Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pètjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 25

Mijn verhaal - Nederlands Indië 25

  ‘Klaas, maak je groep klaar voor een patrouille. Ik ga zelf mee,’ zei sergeant majoor Wikkers die het huis kwam binnen lopen.
‘Goed majoor. Over een kwartier zijn we klaar. Ploegscommandanten, jullie hebben het gehoord. Over een kwartier vertrekken,’ riep Hardeman.
Het was nog vroeg in de ochtend en niet zo warm nog. Een kwartier vertrok de patrouille. Het was een routine patrouille.
‘Een kilometer verderop is een kali en daar moesten krokodillen in zitten. Dat wil ik wel eens zien.
‘Krokodillen? Dat lijkt mij sterk. Er zijn hier toch geen krokodillen meer?’ zei Hardeman.
‘Dat dacht ik ook. Maar onze gastheer zei dat hier nog krokodillen leven,’ zei Wikkers.
De patrouille liep op zijn gemak naar de kali. Het gebied was vlak. Geen mens was er te zien. De bewoners waren nog steeds niet terug gekomen. Na een uur lopen kwamen we bij de kali aan. De walkanten waren zwaar begroeid. Je kon merken dat hier nooit iets gedaan was aan het snoeien van de walkanten. Er was stroming in de kali maar deze werd gestremd door allerlei obstakels die in de kali lagen. Boomstammen die tegen elkaar waren aangedreven en niet meer losraakten en de rotzooi opeen hoopten. De kali was een meter of vijf breed. Aan de kant waar wij liepen was een glibberig glad en smal pad. Het was een kali waar krokodillen zouden kunnen leven. Wij liepen achterelkaar langs de kali. We liepen wel voorzichtig. Niemand voelde er iets voor in de kali te belanden. Af en toe werd er halt gehouden om de kali af te speuren. Maar er was geen krokodil te bespeuren. Als we zo ongeveer een vijfhonderd meter langs de kali hadden gelopen dacht een marinier iets te zien dat op een krokodil leek.
‘Majoor, kijk daar eens, daar ligt iets dat op een krokodil lijkt,’ riep de marinier.
Wij stonden allemaal bij elkaar in de kali te kijken. Inderdaad, het leek op een krokodil.
‘Gooi eens een paar kluiten zand in de richting,’ zei Wikkers.
Er werden wat kluiten zand in de richting van het ding gegooid Maar er was geen beweging. Toch zou je zweren dat het een krokodil was.
‘Ik zal er eens met mijn karabijn op schieten,’ zei Wikkers.
‘Denk u er om dat er niet geschoten mag worden, majoor,’ zei Hardeman.
‘Ja Klaas. Dat weet ik. Maar we zullen best in de gaten gehouden worden.,’ zei Wikkers.
Hardeman zei er verder niets op.
Een scherpe knal golft over de kali, dan nog een en nog een. Maar er gebeurt niets.
‘Het is vast geen krokodil anders had dat beest wel met zijn staart geslagen of iets dergelijks,’ zei Leo van der Noot.
‘Ga jij eens kijken,’ lachte Wikkers.
‘Ja, ik ben belazerd.’
‘Zouden die kogels afgeschampt zijn van de harde huid. Er word beweerd dat de huid van een krokodil pantserhard is, zei een marinier.
‘Ik snap er geen moer van. En ik ga voor geen geld die kali in,’’ zei Hardeman,  ‘Het water is mij te troebel. Net water voor krokodillen. Nee, mij krijg je het water niet in.’
Toch geloof ik dat er krokodillen in deze kali zitten. De kogels zijn gewoon van de pantserhuid afgeketst.’
‘Nou, ik weet het niet. Laten we maar doorlopen,’ zei Wikkers.
De patrouille zette zich weer in beweging en liep langzaam het glibberige pad af.
‘Verdomme, hé,’hoorde Hardeman achter zich roepen. Hardeman keek om en zag het lange lichaam van Wikkers in de kali vallen. We schieten allemaal in de lach. Maar de mariniers werden gelijk stijf gescholden door de majoor.
‘Sta godverdomme niet zo stom te lachen, help mij liever uit de blubber,’ riep de majoor.. Hij stond tot zijn borst in het water en het druipt van zijn gezicht. Wij liepen snel naar de majoor en elkaar vasthoudend probeerden we de majoor uit het water te  trekken. Niemand voelde er voor ook nog in de kali te vallen.
‘Kom op, trek mij uit het water.’ De majoor had goed de pest in. Hij probeerde zelf ook op de wal te klimmen geholpen door twee mariniers. Andere mariniers hielden de twee mariniers weer vast.
‘Sta niet zo stom te lachen, Klaas,’ griept de majoor. Hardeman draaide zijn gezicht af.
‘Mijn karabijn ligt ook nog in de kali. Die moet er wel uitgehaald worden,’
‘Ik ga de kali in en probeer de karabijn uit het water te halen’ zei Leo van de Noot.
‘Dan ga ik met je mee,’ zei een ploegmaat. De mariniers kleden zich uit en gaan naakt de kali in..
‘Houdt de wapens schietklaar mocht er toch krokodillen in de kali. Als dat zo is schiet dan op de ogen of op de geopende bek,’ zei Wikkers. Hij stond druipend te kijken en zat dik onder de modder. De mariniers laten zich in het water zakken en duiken onder. Niemand maakte nu nog een grapje. Men hield het water in de gaten, je wist maar nooit.
Van der Noot kwam proestend boven, ‘Het is een behoorlijk modderig zooitje.’
Hij had geen karabijn.
De andere marinier kwam ook boven water. ‘Ik voel niets majoor.’
‘Nou, duik nog maar eens,’zei de majoor.
Na een enkele minuut kwamen de mariniers weer boven water. Maar nog steeds geen karabijn.
‘Houden jullie die krokodillen wel in de gaten ,’ riep Van de Noot
‘Je hoeft niet bang te zijn dat je in de broek schijt want je hebt geen onderbroek aan,’ riep een marinier lachend. Enige hilariteit ontstond. ‘
‘Sta verdomme niet zo stom te lachen met z’n allen. Kom, zoek die karabijn.’ Riep de majoor weer. Hij was witheet. Hardeman wist dat hij flink de pest in had dat het hem was overkomen. Hij voelde zich goed voor paal staan.
In de kali was helemaal geen beweging te zien van enige krokodil. Alleen waar de mariniers onderwater waren gegaan was beweging. Een bruine golf van blubber komt naar boven en dan de loop van de karabijn dan het gezicht van Van der Noot. De andere marinier kwam ook boven water, en riep proestend,’ Ik voel geen moer.’
Hij stond met zijn gezicht van de kant af.
‘Het is niet meer nodig. Kom het water uit,’ riep de majoor opgelucht. ‘Leo ik ben blij dat je de karabijn hebt gevonden. Bedankt. Kom snel uit die blubberzooi.’
De beide mariniers werden op de kant getrokken en onder de blubber stonden zij naakt  aan de kant van de kali.
‘Jongens, bedankt dat jullie die karabijn naar boven hebben gahaald. Het was niet mooi geweest als je hier je karabijn kwijt zou raken. Kom, kleed je aan. We gaan terug naar de post. Jullie moeten niet te lang in die blubber rondlopen,’ zei de majoor.
‘We hebben  het hier wel gezien, behalve krokodillen,’ zei Hardeman.
‘Ik denk dat die boer spoken heeft gezien,’ zei een marinier.
De patrouille boog zich af van de kali en ging terug naar de post. Onderweg werd er smakelijk gelachen. Ook Wikkers kon er niet om lachen. Een uur later stonden wij in de kali om ons te wassen. De apen in de bomen schetterde het uit en ken naar de onbehaarde apen onder zich.

  ‘Sergeant, u moet u in de looppas melden bij de pelotonscommandant,’ zeo Lammers, stram in de houding staand.
‘Wat doe jij spastisch,’ vroeg Hardeman.
‘U moet u melden bij de pelotonscommandant,’ ging Lammers verder, ‘ In de looppas.’
Geintje van Lammers. Moet je hem daar zien staan met zijn dikke kop. Opgeblazen als een kikker
‘Doe maar weer gewoon, ik ga al,’ zei Hardeman.
‘Gelukkig, want dat kazerneachtige gedoe is niks voor mij,’ zei Lammers.
De luitenant, de adjudant en sergeant majoor Wikkers ztaen bij elkaar toen Hardeman zich meldde.
‘Ja, Hardeman kom binnen en ga zitten. We moeten even met elkaar praten,’ begon de adjudant.
‘Het gaat om het volgende. De Kruik gaat binnenkort thuisvaren en daardoor hebben wij een nieuwe groepscommandant nodig.. Deze groepscommandant moet uit ons peloton komen. De korporaals die er voor in aanmerking komen zijn Haag en Lips. Van jou wil ik horen wie er  in aanmerking komt.’
‘Dat is nogal wat, adjudant. Moet ik dat beslissen,’ blies Hardeman..
‘De uiteindelijk beslissing ligt bij mij. Maar jij kent deze mensen het best.’’
‘Klaas, jij kent deze mannen het best. Je bent met ze opgekomen. Je hebt ze tijdens hun diensttijd hier en tijdens de eerste actie meegemaakt. Jullie zijn altijd bij elkaar. Elke minuut van de dag moet je met ze werken,’ zei Wikkers.
‘Jan Haag is mijn beste vriend en Lips is een goede maat. Dat moet ik wel gescheiden houden,’ antwoord Hardeman.
‘Daar moet je wel aan denken,’ zei de adjudant, ‘Luister Hardeman. Het is voor een doodsimpel een keus te maken. Maar ik wil de beste marinier hebben.’
‘Ik ken ze allebei erg goed. Vanaf de eerste dag dat we in diens kwamen. Maar het is duidelijk dat ik verschil maak tussen een vriend en een goede maat. Daar moet ik even over nadenken. Mag ik er een dagje over denken, adjudant,’ zei Hardeman.
‘Oké. Morgen moet ik het weten anders neem ik zelf een beslissing.’
‘Goed adjudant,’
‘Klaas, denk er goed over na,’ zei Wikkers.
De luitenant had alleen zitten luisteren en niets gezegd. Hardeman liep naar zijn huis terug. Hij vond het erg moeilijk om een keus te maken. Jan Haag en Lips wilden allebei graag sergeant worden. Maar Hardeman wist dat beide mensen heel verschillende mariniers waren. Hij zou er eerst eens goed over nadenken.
Toen hij binnen kwam zaten zijn mariniers rond de tafel.
‘Was er iets bijzonders, Klaas,’ vroeg Lips.
‘Nee, niets bijzonders,’ antwoordde Hardeman ontwijkend.
Hardeman ging op zijn tampatje liggen en hield zich buiten de grappen grollen van zijn mariniers. Zijn gedachten gingen uit naar de opdracht die hij had gekregen. Jan Haag was een heel goede vriend van hem. Hij kon goed met zijn mensen omgaan. Hardeman kon zonder meer op hem vertrouwen. Hij was een goed marinier. Jan Haag was een paar jaar ouder dan Hardeman. Hij kon overal om lachen. In het veld was hij niet bang. Hardeman mistte wel iets bij Haag, maar wist nog niet wat.
Hardeman zou ook niet graag willen dat Jan Haag zijn groep zou verlaten. Maar daar mocht hij geen rekening mee houden. Jan Haag zou ook altijd zijn mensen verdedigen ook wanneer ze fout waren. Ondanks dat Hardeman een paar jaar jonger was dan Jan Haag zou hij nooit commentaar geven bij opdrachten die Hardeman aan zijn mensen gaf.
Willem Lips was een branieachtige vent. Hij sprak vrij goed Maleis omdat hij voor de oorlog al in Indië was geweest. Lips was brutaler, echt een Rotterdamse jongen. In het veld goed. Niet bang. Kwam ook voor zijn mensen. Maar hij was wel De korporaal der mariniers.. Hij had zijn mensen flink onder de duim. Jan Haag was te vaderlijk. Lips was dacht Hardeman in het veld als het op vechten aankwam radicaler. Hardeman zou Lips voor dragen als tijdelijk sergeant der mariniers. Maar liever had hij Jan Haag voorgedragen.
De volgende dag ging Hardeman naar zijn pelotonscommandant en zei hem dat hij had besloten korporaal Lips voor te dragen.
‘Goed, ik ga op jouw advies af. Ik zal de voordracht5 door sturen naar de compagnie. Je wordt bedankt,’ zei de adjudant. Hij vroeg niet waarom. Hij nam zonder meer het advies over.

Ondanks het feit dat er veel ploppers in de omgeving zaten van Oemboelsari gebeurde er niets bijzonders. Er was geen enkel contact geweest met de ploppers. Er werden ook geen huizen meer in brand gestoken. De kampongbevolking was nog steeds niet teruggekeerd naar hun kampongs. Wij wisten dat ze ’s nachts naar hun kampong gingen. Tijdens onze nachtpatrouilles hielden wij hen aan en brachten ze naar de post. De volgende dag werden ze verhoord. Daarna konden ze weer naar huis. De VDMB kreeg nooit berichten van de mensen. Wij begrepen wel dat de ploppers de mensen onder druk hielden en ze niet naar de kampong liet terugkeren. De kampongbevolking was bang omdat ze de Nederlanders niet vertrouwden. Wij deden ons best om dat vertrouwen wel te krijgen maar het lukte ons niet.

  Willem Lips kwam het huis binnenlopen en zei,’ Klaas, je moet je melden bij de adjudant’
’Bedankt Willem.’
‘Goedemiddag adjudant,’ zei Hardeman toen hij bij de adjudant binnenstapte.
‘Ja, Hardeman ga zitten. Over een paar dagen gaat jouw groep terug naar Pasirian. Jullie gaan voor een paar dagen met verlof naar Soerabaja. Je moet al je spullen meenemen. Ook een gedeelte van de munitie. Je hebt hiervoor dragers nodig, die zal je moeten zien te krijgen door een paar nachten op patrouille te gaan. Elke kerel die je tegenkomt moet je hier brengen en vasthouden. Als je er genoeg hebt dan kan je vertrekken. Bekijk het maar, doe je best.’
‘Begrepen adjudant. Ik ga vanavond op patrouille.’
Hardeman ging terug naar zijn huis en vertelde aan zijn mensen dat zij teruggaan naar Pasirian. En dan een paar dagen naar Soerabaja.
‘Wij gaan zo spoedig mogelijk terug naar Pasirian. En vandaar uit naar Soerabaja, met verlof.
Vanavond gaan we op patrouille en proberen een aantal kerels  op te pakken die wij als dragers gebruiken. Ik moet minstens twaalf dragers hebben. Jan haag blijft thuis. Ik kan het wel af met twee groepen.’
‘Ik hoop dat we snel onze dragers bij elkaar hebben dan kunnen we gauw weg,’ zei Willem Lips.
‘Ik heb best zin om een paar dagen naar Soerabaja te gaan,’ zei Pietje Mollema, alias de Muis Pietje had een spichtig gezicht vandaar de naam. Hij was een echte Amsterdammer en beroepsmarinier. Het was een vrolijke  kerel die altijd zijn woordje klaar had. Door wat verschuivingen was hij in de groep van Hardeman terecht gekomen.
‘Ik zou best weer eens plat willen,’ zei de Muis, zijn spitse kin naar voren stekend.
‘Ja, dat is oefenen. Ik wil er straks wel iets onder hebben liggen,’ grinnikt de muis.
‘Jij denkt alleen maar aan plat gaan en je vol laten lopen met pils,’ zei een marinier.
‘Nou, iets mooiers is er niet in de tropen. Na hard werken een glaasje pils en dan lekker uitrusten,’ ging de muis verder.
‘Nou, muis,  niet te flink doen,als wij in Soerabaja binnenvallen  dan zullen wij je helpen erop te tillen,’ viel Willem Lips bij.  Pietje Mollema slaat van pret op zijn knieën en schatert het uit. Zijn mond staat open.’
‘Jullie hoeven mij nergens op te tillen dan kan ik zelf wel. En snel aan- en uitkleden heb iki bij het korps geleerd. En dan duik met mijn Amsterdams kontje…….
‘Op een mooi blondje,’ vulde Willem Lips aan.
‘Nou, die blonde meisjes in Soerabaja lopen allemaal met een kuisheidsgordel aan en wij mariniers vallen bij die meisjes niet in de pul. Je moet dan olieboer of suikerbeer zijn,’ zei Van der Noot.
‘Ik heb geen blondje nodig. In Soerabaja weet ik genoeg mooie meiden,’ zei Mollema, hij liet zich niet van de wijs brengen.
‘Ja, op Wonokitri zeker. En die meiden liggen meer dan dat jij loopt en jij hebt al heel wat afgelopen, maat.’
‘Het kan mij geen moer schelen. Laten we maar snel proberen kerels te vangen dan kunnen we snel hier weg en naar Soerabaja gaan. En dan!!’ De muis keek met zijn bolle ogen omhoog en liet zich achterover op zijn tampatje vallen.
‘Oké mannen, zorg ervoor om acht klaar te staan,’ zei Hardeman.
  Om acht uur vertrekt Hardeman met zijn patrouille. Ze liepen door de kampongs die ze intussen goed kende. Van de bevolking was nog steeds niet te bekennen. De mariniers spraken niet. Dat waren ze gewend tijdens deze patrouilles. Uren liepen ze door de kampongs zonder een mens tegen te komen. Omstreeks half vijf in de ochtend kwamen ze terug op de post. Ze hadden geen dragers gevangen.
‘Verdomme, dat was een klote nacht. We hebben mooi voor joker gelopen,’ griepte Mollema.
‘Rustig aan muis, we komen heus wel in Soerabaja,’ zei Hardeman.
De mariniers gingen zich eerst baden in de kali en daarna lagen ze op hun tampatje.
Het was al ver in de ochtend als ze mariniers van de groep Hardeman wakker werden. Het was erg warm.
‘Kom op, we gaan kijken of Jan haag nog wat te eten heeft voor ons,’ zei Willem Lips.
‘Na het eten wapenonderhoud en vanavond om acht uur klaar voor de volgende patrouille,’ zei Hardeman.
De rest van de dag werd er weinig gedaan. We zwommen in de kali en we pesten de apen. De apen konden niet goed wennen aan de onbehaarde wezens onder hen. De mariniers dolden in het water en harder de menselijke geluiden hoe harder de apen schetterden.
’s Middags lagen de mariniers weer op hun tampatje en was het rust in huis.
‘Kom van die tampatjes af, Het is nu mooi geweest,’ schreeuwde Hardeman. Hij zat op de rand van zijn tampatje en keek naar de mariniers. Een hoop gekreun maar niemand stond op.
‘Schiet op, trekhonden. Kom uit je voddenbaal,’ schreeuwde Hardeman weer.
‘Maak niet zo’n lawaai. Je lijkt wel een 1665’er,’ kreunde de muis.
‘Sta niet op je strepen, man’
Langzaam kwamen de mariniers overeind. Ze waren zo duf als een konijn.
‘Hoe lang hebben we nu al geen pilsje gehad. Ik weet niet eens meer hoe bier er uit ziet,’’ zei de muis met open gezakte mond.
‘Man, schei uit over bier. Je foltert ons. Het enige wat we kennen is lem-lem en daar worden we ook niet ruig van. We hebben nu al in weken geen vrouwen meer gezien, behalve dan de vrouwen die we ’s nachts in de kampong oppakken. En daar kan je ook niets hards van krijgen. Al weken geen vrouwen. Jezus, wat een leven. Als er een pater hier was dan werden we allemaal tot koorknaap gewijd,’ zei een marinier.
‘’Zit niet te zeiken man. Kom van dat tampatje af. Over een paar dagen kunnen we ons in Soerabaja vol laten lopen met bier. En als je in Soerabaja naar de hoeren gaat dan kom je vanzelf de pater of dominee tegen en neem maar van mij aan dat je dn niet meer gewijd wordt. Je zal dan zeker een zedenpreek moeten aanhoren,’ zei Hardeman.
‘Oh, wat zal ik blij zijn als het zover is. De vlop of de vlam voor de kampongdeur wachtend tot ik klaar ben met mijn karwei. En dan met neergeslagen ogen naar de marinierskantine en me vol laten lopen met gerstenat,’ zucht de muis.
‘Schiet op man, ga je mandi in de kali. Dan koel je wat af. Je moet je zelf eens zien zitten met je afgezakte klus,’ zei Hardeman.
‘Pas maar op dat de spiegel niet barst als je er in kijkt,’ antwoordde de muis.
Hardeman liep grinnikend weg met zijn handdoek over zijn schouder. Hij ging naar de kali. Al snel stonden de sterke naakte lichamen van de mariniers in de kali.
Het is bijna acht wanneer de patrouille van Hardeman vertrekt. Ze hoopten nu meer geluk te hebben. Hoe langer het duurde voordat ze mannen te pakken hadden hoe langer ze op Oemboelsari moesten blijven. Hardeman had ook wel zin om weer eens een paar dagen in Soerabaja door te brengen. Dan kon hij zich weer eens vol laten lopen met bier. En misschien waren er nog andere zaken van plezier.
De patrouille verplaatste zich rustig zonder veel geluid te maken. Het was zwoel en vochtig. Hun kleding was weer nat van transpiratie. Het was net over een natte deken over je heen viel.
‘Stil! Ik hoor gemompel,’ zei kamers. Hij liep voorop en Hardeman achter hem. De patrouille hield halt en zij lagen aan de zijkanten van het brede kampongpad. Het gemompel was duidelijk te horen. Ook het geschuifel van de blote voeten. Ineens liepen ze tussen ons in. Ze schrokken zich dood. De mariniers stonden rondom hen heen. Ze stonden zicht tegen elkaar aan.
‘Zitten’ riep Hardeman.. De mensen hurkten snel nee. Niemand zei iets.
‘Fouilleren, zei Hardeman.
Twee mariniers zochten in de manden en voelden aan de lijven en tussen de sarongs. Maar ook nu werd er niets gevonden aan wapens of kapmessen. Wel hadden de vrouwen weer hun ani-ani  in hun haarwrong. Het waren weer mensen uit de kampong die op weg waren om rijst te snijden. Er zaten vijftien mannen en vrouwen bij elkaar. Aan de mannen hadden we voldoende. We namen de mannen en vrouwen mee naar de post.
‘Jullie gaan met ons mee. Wees niet bang er gebeurt niets met jullie,’ zei Hardeman.
De mensen gaven geen antwoord. Tussen de mariniers in liepen de mensen mee naar de post. Het was ongeveer een uur lopen naar de post. We hielden de mensen goed in de gaten. In een keer hadden we mannen genoeg.. Het was middennacht toen de  post bereikten. De mensen werden weer in de grote schuur gebracht. Daar moesten ze de nacht doorbrengen. Ze kregen drinken en te eten en sigaretten. De schuur werd afgesloten en de schildwacht hield er toezicht op.
Vroeg in de ochtend ging Hardeman naar Jan Haag die al in de kombuis bezig was.
‘Morge, Jan. Heb jij al eten gemaakt voor de mannen en vrouwen die wij vannacht hebben meegebracht,?
‘Ja, ik heb rijst gekookt en ik heb kankong gemaakt voor ze. Het is niet veel bijzonders maar thuis zijn ze waarschijnlijk minder gewend. Ik had er al op gerekend dat je dat zou komen vragen. Ze hebben al gegeten en thee gedronken. Die lui logeren in een goed hotel,’ lachte Jan Haag.
‘Ah, dat is mooi Jan. Dan kan ik ze nu gaan vertellen wat ze voor ons moeten doen.’
‘Ja, ze zullen er niet blij mee zijn,’ zei Jan Haag.
Hardeman liep naar het huisje van de VDMB’er. Hij moest ze vertellen wat ze moesten doen. De mooie vrouw van de inlichtingenman was nog steeds op de post. Ze zat buiten het huisje op een stoel en keek lachend naar Hardeman. Een beetje brutaal zelfs. Er waren geruchten dat de VDMB’er haar niet alleen had. De VDMB’er moest ook regelmatig ‘s nacht op pad
op pad. De vrouw kreeg dan oplopers. De VDMB’er was nu wel aanwezig..
‘Ga even mee naar de schuur. Je moet de mensen vertellen dat ze voor mij als drager moeten werken. Drie dagen lopen naar Pasirian. Ze moeten de bagage dragen. Ik heb alle mannen nodig. De vrouwen kunnen naar huis,’ zei Hardeman.
‘Oh, en zeg dat we morgenochtend vroeg vertrekken.’
De VDMB’er begon zijn verhaal in het Javaans te vertellen. De mensen gaven geen antwoord. Er werd hen gevraagd of ze het hadden begrepen. Geen antwoord.
‘Maak er geen woorden aan vuil. Ze hebben het best begrepen. Ze gaan met mij mee,’ zei Hardeman.
Een van de mannen begon te prat
‘De Tentara zal ons doodschieten als we terugkomen. Wij mogen niet voor de belanda’s werken.’
‘Het is voor ons erg gevaarlijk als wij u helpen.’
‘Zeg maar dat ik daar niets aan kan doen. Ze kunnen hun vrouwen meenemen. De vrouwen mogen ook terug naar hun kampong,’ zei Hardeman, ‘ Verder geen gelul. Ze gaan morgen gewoon mee.’
Weer beginnen de mannen druk onder elkaar te praten, en dan tegen de VDMB’er.
‘Tuan, het is echt gevaarlijk voor ons. We willen u best helpen maar wij durven niet,’ zei de man.
‘De sergeant kan er verder niets aan doen. Jullie moeten met hem mee. En doe nou niet zo moeilijk. Probeer onderweg niet te vluchten want dan wordt er op jullie geschoten,’ zei de VDMB’er.
‘Laat ze maar een paar uur buiten de schuur zitten. Geef ze wat te roken dan worden ze misschien wat rustiger. Geef ze ook vooral te drinken. Ik hoop dat ze ons meer gaan vertrouwen,’ zei Hardeman, ‘ Ik zal een marinier waarschuwen dat hij ze in de gaten houdt..’
Hardeman had een van zijn mariniers geroepen en hem gezegd, ‘Houdt deze mensen goed in de gaten, probeer met ze te praten.  Maar laat niemand weglopen want dan kunnen we vanavond weer aan die lui aan.. En dan kunnen we er op rekenen dat er niemand meer komt omdat ze dan gewaarschuwd zijn.’
‘Ik zal ze bewaken als mijn schapen,’ zei de marinier.
De mensen zaten buiten en rookten een sigaret. Ze spraken druk met elkaar.. Wat er allemaal besproken werd dat begrepen wij niet. De VDMB’er was er niet.
Hardeman had zijn mariniers opdracht gegeven in te pakken. De mariniers waren er druk mee bezig. Jan Haag had de kombuis overgedragen aan de marinier Gruter. Deze marinier had gezegd dat hij wel kon koken. Jan Haag en zijn mensen waren ook aan het inpakken. Het was flink rommelig in het huis van de groep Hardeman. De rugzakken raakten vol. De wapens werden schoongemaakt. ’s Middags gingen de mariniers nog even op hun tampatje liggen en nog voor donker gingen ze naar de kali.
De kampongmannen en vrouwen zaten weer in de schuur. Ze hadden hun eten gehad. Niemand had geprobeerd om te vluchten. Maar daar hadden de mariniers ook weinig aan kunnen doen. Het doodschieten van mensen die niet voor hen wilde werken stond niet op het programma. Een beetje bang maken dan kon wel.
De dag kwam aan zijn einde. Voor de groep Hardeman was dit de laatste dag op Oemboelsari.
Het peloton had veel patrouilles gelopen. Willem Lips had diverse keren brood gehaald. Jan haag had de kombuis goed verzorgd. Ook hij had een paar keer een varken gehaald. De mariniers hadden niet stil gezeten. Gelukkig was er nooit iets gebeurd met de ploppers. Hoewel elke marinier wist dat hij bespiedt werd. Onze gastheer had ons overal in bijgestaan. Maar hij kon niets vertellen over de aanwezigheid van ploppers. Hij zag ze nooit had hij gezegd. Dat was lariekoek.

 


Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 10:03
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 10:03
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7451 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 604663 Bezoekers

 12 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^