terrein bekend was. En de bevolking was aan ons gewend geraakt. We waren vroeg vertrokken en omdat er veel berghellingen waren duurde het even voordat de zon over de toppen kwam..
Het was dan nog heerlijk koel. De mariniers spraken met elkaar en er werd gelachen. Hardeman met zijn ploeg liep spitspatrouille, dat wil zeggen, hij liep dus helemaal voorop. Zij vingen de eventuele moeilijkheden op als de vijand ons zou willen aanvallen. Die mogelijkheden waren er voldoende. De berghellingen waren een uitgesproken plek  voor hinderlagen en beschietingen. Jan Haag en zijn ploeg liep helemaal voorop. Zij hadden de wapens wel schietklaar in de hand. Hardeman liep achter deze groep en dan de rest van de groep.
‘Het is wel erg rustig hier, Klaas,’ zei Jan Haag, ‘ Ik ben benieuwd of dat vanmiddag ook nog zo is.’
‘Ja, maar wij lopen in een gebied dat wij als ons gebeid beschouwen. De bevolking kent ons hier. Maar je hebt gelijk, vanmiddag gaan wij een gebied in dat wij niet kennen. Goed blijven uitkijken Jan,’ zei Hardeman.
‘Dat doen we zeker. Die ploppers hebben hier wel de mogelijkheid om ons te beschieten vanaf die hellingen.,’ zei Jan Haag.
‘Jan, dit noemen ze nou een guerrillaoorlog.’
‘Ja ja, dat is een moeilijk woord voor achterbaks oorlog voeren.’
‘Maar mochten die ploppers proberen ons tegen te houden dan zullen wij ze tracteren op een strot vuur dat ze lang zal heugen,’ zei Jan Haag.
‘Als ze nog leven,’ zei een marinier.
‘Desnoods gooien we er een zooi mortiergranaten op,’ zei Jan Haag.
‘Zo is het. Als we straks in voor ons onbekend gebied komen ga dan een honderd of honderdvijftig meter verder vooruit lopen. Zorg wel dat er altijd contact is met mij,’ zei Hardeman.
‘Oké, Klaas. Wij vangen het wel op als ze gaan beginnen,’ zei jan Haag met een brede grijns op zijn gezicht..
‘Je wilt toch zo graag een strot vuur op ze afgeven als ze gaan beginnen,’ lachte Hardeman.
Hardeman had veel vertrouwen in Jan Haag. Ze kenden elkaar al zo lang.  Intussen hadden ze al van alles meegemaakt. Ook de andere twee korporaals van Hardemans groep waren prima korporaals. Hardeman was blij met zijn groep. Hij wist dat hij ze allemaal kon vertrouwen.


De omgeving was schitterend. Het was fantastisch mooi. Er waren steile hellingen en diepe dalen. Maar het was een heel gevaarlijk gebied. Er waren zoveel mogelijkheden om de mariniers in de val te lokken. Maar de mariniers liepen nu allemaal met hun wapens in de handen. In dit gebied kon je je wapens niet aan de schouder laten hangen je moest op alles voorbereid zijn.
Omstreeks twaalf uur hielden we een rustpauze om ons lunchpakket op de te eten. We zaten aan de kant van de weg. Van links naar rechts en van recht naar links werd de omgeving in de gaten gehouden. Enkele mariniers aten niet maar zaten te kijken naar de berghellingen. Zij werden afgelost als een van de andere mariniers klaar was met eten. Dat ging automatisch.. De hele ochtend hadden we geen bevolking gezien. We waren veel kampongs gepasseerd maar geen bevolking. Dat gaf ons een vreemd gevoel. Wij gingen er van uit dat er wel ploppers in de omgeving zaten. We zouden zodadelijk het gebied binnen gaan waarvan de vijand van uit ging dat het hun gebied was.
Na een uur gingen we verder. De zon stond hoog aan de hemel en het was benauwd geworden. Onze kleding was doorweekt van transpiratie.
‘Hardeman blijft jij vooruit lopen. We kunnen er wel vanuit gaan dat er ploppers in de buurt zitten. Ze zullen ons best gezien hebben,’ zei de adjudant, ‘Stuur een AG ploeg vooruit.’
‘Dat heb ik al geregeld, adjudant. Korporaal Haag loopt voorop,’ antwoordde Hardeman.
Er werd even gewacht tot Hardeman en zijn mensen weer op hun plaats liepen. Hardeman stak zijn hand op naar de adjudant en deze gaf het teken voorwaarts te gaan. In een lang lint liep de patrouille nu langs de weg. De derde groep was verder achter ons.
Op de hellingen waren trapsgewijs sawa’s gebouwd. Er stond rijst in bloei er werd dus wek gewerkt. De bevolking moest dus ook aanwezig zijn.
Wij hadden wel het gevoel gadegeslagen te worden. Van enige vijand was niets te merken. Het was heel rustig. Waarschijnlijk was de bevolking door de ploppers bang gemaakt en lieten zij zich maar even niet zien.
Dan zien de mariniers grote rookwolken opstijgen. Het zijn kamponghuizen die in brand gestoken worden..
‘Er worden huizen in brand gestoken,’ riep Hardeman naar achteren. Het is toch niet te geloven dat de ploppers de huizen van hun eigen volk in brand steken. Daar hebben ze ons niet mee.
Sergeant majoor Wikkers kwam naar voren rennen.
‘Wat een hufters, moet je die brandhaarden zien,’ zei Wikkers.
‘Er zijn dus wel degelijk ploppers in de buurt. Ze lopen voor ons uit en steken de boel in de brand,’ zei Hardeman.
‘Die lui denken dat ze ons te pakken nemen. Maar ze pakken wel hun eigen mensen,’ zei Wikkers.
Er waren flinke huizen bij, wat een stommelingen.
‘Denk er aan er mag niet worden beschoten. Alleen als wij onder vuur worden genomen schieten wij terug,’’ zei de adjudant die ook naar voren was gekomen. Van de luitenant hadden we nog weinig gemerkt.
Hier werd je nou stil van. Wat werd er veel vernietigd door die ploppers. Dit was nou misdadig. Maar ze waren in staat om de Nederlanders de schuld geven. Nu moesten er journalisten bij zijn. Dan konden die nu eens laten zien wie werkelijk de bandieten waren. Hardeman dacht aan de krantenknipsel die hij van zijn broer had ontvangen hoe slecht die Nederlander wel niet waren.. Ook de commissie van goede diensten zouden het niet zien. Die waren niet in gevaarlijke streken. Het vuur loeit. We stopten bij twee grote huizen. Er liepen varkens rondom de huizen. Ook waren een paar varkens de keel doorgesneden.
‘Moet je verdomme hier zien,’ zei Wikkers, ‘ Hebben ze vier mensen doodgeschoten.’ Wikkers liep achter het huis.
‘Er liggen hier vier chinezen, twee vrouwen en twee mannen. Met kapmessen zijn ze vreselijk verminkt. Het is een afgrijselijk gezicht.’
‘Eigenlijk zouden we achter die klere ploppers moeten aangaan en ze afmaken. Maar dan krijg je gedonder dat wij het bestand geschonden hebben,’zei de adjudant. ‘ Maar lazen ze niet een schot op ons afvuren dan maken ze af,’’ ging de adjudant verder.
De luitenant stond er bij te kijken maar zei niets. De mariniers waren woedend over deze misdadigheid en de misdadigers liepen voor ons uit.
Wij lieten alles zoals het was. De familie van de chinezen zouden hier alles wel opruimen.

Aan het eind van de dag hielden we halt. Het was nog niet donker maar dat zou niet lang meer duren.
‘We brengen hier de nacht door. De geweergroepen zetten een AG-ploeg uit ter bescherming zodat we niet ongezien in de problemen komen. De groepscommandanten zorgen vaoor aflossing van hun ploegen. De ploppers zullen wel in de buurt blijven. Nogmaals, er mag alleen door ons geschoten worden als wij onder vuur komen te liggen. Probeer wat eten te vinden in de kampong. Doe dat voordat het donker is. Als je uit de broek moet doe dat dan met een maat in de buurt en hier in de omgeving. We weten het als je rookt dan is je sigaret ver weg te zien. Bescherm je sigaret.,’ sergeant majoor Wikkers had wel alles gezegd. Hardeman en De Kruik wezen direct een ploeg aan die de wacht hadden. De mariniers werden zodanig neer gelegd dat zijn de patrouille goed konden beschermen. De mariniers hadden nog wat eten over uit het lunchpakket. Op dit soort patrouilles was het altijd moeilijk om veel eten mee te nemen. Dan moest  eten geritseld in de kampong. Het werden meestal bananen.
De mariniers waren moe en voelden zich smerig. Maar baden was er niet bij omdat dat te gevaarlijk was. Zij legden hun grondzeil op de grond en legden hun poncho over zich heen. Het was snel koud op deze hoogte. Toen het donker was geworden lagen er al veel mariniers te slapen. Het was heel stil. Alleen bij aflossing van de wacht was er enig gerucht. De nacht ging snel voorbij en er waren geen moeilijkheden geweest. Ondanks het slapen langs de kant van de weg waren de mariniers toch uitgerust. Het was nog maar net licht. De zon was al op maar nog niet zichtbaar. Ze voelden zich wel koud. Snel maakten zij zich reisvaardig. De poncho of deken werd opgerold en weer aan de rugzak gebonden. Even later waren ze klaar om te vertrekken. Ontbijten was er niet bij. Misschien was er onderweg wel wat aan bananen te vinden.
‘ Als we klaar zijn dan vertrekken. Dan kunnen wij ons weer warm lopen. Onderweg zien we wel aan eten te komen. Om een uur of tien en als we in de buurt van een kampong zijn houden we een rustpauze en gaan we koffiezetten in de kampong. Als je brood hebt van gisteren eet dat dan nu op,’ zei de adjudant.
Hardeman had geen eten meer net als vele anderen. Maar hij kon het nog wel volhouden. Onderweg zouden er zeker bananen zijn. De patrouille zette zich weer in beweging. Een ander groep liep nu voorop en de groep van Hardeman liep achteraan. We kwamen een aantal smeulende huizen tegen. Het was een troosteloze zaak.. Er werd weinig gesproken. De mariniers voelde zich vies. Ze moesten nog even de stijfheid uit de benen lopen. De zon werd zichtbaar en de lichamen werden warm. Omstreeks tien uur houden we halt om koffie te drinken. In de buurt was een flinke kampong.
‘Jan, ga jij kijken of er ergens wat te eten is te vinden,’ zei Hardeman.
‘Oké, kom op. Wij gaan de kampong in. Misschien vinden we wel eieren,’ zei Jan Haag.
Een paar mariniers zaten bij een kamponghuis en maakten een vuur en zette water op voor de koffie. Koffie hadden we bij ons in onze waterdichte zakjes. Elke marinier had zo’n zakje.
Jan Haag kwam terug met de helmen vol eieren. Aangezien er geen bevolking in de kampong was werden er van de eieren omeletten gemaakt. Jan Haag was daar goed in.. Ook de groep van Jan Haag bracht vruchten mee. Vooral bananen waren er genoeg. Dat was goede voeding. De koffie was klaar. Iedereen kreeg in zijn canteencups koffie, een paar bananen en een omelet. En zo was er toch een goed ontbijt. Het viel er best in.
Een goed uur later vertrokken we weer. De groep van sergeant De Kruik liep weer voorop en Hardeman met zijn groep liep weer achteraan. Tussen de infanteristen liepen de mitraillisten en mortieristen en daarbij de luitenant. De adjudant liep in het midden van het peloton. Sergeant majoor Wikkers liep bij de voorste AG ploeg. Veel werd er niet gesproken. Alleen bij de groep van Hardeman werd er flink gelachen. Voorop was het rustiger.
De kampongs zagen er troosteloos uit. Nog steeds zagen we smeulende huizen. En de ploppers waren weer begonnen huizen in brand te steken. Het waren allemaal huizen die bewoond werden door chinezen. Wij zagen geen vermoorden mensen meer. De ploppers lieten zich niet zien.
Regelmatig hielden een kleine rustpauze. Genoten van de schitterende omgeving. Van de kampongbevolking was niets te merken. Alle kampongs die wij passeerden waren leeg. En ook aan deze dag kwam weer een eind. Omstreeks 1700 uur hielden we halt bij een grote kampong. Ook hier waren een paar grote huizen in brand gestoken. Wij trokken de kampong niet in en brachten de nacht door langs de kant van de weg. Net als de vorige avond zorgden we voor onze eigen bescherming. Een AG ploeg van sergeant De Kruik vond een grote hoeveelheid rijst. Er werden een paar kippen gevangen en vruchten aangedragen..
‘Klaas, ga jij kijken of je iets van die rijst kan maken,’ zei Wikkers, ‘’ Jij bent toch de rijstpikker van het peloton.
Hardeman nam de ploeg van Jan Haag mee en gingen een huis binnen. Het huis was verlaten maar wel zeer kort nog bewoond. Alle gebruiksvoorwerpen waren in huis aanwezig en die konden ze gebruiken om te koken.
‘In die andere huizen zijn ook geen mensen, sergeant,’ zei een marinier, ‘’ die zijn effe verdwenen net als de anderen.’
‘Was er eten in dat huis?’
‘Nee geen moer, sergeant,’
‘Nou, laten we hier dan maar beginnen. Kijk of er ergens eten is.,’ zei Hardeman. Een marinier had een olielampje aangestoken en er kwam wat meer licht.
Eten was er niet. Hardeman vond een grote stapel brandhout.
‘Hier, maak hiervan een vuur,’ zei Hardeman tegen een marinier. Hij kwam met een hoop brandhout binnen. Er werd voor vuur gezorgd. Een marinier kwam binnen met een half geplukte kip en zei, ‘ Klaas, hier heb je een bijna geplukte kip misschien kun je wat mee.
’Zo niet. Je moet wel een heel geplukte kip komen. De marinier pakte zijn mes sneed de kop eraf en ging verder met plukken. Hardeman waste de kip met wat water.
‘Ik zal er een grote pot bouillon  van maken en dan gooi ik er rijst in en dan eten straks kippenrijstesoep,’ zei Hardeman.
‘Als het maar te eten is dan vindt ik het best,’ lachte Jan Haag.
‘Als we straks aan de zuidkust zijn dan haal ik ergens een varken en dan maak ik erwtensoep,’ zei Jan Haag.
‘Hijwel. Jan Haag maakt erwtensoep in de tropen,’ zei een marinier
‘Ja, waarom niet. Ik heb gezien dat er erwten worden meegevoerd.’
‘Ja, kom op. Niet lullen maar poetsen,’ zei Hardeman
‘Geef mij jou mes eens. Dan snij ik deze groenten klein en dan gaat dat ook in de soep,’’ zei Jan Haag.
‘Wat is dat voor groente,’ vroeg een marinier.
‘Weet ik veel. Het zal best te eten zijn,’ antwoordde Haag.
‘Ja dat kan jij wel zeggen. Straks lig ik met gestrekte kuiten,’ zei de marinier.
‘Niks aan verloren. Het beroerde is alleen dat we je dan moeten meesjouwen,’ grijnsde Haag.
Het vuur knapperde goed. De vonken vlogen in het rond.
‘Kijken jullie een beetje uit straks vliegt dit huis ook in de hens,’ griepte Hardeman, ‘ Dan krijgen we zeker de schuld dat wij de huizen in de brand steken.’
Het huisje leek vol schaduwen. Een marinier zat in de deur opening met zijn geweer in de hand. Het zou vervelend wezen als er iemand zou sneuvelen voordat hij de rijstekippensoep had gegeten.
Op het water dreven vetkringetjes. Zout was er niet. Maar we gooien een handvol zouttabletten in de soep anders werd het een flauwe boel..
‘Jan, heb jij de rijst al gewassen. Gooi het dan maar in de pot. Het water kookt al als de ziekte,’ zei Hardeman.
‘Het begint zelfs al lekker te ruiken,’ zei een marinier.
‘Die scharrebak van een kip had zelfs nog iets vet aan zijn ribben. Moet je zien wat een vetogen er op die bouillon drijft,’ grapte de marinier.
Hardeman stak een mes in de rijstesoep en proeft of de rijst gaar is en of er een beetje smaak aan de brij zat.
‘Verdomme, ik brand mijn bek. Dat mes is bloedheet geworden en die brij is ook hartstikker heet,’ zei Hardeman die de brij uit zijn mond spuugt.
‘Daar hoef je geen sergeant voor te wezen om dat te weten,’’ zei Haag lachend.
Hardeman probeerden het nog eens maar blies hij de hitte er van af.
‘Nou,’ zei Hardeman met zijn hoofd knikkend, ‘’ Het smaakt best. Jan, probeer jij het eens.’
‘Dan brand ik ook mijn lip,’ antwoordde Haag.
‘Beter jij dan mijn meisje,’ zei een marinier lachend.
‘Je kampongsletje zeker,’ zei een andere marinier.
Jan Haag proefde ook voorzichtig aan de hete brij en zei, ‘’ Als je deze brij hebt gegeten dan ben je niet in staat de lippen van je meisje te verbranden niet van boven en niet van onder. Seksueel word je er niet door geactiveerd. Maar het is een goed maagvulling.’
Er werd zachtjes gelachen.
‘Jongens de soep is gaar,’ riep Hardeman, ‘ Help even die pot van het vuur te halen. Het mag dan niet seksueel verhogend zijn maar dat is ook niet nodig want er is hier geen griet te vinden,’
‘Die pot is bloedheet, man. Je verband je jatte.’
‘Niet lulle, die pot moet van het vuur af. Kijk of er ergens een lap ligt,’
‘Gebruik je pendek maar,’ grinnikte Jan Haag.
‘Nou, ouwehoer niet. Die pot met brij moet naar de weg. Daar liggen ze te gillen van de honger.’
‘Dat wordt wel anders als ze de brij hebben gegeten dan liggen ze met stijve kuiten.’
‘ Kom op, haal die pot van het vuur.’
‘Ja, Jezus, hoe doen we dat?’
‘Hier pak mijn jas maar. Daar kan je eigenlijk wel soep van koken,’’ zei Hardeman en trok zijn jas uit.
‘Pas op de strepen, jongens. Die mogen niet smerig worden. De jas is niet zo erg.’De dungareejas werd om de pot gevouwen en twee mariniers droegen voorzichtig de grote pot naar de weg. De mariniers lagen al in hun poncho of in hun deken gerold als de soepdragers bij de weg arriveren.
‘Ik heb hier iets dat op eten lijkt. Het is dikke groentekippensoep,’ zei Hardeman.
‘Kom op met je pannetje of canteencups dan krijgt iedereen een kwak van dit spul.’
De mariniers kwamen weer tevoorschijn uit hun poncho of deken en kwamen een mok dikke soep halen.
‘Als het nog te flauw is gooi er een paar zouttabletten in,’ zei Jan Haag.
‘Hé, jij twijfelt toch niet aan mijn kookkunst,’ zei Hardeman.
‘Dat merken ze wel als ze met stijve kuiten liggen.’
‘Jonge jonge, Jullie hebben wel aanmerkingen zeg. Morgen mag een ander het proberen,’’ zei Helmuth Levi.
Veel smaak zat er niet maar het was een goede maagvulling en het was warm. Er waren toch nog mariniers die een tweede mok brij kwamen halen.
‘Willen het niet nog gevaarlijke maken als dat het al is. Eén mok van dit spul is al levensgevaarlijk laat staan twee.’
‘Dat kan mij geen reet schelen ik lust nog wel een mok,’’ zei een andere marinier, die bekend stond als het maar veel is.
Na het eten was het snel stil. Velen probeerden te slapen anderen lagen maar wat in hun poncho. Ook nu weer een rustige nacht. Hardeman was nog even in slaap gevallen en toen hij wakker werd had hij een gevoel in zijn hoofd alsof drie dagen dronken was geweest. Hij had kort geslapen maar erg vast, vandaar die kist met spijkers in zijn hoofd. Het was nog koud en vochtig in de vroege ochtend.
‘Kom op, word wakker.,’ sergeant majoor Wikkers liep al weer rond en maakte de mariniers wakker.
‘Over een half uur vertrekken we.’
Vandaag hoopten wij de plaatste van bestemming te bereiken. We pakten onze spullen snel bij elkaar en bonden alles weer aan de rugzak. We waren klaar om te vertrekken. Iedereen was stil en voelden ons niet lekker. De viezigheid van ons zelf maakte het niet vrolijker. We liepen weer in een lang lint langs de weg. Ook hier weer verlaten kampong en smeulende huizen.
We zagen geen dode mensen meer. Wel werden er nog steeds huizen in brand gestoken maar boden geen tegenstand. Na een aantal uren lopen liepen we naar beneden en kwamen in een vlaagvlakte. De sawa’s stonden er mooi bij. Goudgele velden met rijst. De rijsthalmen wuifden in de wind. Van de bewerkers was niets te zien. In de laagvlakte werden geen huizen meer in de brand gestoken. Het landschap was mooi en achter ons zagen wij de hellingen van de bergen. De berghellingen lagen in een pracht van kleur.
In de middag kwamen op de plaatst van bestemming. Oemboelsari was de naam van de negorij. In de omgeving van huizen liepen grijze buffels te grazen. De huizen waren nier verbrand en zagen er goed verzorgd uit. Toen we bij de huizen aankwamen kwam een man uit een van de huizen. De adjudant en de luitenant liepen naar de man en werden in het Nederlands begroet.
‘Goedemiddag heren,’ zei de man. Hij  was erg vriendelijk en in het geheel niet schichtig.
‘Goedemiddag,’ zeiden de luitenant en de adjudant.’
‘Wij zijn mariniers en al een paar dagen onderweg. Wij willen hier een poosje blijven. Hoelang weten we nog niet. We willen een paar van uw huizen gebruiken. U heeft hier huizen genoeg staan,’ zei de luitenant.
‘Er staan een paar huizen leeg. Die kunt u gebruiken. In dit huis woon ik zelf. Het huis hiernaast is leeg en kunt u voor uw staf gebruiken,’ zei de man.
‘Uw mariniers kunnen in die huizen trekken.,’ de man wees in de richting van de huizen.
‘Er is nog een groep mariniers onderweg maar die verwacht ik vanavond of vannacht,’ zei de adjudant.
‘Dat is geen bezwaar er zijn huizen genoeg.’
‘Fijn, bedankt voor de medewerking. Hoe bent u hier terecht gekomen?’ vroeg de luitenant.
‘Ik ben voor de oorlog bij het KNIL geweest. Na de oorlog ben ik hier gebleven en heb een boerderij opgebouwd. Ik heb het hier prima naar mijn zin,’ antwoordde de man.
Hardeman stond mee te luisteren. Hij vond het vreemd dat deze man hier schijnbaar zonder problemen kon wonen. In de wijde omgeving waren overal huizen in brand gestoken en zelfs een viertal chinezen vermoord en deze ex-KNIL man had van niemand last. Hij sprak ook niet over de aanwezigheid van eventuele ploppers.
‘Op onze tocht hierheen zijn er voor ons uit nog veel huizen in brand opgegaan. Ik neem aan dat dit door Indonesische troepen is gedaan. Onderweg waren er ook vier chinezen vermoordt. Hebt u iets van de Indonesiërs gehoord of gezien?’ vroeg de luitenant.
De man drukte zijn onderlip iets omlaag, schudde zijn hoofd en zei,’’ Nee, hier zijn ze niet geweest. Wel heb ik gehoord dat er veel huizen zijn verbrand,’antwoordde man, verder ging hij er niet op in.
‘Goed,’ zei de luitenant, ‘ Laat de groepen een huis in gebruik nemen. Zet direct mensen op wacht. De anderen kunnen zich klaar maken voor de nacht.’
Hardeman nam een groot huis in gebruik. In het huis stonden tafels en stoelen en baleh-baleh’s.
‘’Jongens hier gaan wij slapen. Maak gebruik van de baleh-baleh’s,’ zei Hardeman
De mariniers gingen hun slaapplaatsen in orde brengen. Het was wel primitief maar toch beter dan langs de kant van de weg te slapen. Ze hadden hun vuile kleding uitgetrokken rn lirprn in hun groen pendek. Eindelijk waren ze verlost van hun vuile plunje. In de buurt was een snel stromende kali en in de bomen rondom de kali schetterde apen.
‘Klaas, loop even mee dan kunnen wij kijken waar we onze wachtposten moeten uitzetten.,’’ zei sergeant majoor Wikkers. Hij kwam het huis binnenlopen.
‘Ik kom er aan, majoor,’ zei Hardeman.
Hardeman trok een lange broek aan en ging met de majoor mee. Ze liepen rondom het huis en bekeken het voorterrein. Ze maakten een kleine verkenning over het er en deelde het schootsveld voor de groep van Hardeman. Alle drie de groepen kregen een schootsveld toegewezen, zodat wanneer er iets gebeurde iedereen wist wat hij moest doen. En niet in het wilde weg werd geschoten. Hardeman ging terug naar zijn groep die in het huis waren op de wachtposten na.
‘Luister uit, mannen. Overdag wordt er door alle groepen een wacht  geleverd. Ik zal jullie aanwijzen waar de wachtpost zal zitten. ’s Nachts lopen we dubbelpost. Ga niet ver van huis en neem altijd een wapen mee en ga altijd met vier man tegelijk weg. Uiteraard wil ik vooraf weten waar jullie zijn. Voor de rest wachten we nadere orders af, ‘ zei Hardeman.
‘Kunnen we gaan baden voordat het donker wordt, Klaas,’’ vroeg jan Haag.
‘Ja, laten we maar gaan. De wachtposten houden ons wel in de gaten. Neem je wapens mee,’ zei Hardeman.
De mariniers gingen naar de kali in hun pendek en de wapens aan de schouder. Bij de kali liepen een paar mariniers regelrecht de kali in maar ook springend er weer uit.
‘Brr, Jezus wat is dit water koud,’’ zei Jan Haag.
‘Kom op, man. Je kunt je nu afsoppen en geen gelul over koud water. We zitten niet in een hotel,’ zei Hardeman.
‘Een hotel, wat is dat een hotel?’’
‘Een hotel is waar je met je reet in een groot bad kunt liggen en net zo lang totdat je merkt dat je lul en je zak zijn verschrompeld van het warme water,’ zei een marinier.
‘’Oh, dan is er niet veel verschil met deze kali, het is wel geen warm water. Maar als je hier even in dit koude water staat is er ook niet veel meer van de leuning of scrotum over,’’ lachte Jan Haag.
‘Dat, dat is waar. Je mag hier je vork wel meenemen want dan kan je proberen het uit je onderbuik te vissen,’ zei een marinier.
‘Maar daar heeft Klaas geen problemen mee. Die pakt uit als een Arabier. Dat weet ik nog wel vanuit Soerabaja. Daar was een chinees grietje die zei toen ze Cees aanwees. ‘kleine, grote lul’, Jan haag schaterde het uit.
‘Oké, Jan als je het maar niet aan mijn moeder verteld,’’ zei Hardeman, hij stond zich al in te zepen, ‘’ Zij zei een tegen mijn vader, ‘ laat dat jochie gaan dan ziet hij wat van de wereld.’ Maar ze zei niets dat ik naar de vrouwen mocht gaan.’
Lachend stonden de mariniers in de kali geheel ingezeept. Ze wasten elkaar de ruggen en spoelden zich af door in de kali te gaan liggen. Hun huid was rood van de kou en de lichamen werden met de handdoeken goed droog gewreven.
‘Jouw handen zijn toch niet zo als de handen van mijn baboe als ze mijn rug staat te wassen,’’ zei een marinier.
‘Krijg de hik man;’
‘Dat krijg je al van dat koude water. Dit is niet gezond meer.’
De apen boven in de bomen schetterde het uit. Wat een drukte maken die krengen.
De apen in e bomen keken naar de blanke apen in de kali.
‘Laten we het niet lang maken, mannen. De wachtposten moeten ook voor donker gebaad hebben.’ Zei Hardeman
‘Ik denk al, waar heeft hij het over. Niet te lang maken. Van mijn piemel is niet veel meer over,’ riep Jan Haag.
‘Ja, je hoeft nou niet meer op te scheppen over de grootte van je piemel. Dat stelt nu ook geen moer meer voor,’ grinnikte Hardeman.
‘Dat komt wel weer als ik ergens anders ben,’ Jan Haag stond met zijn mond wijd open te lachen.
Even later rende de mariniers in hun nakie met hun onderbroek en geweer onder de arm naar hun huis. De beide mariniers die op post stonden werden snel afgelost en konden zich nog voor donker baden. Ze kregen twee mariniers mee om hen te beschermen.
In het huis was iedereen uitgelaten. Ze voelden zich schoon en trokken een schoon pak aan. Alleen moest er nog een scheermes over het gezicht gehaald worden. Ongeschoren stond niet in het handboek van de mariniers.
Onze gastheer had een stookplaats aangewezen waar wij konden koken.
‘Jan, neem jij en je mensen de dienst in het kombuis waar,’ zei Hardeman.
‘Ja dat is goed. Kom op mannen we gaan voor het eten zorgen.’
Jan Haag kwam even later terug in huis en vroeg, ‘’ Klaas, waar haal ik eigenlijk eten vandaan?’
‘Vraag aan onze gastheer of je rijst kan lenen. Hij krijgt het terug als Bolhuizen hier is gearriveerd.’’
‘Oké.’
‘Maak genoeg eten zodat de groep van Bolhuizen ook te eten heeft,’ riep Hardeman hem na.
Haag zwaaide met zijn arm.
Dit soort zaken kon het beste aan jan Haag overlaten want als er een ritselaar was dan was hij het wel. Even later stond de ploeg van Jan Haag in een soort keuken. Er werd groente gesneden. Ook lagen er een paar kippen op het hakblok. Daar zou Haag zich mee bemoeien. Daarna was hij bezig boemboe nasi goreng  te maken. Over eten hoefden wij ons geen zorgen meer te maken. Vanavond was er eten dat was zeker.
Op het erf liepen een paar marinier met hun geweren over de schouder. De mitraillisten hadden een alarmstelling gebouwd en daar stond een punt 30 in opgesteld. Wij wisten nu wel dat er ploppers in de buurt waren en namen geen risico onverwacht beschoten te worden.
Hardeman stond met de eigenaar van de boerderij te praten.
‘Wat ik niet begrijp is dat u helemaal geen last hebt van die ploppers. U bent een oud KNIL man. In de kampongs zijn helemaal geen mensen aanwezig die zijn kennelijk voor ons gevlucht. Of zij zijn door de ploppers weggestuurd. Wij hebben vermoorde chinezen gezien. U hebt hier een goed lopend bedrijf. Wij weten zeker dat er ploppers in de omgeving aanwezig zijn.’
‘Er hebben wel gewapende Indonesiërs in een van de kampongs gezeten maar hoeveel weet ik niet. Ik bemoei mij niet met die zaken. Ik vind het ook vreemd dat de kampongbevolking er niet meer is. Misschien zijn ze wel bang voor de Nederlanders,’ antwoordde de man.
‘Ja, dat zou best kunnen. Maar dan moeten ze wel bang gemaakt zijn,’ zei Hardeman.
‘Neemt u mij niet kwalijk ik moet weer aan het werk,’zei de man en hij liep naar de andere kant van het erf.. Hardeman staarde de man na. Hij vertrouwde de man niet. Deze man woonde al jaren in dit gebied. Hij had na de Japanners alleen te maken gehad met de ploppers.
Eten was er genoeg in dit gebied. Dus de ploppers profiteerden hier van. Wij wisten al lang dat de bevolking verplicht was om rijst aan de ploppers te verstrekken. Hardeman geloofde dat de ex KNIL man zorden dat er vers vlees was voor de ploppers. De gebouwen op het erf werden natuurlijk ook gebruikt door de ploppers. In alle huizen stonden baleh-baleh’s en stonden tafels en stoelen. In de gebouwen woonde de ploppers. Hardeman was er van overtuigd. Anders kon deze ex KNIL man nooit zo rustig leven. En misschien was deze man wel een plopper. Het was bekend dat vele KNIL mensen waren overgelopen naar het Indonesisch leger.
Hardeman liep naar de ruimte waar Jan Haag en zijn mannen druk bezig waren met het bereiden van nasi goreng. Er stond een grote wadjan op het vuur en Jan haag stond met een grote spaan in de nasi goreng te roeren.
‘Het ruikt lekker, Jan,’ zei Hardeman.
‘Er zit ook vlees in,’ zei Haag. Hij kwam overeind en zijn lichaam glom van de transpiratie
‘’Ik zal maar niet vragen hoe je daar aangekomen bent,’ lachte Hardeman.
De grijns van Haag sprak boekdelen. De nasi goreng was klaar en er kon worden gegeten. Eindelijk weer eens een heerlijke rijsthap.
Hardeman waarschuwde de adjudant en Wikkers. Ook Henk De Kruik werd gewaarschuwd.
‘’Wie heeft er voor het eten gezorgd. En wat eten we?,’ vroeg Wikkers.
‘Ik heb Jan Haag gezegd dat hij met zijn groep ervoor moest zorgen. Dat kunnen we het best aan Haag overlaten. En we eten nasi goreng,’ antwoordde Hardeman.
‘Dat is goed van jou,’ zei Wikkers.
‘Ja, maar beter van Jan Haag. Voor de groep van Bolhuizen is ook eten genoeg..’
Sergeant majoor Wikkers keek Hardeman aan en knikte. Na het eten werden de posten op hun plaatsen gebracht. Een korporaal had leiding van de wacht. Een mitraillist zat in de alarmstelling achter de punt 30.
Het was nu wachten op de groep van sergeant Bolhuizen. De mariniers die geen wacht hadden zaten in hun huizen of lagen op de baleh-baleh.
Het was bijna 24.00 uur toen een van de wachtposten in huis kwam en zei, Sergeant, moet je eens komen kijken. Sergeant Hardeman is in aantocht.’
Willem de Lip stond ook buiten te kijken hij had ook de wacht. In de verte op de berghelling zagen we een lang lint van brandende fakkels. Daar liepen dertien mariniers met hun sergeant. Tussen hen in liepen de dragers. Het was een fantastisch gezicht. Zij arriveerden bijna acht uur later dan hun voorgangers. Zij moesten nog ongeveer een uur lopen voordat zij bij de post aankwamen. Een AG ploeg van sergeant De Kruik liep hen tegemoet om de groep de weg te wijzen naar de boerderij. De fakkeloptocht verdween in de laagvlakte en een half uur later kwamen zij bij de boerderij aan. De luitenant en de adjudant wachtte de groep op. De mariniers keken ook naar de binnenkomst van deze groep.
‘Klaasie, wat zie je er weer mooi uit.,’ zei Jaap Meertens, het flotsen was hij niet verleerd. Hij zag er warrig uit. Hij had een zwarte stoppelbaard.
‘Ik ruik naar stront en ik zal blij zijn als ik kan mandi,’ zei Jaap Meertens. Hij flotste van zich af.
‘Je mag ke wel eens scheren, marinier,’ zei Hardeman, ‘ Met zo’n baard kun je niet over straat lopen. De mensen zouden schrikken.’
‘Nou Klaas, onderweg zijn wij geen mensen tegen gekomen. Ik hen dus niemand laten schrikken.. Waar zouden die mensen allemaal gebleven zijn. En er waren heel wat huizen in brand gestoken. Ik denk dat de ploppers de mensen hebben laten schrikken.’
‘Bolhuizen het eten is klaar. Laat je mensen eerst maar gaan eten. Straks kunnen mandi in de kali,’ zei de adjudant.
Jan Haag was alweer naar de keuken gegaan om de nasi goreng op te warmen. De dragers kregen geld uitbetaald door majoor Wikkers. Als ze gegeten hadden konden ze vertrekken. Ze mochten ook op de post blijven tot de ochtend. De groep van sergeant Bolhuizen had onderweg ook geen moeilijkheden gehad met ploppers. Even waren er problemen met de dragers. Toen zij de dode chinezen hadden gezien durfden zij niet verder te gaan. Zij dachten dat er wel eens geschoten zou kunnen worden. Zij wilden toen al direct terug naar Pasirian. Al met al een reden genoeg om de dragers enigszins onder druk te zetten. Hij moest ze zelf zeggen dat hij ze zou neerschieten als ze er vandoor gingen. Toen ing het weer beter met de gehoorzaamheid van de dragers.

Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 10:01
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 10:01
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7784 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 623290 Bezoekers

 5 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^