Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pčtjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 24

Mijn verhaal - Nederlands Indië 24

De eerste nacht op Oemboelsari was rustig verlopen. De ploppers hadden niets van zich laten zien of  horen. Vroeg in de ochtend was er een verkenningspatrouille vertrokken. Zij moesten de  nabije omgeving gaan verkennen of er vijandelijke elementen aanwezig waren.  De groep van sergeant De Kruik was op patrouille.. Door het in brand steken van huizen hadden ze laten merken dat zij aanwezig waren. De vraag was nu of ze het lef hadden het ons moeilijk te maken. In ieder geval zouden wij elke patrouilles lopen en als ze iets tegen ons wilden doen dan merkten wij het wel. Wij waren wel wat gewend.
Toen sergeant De Kruik terug kwam van zijn patrouille had hij van vijandelijkheden niets gemerkt. Ook had hij geen kampong bevolking in de kampongs aangetroffen.. De sawa’s waren allen bewerkt en de rijsthalmen waren goudgeel. Er moest binnenkort worden geoogst. De hele omgeving was stil en verlaten. De luitenant, adjudant, sergeant majoor Wikkers en de groepscommandanten werd overleg gepleegd. Er werd besloten dat er dag en nacht werd gepatrouilleerd. Wij moesten contact maken met de bevolking. Het zou een zware tijd worden voor ons op Oemboelsari. Dag en nacht was er een patrouille op pad. Een groep had dan de wacht en dat werd dagelijks gewisseld.. Nogmaals werd duidelijk gemaakt dat wij geen vuurcontact maakten, behalve als wij zelf onder vuur werden genomen. Wij liepen alleen verkenningspatrouilles.
‘Hardeman, jij gaat vanavond als eerste op patrouille. Ga naar diverse kampongs en kijk of er mensen zijn en of je contact met hen kan maken.. Heb je contact met hen vraag dan of ze terug willen komen naar de kampongs. Zeg hen dat de sawa’s bewerkt moeten worden. Blijf vriendelijk tegen de bevolking,’’ zei de adjudant.
‘Neem wel genoeg munitie mee. Maar dat hoef ik niet meer te zeggen,’ zei de luitenant.
‘Goed, ik heb het begrepen. Hoe laat moet ik vertrekken. Om acht uur?,’’ vroeg Hardeman.
‘Dat is prima.’
De bespreking was ten einde en Hardeman ging zijn mensen inlichten.
‘Wij gaan vanavond op patrouille. Zoals jullie weten wij gaan verkennen. Niemand mag er schieten zonder mijn toestemming. Om acht uur vertrekken we. Geen rukzakken. Volledige bewapening en handgranaten. Denk er aan geen gerammeld aan het lijf. Nog vragen?’
‘Mijn ploeg gaat toch ook mee, Klaas,’ vroeg Jan Haag.
‘Jazeker, waarom niet?’
‘Nou, we hebben ook kombuisdienst. Maar wij gaan graag mee.’
‘Jullie gaan mee, Jan. Wij doen alles met een complete groep. Hoe lang we onderweg zijn dat weten we niet dat hangt ook van de situatie af. Maar we moeten wel op tijd terug zijn voor de dienst in de kombuis. Dat blijft jouw ploeg gewoon doen,’ zei Hardeman.
‘Ik regel het verder wel,’ zei Jan Haag.
‘Helmuth, Willem nog vragen?
‘Geen vragen,’ antwoordden de beide korporaals.
‘Goed, dan maken we onze spullen in orde. Daarna kunnen we nog even rusten of dingen doen die we nog graag willen doen.’
Iedereen maakten zijn spullen voor elkaar en de tijd die ze nog hadden deden ze niets. ’s Middags ging iedereen op zijn tampatje liggen en probeerde te slapen.
De mariniers waren snel klaar met hun spullen. Een marinier had altijd zijn spullen in orde. Dat hoefde nooit gezegd te worden. Er werd ook scherp opgelet door het kader.
Dit was de eerste patrouille voor Hardeman in dit gebied. Hij had er geen moeite mee. Hij zou naar de eerste beste kampong lopen en kijken wat er aan de hand was.  Er moest toch bevolking zijn. Of misschien wel vijandelijke elementen.
Hardeman ging zelf nog even rusten. Daarna gingen ze eten en om acht uur, dan was het donker, zou hij de patrouille starten.
Jan Haag en zijn ploeg hadden nog voor eten gezorgd. Daarna waren ze gaan baden en waren net als de anderen klaar voor vertrek.
‘Is iedereen klaar. Het is bijna acht uur. We lopen naar de adjudant en dan gaan we,’zei Hardeman.
‘Ja, wij zijn klaar,’’ zei Willem de Lip.
‘Goed, dan vertrekken we. Nogmaals, niet schieten. Als wij mensen tegenkomen dan gaan we aan de kant van de weg staan of liggen. We doen het zo geruisloos mogelijk,’ zei Hardeman.
De patrouille stond buiten. Hardeman liep naar het verblijf van de adjudant en meldde zich af.
De wachtposten werd verteld dat er een patrouille uitging. Daarna verlaat de patrouille de post.
Het was donker en geen maan. Maar dat wende snel als je even buiten liep. Het was wel warm. Ook dat zou wel veranderen als het wat later werd. Het is doodstil. Af en toe schrikt een vogel en vliegt piepend weg. De patrouille maakte bijna geen geluid. We liepen aan beide kanten van het pad. Commando’s werden fluisterend doorgegeven. We liepen vrij dicht achter elkaar.. Marinier Lammers liep met zijn BAR voorop. Rechts naast hem liep iemand met een geweer. Haag daarachter en Hardeman liep achter Lammers.
Lammers steek vlak voor Hardeman zijn arm op. STOPPEN!
Hardeman fluistert naar achteren, stoppen. De mariniers gingen op hun knieën zitten.. Aan beide zijde van de weg. Het pad is vrij breed. Niemand gaf enig geluid. In de verte hoorden wij zacht gemompel en geschuifel van blote voeten.
’Liggen,’ fluistert Hardeman naar achteren. Iedereen lag nu plaat aan de kant van de weg.
Het geschuifel van blote voeten werd nu duidelijk hoorbaar.
‘Laat ze  tussen ons inkomen dan staan wij ineens op en omsingelen wij hen,’’ fluister Hardeman.
De mariniers lagen klaar om op te springen. Het geschuifel kwam  steeds dichterbij. Een schim werd zichtbaar en dan nog een. Ineens liepen de mensen tussen ons in.
‘Halt houden,’ schreeuwde Hardeman. De hele groep mariniers stond rondom de mensen. Een paar vrouwen gilden het uit van schrik. Het zijn mannen en vrouwen.
‘ga zitten,’’ zei Hardeman. De mannen en vrouwen hurkten op het pad en zijn doodsbang. Ze droegen mannen doe nog leeg waren. Een paar mariniers doorzoeken de manden maar deze zijn leeg. Kennelijk waren ze van plan om rijst te snijden. De vrouwen waren in het bezit van de ani-ani, een soort mesje waarmee de rijsthalmen werden afgesneden. Zij droegen de ani-ani in de wrong van het haar.
‘Sam, vraag wij ze vandaan komen en war ze heen gaan en waarom in de nacht. Sam was een Ambonees. Hij was van de VDMB. Uiteraard was hij met ons meegegaan. Je moet iemand bij je hebben om met de mensen in hun eigen taal te kunnen spreken.
Sam begint in rap Javaans met de mensen te praten. Maar er kwam geen antwoord.
‘Fouilleer ze eerst maar. Kijk alles goed na. Vooral tussen de kleding,’ zei Hardeman. 
‘Doe niet te wild tegen ze. Ze zijn al bang genoeg. En geen geschreeuw,’ ging Hardeman verder.
‘Bij de vrouwen geen handen aan hun borsten en geen gegrijp tussen de benen. Zij zullen geen wapens bij zich dragen,’ Je moest overal aan denken. We moeten geen slechte beurt maken bij de vrouwen.
Ondertussen probeerde Sam gegevens los te krijgen van de mensen. Er werd niets verdachts gevonden. Deze mensen waren kennelijk op weg naar hun sawa’s. Zo schoten we niet op.
‘Sam, zeg tegen ze dat wij ze meenemen naar de post. Morgenochtend ondervragen we ze weer. Het heeft geen zin om de hele nacht hier met die mensen bezig te blijven. Sam vertelde de mensen wat wij van plan waren en zei hen ook dat ze niet bang hoefden te zijn. Ze spraken met elkaar.
‘Moeten we ze niet zeggen dat wij gaan schieten als ze proberen weg te lopen’ zei De Lip.
‘Nee, we moeten proberen vertrouwen te winnen. Het is al beroerd genoeg om hen mee te nemen naar de post. Dat zullen ze niet prettig vinden. Maar wij hebben ze nu en we moeten weten wat er aan de hand is.
‘Kom, op we gaan terug naar de post. Sam zeg ze dat ze tussen ons in moeten blijven lopen,’’ zei Hardeman.
Sam zei het hen en wij vertrokken naar de post. Er werd geen woord gezegd. De vrouwen die een man hadden hielden elkaar vast. Ze moeten bijna in de looppas meelopen. Ze waren niet gewend aan de pas van de mariniers. De vrouwen sprongen bijna weg als ze tegen een marinier aanliepen.
‘Willem, laat twee man van jou vooruit lopen en de wacht waarschuwen dat wij met kampongbevolking aankomen,’’ zei Hardeman.
Korporaal de Lip, stuurde twee man naar voren om te waarschuwen. Ze liepen in looppas naar voren. Als was geregeld toen wij bij de wacht aankwamen. Ze keken verbaasd naar onze vangst.
‘Wat brengen jullie nou mee?’
‘Deze mensen liepen in de kampong en wij willen weten wat ze doen,’’ antwoordde Hardeman.
De mensen werden naar een grote schuur gebracht waar ze de nacht moesten doorbrengen. De nacht was niet zo lang meer.
‘Zeg hen dat ze niet bang hoeven te zijn. Morgenochtend moeten ze vertellen wat ze in de kampong deden, waar ze wonen en waarom ’s nachts,’ zei Hardeman.
Sam zei hen wat de bedoeling was. Niemand van hen reageerden.
‘Geef ze wat sigaretten,’ zei Hardeman tegen zijn mariniers. Hijzelf rookte niet. Sam zei nog iets tegen de mensen. Ze mompelden wat. Mariniers deelden sigaretten uit aan de mannen maar de vrouwen wilde ook sigaretten.
Sergeant majoor Wikkers die kennelijk iets had gehoord kwam naar buiten.
‘Heb je deze mensen onderweg opgepakt, Klaas?’
‘’Ja, majoor. We kwamen ze in een van de kampongs tegen. Ze waren kennelijk op weg naar de sawa’s want de vrouwen hebben ani-ani’s bij zich. Ik heb ze meegenomen om ze straks te laten ondervragen door de VDMB..’Ze zijn wel angstig. En wat een armzalig stelletjes,’ zei Wikkers.
‘Laten we ze maar alleen laten. Ze worden nog zenuwachtiger en kunnen straks van de zenuwen helemaal niet praten,’ zei Hardeman.
‘Jan, maak straks wat extra eten klaar dan kunnen ze mee eten,’
‘Oké, Klaas, dat doe ik.’
Hardeman liep naar de korporaal die de wacht had en zei, ‘Let op deze mensen. Houdt de deur gesloten. En niet schieten en ook niet schieten al ze proberen te ontsnappen. Maar dat zullen ze niet proberen denk ik.’
‘Goed, sergeant.’
Het was bijna ochtend als de groep van Hardeman hun tampatje opzoeken. Behalve Jan Haag. Hij ging alvast naar het kombuis.
Hardeman dacht aan de mensen in de schuur. Ze waren doodzenuwachtig en er waren misschien wel mensen bij die nog nooit een blanke soldaat hadden gezien.

Het was ach uur in de ochtend toen Hardeman van zijn tampatje afkwam. Hij had een zwaar hoofd en hij had slecht geslapen. Dat slapen zou hij vanmiddag wel inhalen. Hij pakte zijn handdoek en rende naar de kali en sprong pardoes in het koude water. Hij was gelijk klaar wakker. De apen schetterden tegen hem. Hij rilde van de kou en wreef zich droog en warm met zijn handdoek. Hij had geen wapen bij zich. Een marinier die de wacht had hield de omgeving in de gaten. De mariniers van de groep van Hardeman lagen nog te slapen. Behalve Jan Haag. Hij trok snel een lange broek aan en ging naar de schuur. Hij wekte eerst een VDMB’er. Deze sliep in een heel klein huisje. Hij klopte op de deur en de deur werd opgedaan door een mooie Javaanse vrouw. Hardeman keek of hij water zag branden. De vrouw had haar sarong hoog opgebonden boven haar borsten. Hij begreep er geen moer van waar deze vrouw vandaan kwam. Het was namelijk verboden vrouwen mee te nemen. Deze vrouw was de vrouw van de VDMB’er. Deze VDMB’er was een blanke Indische jongen. Hij sprak het Maleis en Javaans alsof hij nooit anders gesproken had.. Hardeman vond hem wel een gladde jongen en dat bleek ook dan wel weer. Na zijn verbazing vroeg Hardeman haar,’ Is mijnheer wakker?’
‘Nog niet, mijnheer,’ zei de vrouw met neergeslagen ogen.
‘Maak hem dan nu wakker,’ zei Hardeman .
Het was al niet meer nodig, de VDMB’er stond nu ook in de deuropening.
‘Nu je toch wakker bent kom dan gelijk mee. Ik vannacht mensen meegenomen uit de kampong. Ik wil dat je met ze praat. Waar ze vandaan komen, waar ze wonen waarom ze niet in de kampong zijn,’ zei Hardeman geprikkeld. Hij liep gelijk door naar de schuur.
De VDMB’er ging zijn huisje binnen en kwam even later gekleed naar buiten.
‘Jij bent ook een gladjanus! Niemand mocht een vrouw meenemen en jij ligt mooi achter kaap kont.’ zei Hardeman sarcastisch. Hij had soms wel de pest in aan die VDMB’er. Hardeman had de idee dat deze lieden dachten dat zij anders konden doen dan de mariniers. Dat kwam ook omdat de VDMB’ers altijd buiten de compagnie werkten. Ze werkten vaak alleen. Hoorden wel bij de compagnie. Je had deze mensen hard nodig omdat ze meestal de taal spraken. Ze hadden alleen maar verantwoording af te leggen aan hun commandant. In dit geval dus de adjudant. In feite hoefde de VDMB’er helemaal geen orders aan te nemen van Hardeman. Hardeman had ook de pest in dat hij zijn baboe had meegenomen.
De VDMB’er gaf geen antwoord op Hardeman zei. Hij grinnikte wat en om zijn heel dunne lippen kwam een grijns.
In de schuur zaten de mannen en vrouwen heel dicht bij elkaar. Het was hen niet aan te zien of ze hadden geslapen. Ze keken gespannen naar Hardeman en de VDMB’er. Hardeman was ongewapend de VDM’er ook.
Jan Haag kwam met een grote pan nasi goreng de schuur binnen.
‘Hier is eten voor die sloebers,’ zei Haag.
De VDMB’er zei, ‘Ik ga wat pisang bladeren halen. Ze eten toch met hun handen.’
‘Eerst maar eten en drinken. Dan komen wij met jullie praten,’ zei de VDMB’er in het Javaans. Ze keken vreemd naar hem op. Een blanke die Javaans met hen sprak.
‘We laten ze maar even alleen dan kunnen ze rustig eten,’ zei Hardeman, ‘’ ze zijn zenuwachtig genoeg.’
Wat later toen Hardeman en de VDMB’er weer in de schuur kwamen merkten zij dat ze alles hadden op gegeten. Ze hadden kennelijk honger gehad. Alles was schoon op. Meestal liet de Indonesiër wel iets over. Ze vonden het niet netjes alles op te eten of te drinken.
Wijdeden vriendelijk tegen hen en gaven hen sigaretten. Ze pakten de sigaretten aan maar keken niet op en zeiden niets.
‘Wonen jullie in een van de kampongs,’ vroeg de VDMB’er.
‘Waarom zijn jullie niet in de kampongs?’
‘Ja, mijnheer. Wij wonen in een kampong ongeveer een uur lopen van hier,’’ zei een van hen.
‘Wij gaan ’s nacht naar de kampong om voedsel te halen want wij durven niet in de kampong te blijven,’ ging de man verder.
‘Waarom zijn jullie gevlucht,’ vroeg Hardeman.
‘Wij zijn bang voor de blanke soldaat. Zij zullen ons doodschieten,’ zei een ander.
‘Wie heeft jullie dat verteld?’
‘De tentara,’ mijnheer.’
‘Zit hier in de omgeving veel tentara,’ vroeg de VDMB’er
Er werd geen antwoord gegeven op deze vraag en men deed schichtig.
‘Zit hier veel tentara,’ vroeg VDMB’er weer.
‘’Ja, mijnheer. Heel veel mijnheer. Toen de Nederlanders kwamen zijn ze gevlucht en hebben veel huizen in brand gestoken.’
‘De tentara heeft ons verteld dat de Nederlanders onze vrouwen verkrachten en de borsten zullen afsnijden. Als wij onze niet willen verlaten worden we weggejaagd door de tentara.’
‘Hebben jullie Nederlanders gezien die jullie vrouwen hebben verkracht en de borsten hebben afgesneden?’ vroeg de VDMB’er
‘Nee mijnheer, maar wij zijn we lerg bang.’ Het zijn alleen de mannen die antwoord geven. De vrouwen keken naar de grond maar zeiden niets.
‘Willen jullie terug naar de kampong?’
‘Ja tuan.’
‘Zeg dan tegen jullie familie en andere bewoners van de kampongs dat jullie terug kunnen komen om de sawa’s te bewerken.. De Nederlanders zijn er om jullie te beschermen. Jullie moeten allemaal terugkomen,’ zei de VDMB’er.
‘Ja mijnheer.’
‘Het heeft weinig zin om deze mensen vast te houden. Laat ze maar gaan en laat ze zeggen dat er niets aan de hand met de Nederlanders,’ zei Hardeman.
De VDMB’er verteld wat Hardeman heeft gezegd. Ze keken ongelovig. Ze kregen nog wat sigaretten maar bleven gehurkt zitten. Ze vertrouwden het kennelijk niet.
‘Gaan jullie maar naar huis. Jullie mogen ook naar jullie sawa’s.’’
De VDMB’’er bracht ook nu weer over wat Hardeman had gezegd..
Een paar mannen stonden op en keken ongelovig naar Hardeman en de VDMB’er.
‘Ga naar huis,’ zei Hardeman vriendelijk
De mannen stonden met elkaar te praten en nu stonden de vrouwen ook op. Hardeman legde zijn hand op de schouder van een van de mannen en drukte hem zachtjes de deur uit. De vrouw van de man hield hem aan de arm vast. Toen ze allemaal buiten stonden knikten ze allemaal naar Hardeman en de VDMB’er. Ze waren heel schuchter. Ze begonnen van de schuur weg te lopen.
Ze liepen zonder om te zien naar de weg buiten de post en daar begonnen ze zich te versnellen. Wij wisten niet of ze naar de sawa’s gingen of naar hun kampong. Thuis zouden ze veel te vertellen hebben over die blanken. Misschien vertelden ze hen wel dat die blanken niet zo slecht waren.
De VDMB”er ging terug naar zijn huis en Hardeman ging naar de adjudant. Hij vertelde hem wat hij gedaan had.
‘Dus ze zijn nu weer weg. Laten we hopen dat zij een gunstig beeld geven van ons. Misschien helpt het om het vertrouwen in ons te herstellen. Goed, Hardeman, je wordt bedankt,’ zei de adjudant.

  Drie keer per week moest er brood op een bepaalde plek gehaald worden.. Het was bijna 20 uur lopen heen en terug. Het bleek mogelijk om met een truck een eind te rijden via een andere weg in de richting naar Oemboelsari. De rest moest gelopen worden. De AG groep van Hardeman kreeg de opdracht om ervoor te zorgen dat het brood werd gehaald. Hardeman wees Willem Lips aan om met zijn AG ploeg zorg te dragen dat het brood werd gehaald. Willem Lips werd ook wel Willem de Lip genoemd omdat zijn bovenlip een misvormd was.
Hardeman zelf ging de eerste keer mee. Een paar knechten van onze gastheer gingen ook mee. Zij moesten de mand met brood aan een pikolan dragen. De broodpatrouille liep vlak langs de zuidkust. Het was niet heuvelachtig. Wel erg warm de zon scheen de hele dag op je lichaam. De ploeg Willem Lips deed het met plezier. Patrouille lopen was voor hen geen probleem meer. Een nacht sliepen ze ergens.  Van de groep van Hardeman was niet veel meer over.  Jan Haag met zijn ploeg was dagelijks druk in het kombuis. Hartong deed met zijn ploeg de wachtdienst. De andere twee AG groepen deden het dagelijkse patrouillewerk en of wachtlopen. Hardeman had Willem Lips gezegd dat hij geen vuurcontact mocht maken met de ploppers.  Hij moest contact met ze zoeken. Er was een staakt het vuren periode dus dat moest kunnen. Willen Lips sprak het Maleis vrij goed. Als kleine jongen was hij voor de oorlog al in Indië geweest omdat zijn vader ook marinier was geweest, voor de oorl0g dan.


  ‘Klaas, ik ben door het vlees heen,’ zei Jan Haag
‘Ik heb mij al afgevraagd hoe jij toch steeds aan het vlees kwam,’ zei Hardeman.
‘Niet lulle, Klaas. Ik heb steeds wat kunnen ritselen. Dat hoeft onze gastheer niet te weten. Maar nu lukt het niet meer,’ zei Haag.
‘Oké, mij hoor je niet meer over vlees. Maar wat wil je dan dat er dan gebeurt?’
‘Kan ik niet eens gaan kijken of er ergens anders iets te ritselen valt? Je weet wel onderweg kwamen wij veel varkens tegen. Die zullen er nog wel lopen. Als ik daar nou eens ga kijken?’
‘Goed, ik ga het de adjudant vragen. Maar het is te ver weg om er met vier man heen te gaan,’ zei Hardeman.
‘Laat het niet te lang duren, Klaas.’
Hardeman ging direct naar de pelotonscommandant  en zei hem dat het vlees op was. Hardeman stelde voor een patrouille voor naar de plaatst waar die varkens gelopen hadden. De adjudant had geen bezwaar. Hardeman moest wel met Bolhuizen overleggen om een groep te formeren. Bolhuizen had geen bezwaar. De volgende morgen ging Hardeman met de groep op stap om varkens te halen. Het was een flink eind lopen en tegen de middag kwamen ze bij de plaats waar de varkens nog steeds rondliepen.  Onderweg geen ploppers gezien. Er liepen ook veel biggen. De varkens hadden flink hun best gedaan om voor nakomelingen te zorgen.
‘Di varkens neuken wat af,’ zei een marinier.
Ja, meer dan wij. Ik heb al weken geen vrouw gezien en nog minder aangeraakt,’ zei Wolters.
‘Dat die varkens jullie nou op die gedachten moet brengen. Jullie zijn zelf net een stel varkens,’’ lachte Jan Haag.
‘Hijwel! Of jij er geen pap van lust. Jij staat ook liever tegen een vrouw aan dan tegen een rol prikkeldraad,’ zei de marinier.
‘Dat is waar. Maar nu heb ik liever een varken al as het maar om op te schaften,’ zei Jan Haag.
‘Laten we maar proberen zo’n big te vangen, die douw ik dan helemaal in de soep,’ ging Haag verder.
‘Probeer ook een volwassen varken te schieten. Die snijden we aan stukken en enmen we op onze rug mee terug,’ zei Lammers.
‘Jij kan wel een heel varken op je rug dragen,’ lachte Hardeman
‘Daar heb je de sergeant weer, gelijk proberen om zich te drukken. Maar daar komt geen moer van in,’ zei Lammers quasi sarcastisch.
‘Nou, dat is goed jongen. Dan draag ik z’n oren wel,’ zei Hardeman.
‘Ja, die heb jij wel nodig met die kleine oortjes van je,’’ zei een marinier.
‘Nou, kom op. Wie schiet er een varken naar het hiernamaals,’ vroeg Lammers.
Hardeman zei tegen een marinier van de andere groep, ‘Schiet jij maar.’
‘Wacht even,’ riep Jan Haag, ‘ Ik moet eerst een big vangen. Als jullie schieten dan is alles verdwenen.’
Een big liet zich niet zo makkelijk vangen na een half uur had Haag zijn big gevangen. Het beest schreeuwde als een wilde varken en stribbelde fel tegen. Ook de andere biggen schreeuwde het uit. De gevangen big gaf het geschreeuw op.
‘Kom, schiet er een. Maar schiet hem in zijn kop. Als je hem in zijn bil raakt heb je er niets aan,’ zei Hardeman.
‘Dan zal ik dat varken nemen met die grote kop. Die kan ik nooit missen,’ zei de marinier lachend.
De legde zijn wapen op een hek en wachtte tot er een flink varken kwam aanlopen. Hij richtte even een knal een gil en een dood varken..
‘Verrek, man. Jij kan nog goed schieten. Het was wel opgelegd maar goed je had ook al een poosje niet geschoten,’ zei Lammers plagerig.
Jan Haag had het varken de keel al doorgesneden en het bloed golfden uit de opengesneden keel..Toen het bloed er uit was sneed Haag het varken open vanaf de keel tot het kruis en trok de ingewanden uit het varken. Jan haag kon alles. Zelfs de endeldarm sneed hij uit het varken. Het scheelde ook nog in het gewicht. De hoeveelheid darmen en de maag was ook nog een heel gewicht.
‘Ik ben klaar, Klaas,’ zei jan haag. Het zweet gutste van zijn lichaam.
‘Jezus, Jan, jij kan ook alles,’ zei Hardeman verbaasd.
‘Klaas, je kan het niet zo gek maken maar ik doe het voor je. Maar ik weet zeker dat er een ding is dat liever zelf doet. Je mag twee keer raden wat ik bedoel,’ lachte Jan Haag.
‘Goed, Jan. Ik raad er nog wel eens een keer naar. Laten we nu maar weer terug gaan naar de post. Wie weet hoeveel ploppers ons staan te beloeren,’ zei Hardeman.
‘Als ze ons maar niet lastig vallen dan vind ik het best,’ zei Lammers, ‘ Daarbij heb ik het nu veel te druk met dat stuk varken op mijn rug. En ik weet niet of jullie het gezien hebben, ik heb wel het zwaarste stuk op mijn rug.’
‘Je eet er straks ook het meeste van op,’ zei Jan Haag.
‘Kom op. Anton,’ zei Hardeman,’ neem jij de BAR van Lammers op je bult. Jij hebt de mooiste bult van ons peloton.’
‘Eigenlijk moeten we de pest in hebben dat jij sergeant geworden bent. Je schuift tegenwoordig alles van je af. En ik ben nog wel je maatje.’
‘Anton, er kan er maar een de leiding hebben en dat ben ik,’ zei Hardeman.
Bijna twee uur later kwam de patrouille terug op de post. Ook nu weer geen last van de ploppers. Juichend werden we ontvangen. De mariniers gaven klappen op de dikke stukken vlees.
‘Eindelijk weer eens klap op een bil,’ zei een marinier
Jan haag had de big steeds op zijn schouder gedragen. Nu sneed hij het dier de keel af. Hij maakte het schoon en verwerkte de hele big in de erwtensoep.
‘We moeten er wel voor zorgen dat we vlees gaan halen,’’ zei Jan Haag.
‘Daar zorgen we voor, Jan.’

Op een ochtend kwam er een groep terug  van patrouille. Ze waren ’s nachts op pad gegaan. Toen ze bijna bij de post terug waren zagen ze een aantal buffels staan. De beesten stonden te grazen. Een marinier die dacht dat hij wel eens voor vlees kon zorgen schouderde zijn geweer en schoten een buffel op een afstand van zo’n vijfenzeventig door de kop. Het beest valt ter plaatse neer.  Een schot van een andere marinier trof een andere buffel in de bil. De buffel brult als een buffel maar blijft gewoon staan. Juichend en lachend rende de mariniers naar de gedode buffel. Er was vers vlees. Bij de buffel aangekomen zagen ze pas wat een berg vers er lag. Meenemen ging moeilijk. Maar ze zijn niet ver van de post.
‘Laten we korporaal Haag waarschuwen. Die weet er wel raad op. Hij snijdt het beest aan stukken en wij sjouwen het naar de post,’ zei een marinier. Vier mariniers bleven bij het gedode beest en de rest ging terug naar de post. De gewonde buffel bleef vervelend staan loeien. Kinderachtig gedoe met zijn klein kogeltje in je dikke bil. Maar een kogel van 7,62 mm in je bil zit niet lekker. Toen de mariniers op de post aankwamen gingen ze gelijk Jan Haag waarschuwen.
‘Korporaal we hebben een wilde buffel geschoten. Hij ligt hier niet ver vandaan,’ zei een marinier.
‘Dat is hartstikke mooi. Ik heb vlees nodig. Wacht, ik pak een mes dan kan ik dat beest aan stukken snijden. Laat nog een paar mariniers komen helpen,’’ antwoordde Jan Haag. Hij was al helemaal in actie.
Op dat moment kwam de gastheer op het erf en hoorde de mariniers praten over een dode buffel.
‘.Wacht even, ik loop met jullie mee,’ zei de man.
Gezamenlijk liepen de mariniers met de man mee. De andere mariniers lagen bij de dode buffel te wachten. Met gejuich werd Jan haag ontvangen, ze klopten hem op de schouder.
‘Korporaal, is dat niet effe een geluk dat we deze wilde buffels tegenkwamen. Ik schoot hem regelrecht in zijn kop,’ zei een marinier lachend.
Onze gastheer stond bij de dode buffel en zei, ‘ Deze buffel is van mij. Het is geen wilde buffel maar een tamme buffel. Ik heb trouwens ook nooit een wilde buffel met een ring door zijn neus gezien,’ de stem van de man klonk nogal sarcastisch. Maar verdomd, de buffel had een ring door zijn neus en daaraan ook nog een stuk touw van zo’n dertig centimeter. Door het enthousiasme hadden de mariniers niet eens in de gaten gehad dat het stomme beest een ring in de neus had. Of wilden ze het niet zien. Ze zeggen wel eens dat mariniers stom konden kijken. Nou, het was waar, mariniers konden goed stom kijken..
‘’U begrijpt wel heren dat ik de schade op u zal verhalen,’ zei onze gastheer plechtig, ‘’ U hebt geluk dat die andere buffel niet dood is. De kogel is dwars door de dikke bil heen gegaan. Dat zal wel weer genezen.’
De mariniers stonden nog met stomheid geslagen te kijken. Wat een komedianten.
De groepscommandant had zich nergens mee bemoeid maar hij zat er wel mee. Hij had de mariniers nooit mogen laten schieten op die beesten. En daarbij was het verboden om te schieten. Ook op beesten mocht niet worden geschoten. Het was bekend dat er niets geschoten mocht worden.
‘Ik zal er voor zorgen dat u uw geld krijgt. Het is vervelend dat het is gebeurd. Verteld u maar wat het beest moet kosten,’ sergeant De kruik wist ook niet meer te zeggen.
‘Goed sergeant, ik zal het beest laten weghalen. Ik zal hem verder laten slachten,’ antwoordde onze gastheer.
De mariniers gingen terug naar de post. Even later was er een grote hilariteit. Wat er zich verder in het huis afspeelde is onduidelijk voor de verteller. Er werd lang gelachen maar dat verstomde wel toen met hoorde wat een behoorlijke som geld er moest worden betaald.

Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 10:02
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 10:02
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7557 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Reactie #1 

Door: han_ewijk op 10/06/2009 @ 21:36

woon in de A W Lipsstraat in Oud Beijerland.

weet dat hij in 1948 is omgekomen.

wie was hij en zijn er afbeeldingen van hem


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 622544 Bezoekers

 5 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^