Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pètjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 26

Mijn verhaal - Nederlands Indië 26

  Vroeg in de ochtend werden wij gepord door de wacht. Het ontbijt stond al klaar. Daarna werd de bagage voor de dragers klaargezet. De dragers hadden al gegeten. Hardeman wist niet of er vrouwen van de dragers meegingen. Hij vroeg er ook niet naar. Een uur later stond de patrouille klaar voor vertrek.
‘Luister uit!. Iedereen draagt zijn eigen wapen en rugzak. Ik zeg dit zodat wij straks onderweg niet de wapens en rugzakken ook nog op de rug of pikolan hangen van de dragers. Wij zijn nu met een groep en wij hebben geen versterking bij ons. Dus zijn wij op ons zelf aangewezen. De mogelijkheid bestaat dat wij gevolgd worden door de ploppers. Misschien worden zij in de verleiding gebracht ons aan te vallen. Maar ook zij moesten zich aan het  bestand houden en dat hebben de afgelopen weken gedaan.. Nogmaals er wordt niet geschoten. Als wij onder vuur  worden genomen dan onmiddellijk tegen de grond en zoek dekking. Willem jouw ploeg loopt voorop. Houdt afstand zoveel als mogelijk is, bij onoverzichtelijk bochten contact houden met de achtervolgers. Jan Haag jou ploeg is de tweede ploeg, achter jou lopen de dragers. Leo jij hebt de achterhoede. Ik zelf loop bij ploeg twee.
Neem voldoende munitie mee in de koppel en een sling om de hals, en vooral handgranaten. Groepscommandanten nemen geweergranaten mee. Jan Haag ga jij de dragers halen dan kunnen we de barang verdelen. Nog vragen?’
Geen vragen.
‘Jongens, kom mee wij gaan de dragers halen, zei Jan Haag
Haag kwam terug met de dragers en de vrouwen.
‘Hebben jullie gegeten?’ vroeg Hardeman aan de dragers.
‘Ja, Tuan,’ zei één der mannen,’ Dank u wel.’ Hij boog enigszins het lichaam uit beleefdheid.
Hardeman vertelde de dragers dat zij mee moesten naar Soepitoeran
‘Wees niet bang voor de ploppers. Werk ons niet tegen. Het is bijna drie dagen lopen. Probeer niet weg te lopen .Want dan moet ik op jullie schieten. De vrouwen mogen ook mee maar ze mogen ook naar de kampong terug.’
De mannen en vrouwen spraken nu allemaal door elkaar. Een man kwam naar voren en zei,’ Tuan, het is voor ons erg gevaarlijk, wij gaan liever niet mee. Als wij terug komen dan worden wij gestraft door de tentara.’
‘Dan zeggen jullie maar dat wij jullie gedwongen hebben ons te helpen. Verder praat ik hier niet meer over. Jullie gaan met ons mee en nogmaals loop niet weg want dan kom je nooit meer thuis.’
Hardeman had er intussen genoeg van zich zo te moeten opstellen. Hij moest weg en had deze mannen nodig. Er was niets anders aan te doen. Hij begreep best dat ze waarschijnlijk problemen zouden krijgen bij terugkomst. Maar dat was dan hun zorg.
‘Oké, verdeel de barang. Verder omhangen van onze eigen spullen. Heeft niemand iets vergeten. Iedereen zijn wapen bij de hand. Ik ga mij nu afmelden bij de adjudant.’
Hardeman liep naar het huis waar de adjudant was. Ook de luitenant was aanwezig.
‘Goedemorgen adjudant. Mijn groep is klaar voor afmars.’
‘goed, Hardeman. Je kunt vertrekken. Meldt je bij de compagniescommandant. Van hem zullen jullie horen wanneer je met verlof kan naar Soerabaja. Kijk goed uit onderweg. Je kan wel eens gevolgd kunnen worden door de ploppers.’
‘Goed adjudant, ik vertrek nu, antwoordde Hardeman.
Hij liep terug naar zijn groep en zag dat iedereen klaar was. De troep stond klaar zoals was gezegd.
‘Afmars,’ commandeerde Hardeman. De troep zette zich in beweging. De vrouwen liepen bij hun mannen. Maar dat was niet voor lang. Toen de patrouille de berghelling opliep verlieten de vrouwen de mannen. Zij keken nog even de mannen na en vertrokken toen in een andere richting. De dragers moesten heel wat dragen. Maar dat waren ze wel gewend. Maar de patrouille had geen haast. Wij hielden het tempo van de dragers aan. De mariniers droegen de wapen in de hand of over de schouder. In ieder geval zodanig dat zij ze direct schietklaar hadden als het nodig was.
Hardeman hield zich bij al zijn mensen op. Hij maakte een praatje met zijn mannen. Dan was hij weer vooraan dan was hij weer achteraan. De patrouille liep gesmeerd. Van de                                      kampongbevolking zagen niets.. Jammer dat de mensen zich zo bang hadden gevoel bij onze aanwezigheid. Hardeman hoopte dat alles goed zou blijven gaan. En dat ze vooral geen problemen zouden krijgen met de ploppers. Niet dat hij bang was voor de ploppers. Die kon hij met zijn mensen wel aan. Deze mariniers hadden intussen ervaring genoeg. Maar als ze zouden worden aangevallen door de ploppers dan was hij zijn dragers kwijt. Die zouden onmiddellijk vluchten.
Er werd regelmatig gerust. Dan werden de pikolan van de schouder van de man gehaald. Dat deden ze zelf wel. Ze zakten door de knieën en dan stond de barang op de grond en zij gingen er bij zitten. Ze kregen dan sigaretten aangeboden en ze zaten op hun gemakt een strootje te roken. Ze zeiden niet niets.
Hardeman sprak zijn mensen nog eens aan.
‘Als er toch een van de dragers probeert te vluchten dan zal ik schieten als ik het nodig vind. Dus niemand van jullie schiet op drager die vlucht. Dat doe ik dus.’zei Hardeman.
Hardeman dacht niet dat hij zou schieten. Hij moest weer denken aan het doodschieten van de man in de omgeving van Rambipoetji. Dat zou hem niet meer overkomen. Een van deze mensen doodschieten zou het zelfde zijn..
De mariniers reageerden er niet op. Zij wisten nu wel wat er bedoeld werd.
‘We lopen zo lang mogelijk door. Wij houden wel lange rustpauzes dat zullen we doen bij kampongs. Dan kunnen we zien of er wat eten te halen is.’
Ook hier was geen commentaar. Tijdens de eerste uren van de patrouille werden er nog grappen en grollen gemaakt maar dat was nu weg. Niemand sprak meer. De mariniers hadden belangstelling voor de schitterende omgeving. Maar ook omdat het een heel gevaarlijk terrein was. Er waren zoveel punten waar vanuit zij onder vuur genomen konden worden. Daar hadden ze ook aandacht voor.
Onderweg klom er een drager in een klapper boom om klappers te plukken. Het vruchtennat was heerlijk. Maar Hardeman vond dat je er niet teveel van moest drinken want hij had het gevoel dat hij slap in zijn knieën werd. Maar dat wist iedere marinier.
Ondanks dat wij de dragers goed behandelde bleef de verstandhouding gespannen. Wij moesten hen goed in de gaten blijven houden. De dragers klaagden niet.
Het was erg warm. De mariniers waren doornat van het zweet. Het was drukkend weer. Het was ook zwaar bewolkt. De mariniers waren erg rustig. Het was ook een zware patrouille. Zelfs de Muis was rustig. De route was dezelfde las toen wij hierheen waren gelopen. Het was klimmen dalen. We bleven alert op het zijterrein. Overal konden ploppers zitten en als er een was die graag op de belanda’s wilde schieten dan kon dat van alle kanten gebeuren.   
Ongeveer twee uur in de middag hielden we halt. Het was heel warm geworden.
‘Halt houden . Hier is een grote kampong. We blijven hier twee rusten. Ploegscommandanten zet ten wachten uit. Rugzakken afhangen en ter plaatse rusten. Ga niet bij je spullen weg. Als je uit de broek moet doe dat ergens in de nabije omgeving geef je maat een seintje waar je bent. Laat de dragers bij hun spullen blijven. En laat ze tussen jullie inzitten. Wachtposten let op het zijterrein. Rust zoveel mogelijk uit. Wachtposten lossen elkaar om het haluur af,’ zei Hardeman.
Hardeman lag met zijn benen tegen een helling aan. Zijn benen omhoog zodat het bloed goed kon doorstromen. Hij kon ook alles goed overzien. Zijn mensen maar ook de omgeving. Hij rookte niet en had dus geen behoefte aan een sigaret. De dragers zaten allen op de grond en rookten hun sigaret. Ook zij spraken geen woord.
Tot op heden hadden ze geen bevolking ontmoet. Het was bijna niet te geloven dat er geen mensen waren. Ook nu weer waren de kampongs leeg. Van ploppers was ook niets te zien of horen. Het leek zo vredig. Maar Hardeman wist wel beter.  Hij was er zeker van dat hij werd bespied en dat gevolgd werd. Maar zolang ze niet schoten dan was er niets aan de hand. Maar je moest alert blijven. Toen Hardeman de kampongs was gepasseerd stroomden ze weer vol met haar bewoners.
Hardeman keek op zijn horloge. Hij zag dat ze er al bijna twee lagen. Het werd killer tussen de bergen. Het was bijna vier uur in de middag. De zon was al achter de berghellingen verdwenen. Hij wilde weer vertrekken voordat de lichamen te koud werden. Hij voelde zich goed uitgerust.
‘Omhangen’
De mariniers kwamen overeind. Hingen hun rugzakken op de rug.
‘Help de dragers met hun barang,’ zei Hardeman.
Hardeman liep langs de troep en zag dat iedereen klaar was.
‘Voorwaarts’
Willem Lips liep nog steeds voor op. We konden er nu wel weer een flink aantal uren tegenaan. De weg klom langzaam omhoog. Het werd nog frisser maar de lichamen werden door het lopen weer warm. Af en toe een grap en een grol maar voor de rest waren de mariniers rustig. Ze hadden hun energie wel ergens anders voor nodig. De dragers hadden kennelijk ook geen problemen want ook van hen kwamen geen klachten.
Het was bijna half zes. Het ging schemeren. De zon was allang niet meer te zien..
‘Halt houden,’ riep Hardeman, ‘Houdt de dragers goed in de gaten. Het zo donker. Let op je eigen spullen. We gaan eten en rusten daarna gaan we verder. Probeer wat koffie te maken..’
Iedereen is met zichzelf bezig. De mariniers legden hun rugzakken op de grond . De dragers zaten weer bij elkaar. Ineens was er rumoer bij de dragers. Een drager rent rende met een vaart langs Hardeman. Hij liep Hardeman bijna omver.
‘Verdomme, daar gaat er toch een vandoor,’ riep Hardeman, ’Houdt de dragers in de gaten.’
Een paar mariniers gingen staan een hielden hun wapens gericht op de dragers. Deze keken angstig naar de mariniers. De vluchtende man was snel in het schemer verdwenen. Hij rende de kampong in en was weg. De dragers die onder schot werden gehouden verroerden zich niet. Hardeman had niet op de vluchtende man geschoten. Hij had zelfs niet zijn karabijn van de schouder genomen.
‘Heeft hij niets meegenomen,’ vroeg Hardeman.
‘Nee, alles ligt hier,’ zei Jan Haag.
‘Verdeel het maar over de andere dragers. Zij zijn de pineut.’
Hardeman waarschuwde de dragers nog eens dat wanneer er nog iemand zou proberen te vluchten hij nooit meer thuis zou komen. Een zacht gemompel ging onder de dragers.
Niemand van de mariniers vroeg aan Hardeman waarom hij niet op de vluchtende man had geschoten. Hardeman zei er ook niets over. Uiteraard hoefde hij niet uit te leggen wat hij wel of niet deed..
‘Sergeant, kunnen wij niet beter gaan lopen. Ik begin het koud te krijgen,’ vroeg een marinier.
‘Goed, laten we maar weer vertrekken. Het is inderdaad koud geworden,’ antwoordde Hardeman.
Na enkele minuten zette de patrouille zich weer in beweging. Het was donker langs de weg. Het was ook nog zwaar bewolkt. Het was erg stil. Iedereen luisterde goed naar de geluiden. De voorste ploeg liep nu niet zover naar voren. De hele patrouille liep nu dicht op elkaar. Het overzicht was nu beter. De hele nacht werd doorgelopen. Af en toe probeerde iemand met een drager te praten. Maar er was geen contact te krijgen. De dragers waren ook niet lastig. Wij dachten dat de dragers niet meer zouden proberen weg te lopen. Ondanks dat het koud was waren we toch nat van transpiratie. We roken ook niet fris meer. Dat waren we wel gewend. Er kwam wel weer een moment dat we heerlijk konden baden en schone kleding konden aantrekken.. Tegen de ochtend stonden we voor een diepe afdaling. Kali Glidek. Onder ons hoorden we een snel stromende kali. Door die kali moeten wij aan de andere kant zien te komen.
‘Hier moeten wij naar beneden, mannen. Help elkaar zoveel mogelijk. Vergeet vooral de dragers niet. Zij hebben een zware last en we moeten geen ongelukken krijgen met die mensen. Kijk zelf ook goed uit. We zijn verder van huis als er iemand iets breekt,’ zei Hardeman.
‘Denk vooral aan je wapens. Willem ga jij eerst naar beneden en help gelijk de dragers naar beneden.’
‘Oké Klaas.’
De eerste mariniers gingen naar beneden. Het was een steile afdaling. En het was een Javanenpaadje. Smal en glibberig. De mariniers hadden zich langs het paadje opgesteld en hielden da dragers vast en hielpen hen naar beneden. De dragers waren wel gewend om langs die smalle paadjes te lopen ook met vracht aan hun schouders. Maar er mocht er niet een iets oplopen. De mariniers hielden zich vast aan de struiken die langs het pad stonden. Ook de dragers hielpen de mariniers. Het ging langzaam maar we kwamen beneden. Het was goed om te zien hoe de dragers zich met hun blote voeten vast klemden in de modder. Eigenlijk zijn deze mensen onmisbaar. Jammer dat ze zo vijandig deden. Niemand was er uitgegleden of naar beneden gerold. Ongeschonden kwamen wij bij de kali. Er was veel water in de kali en het water stroomde met geweld door de kali. We hoorden dat er stenen mee naar beneden kwamen. Het zou niet makkelijk zijn om aan de overkant te komen.
‘We houden hier eerste en flinke rust. Als er nog brood is deel dat dan onder elkaar. We kunnen het beter hier opeten dan dat het straks hartstikke nat is. We kunnen gelijk ook mandi in de kali. Maar kijk goed uit voor de stenen die naar beneden komen. Kijk goed uit dat je niet breekt.,’ zei Hardeman.
‘Ik heb wel zin in een lekker bad. Maar het zal wel koud zijn. Dit water komt regelrecht uit de bergen,’ zei Willem Lips.
‘Jan Haag laat jou mensen de wacht houden,’ zei Hardeman, ‘ Straks kunnen zij in bad.’
‘Goed, daar gaan we,’ zei Lips. ‘ Hij kleedde zich snel uit. De anderen volgden hem. Spiernaakt stonden ze in de kali. Het snel stromende water sleurde ze bijna omver. Achter rotsblokken zochten ze enige bescherming voor de meestromende stenen.
‘Hé, Jan pas op dat je piemel niet knel komt te zitten tussen de stenen,’ riep een marinier naar Jan Haag.
‘Man, schei uit over mijn piemel dit koude water laat er niet veel meer van over.,’
lachte Haag met zijn bekende grijns.
‘’Jongens, kijk deze kant uit ik maak een foto,’ riep een marinier, hij had een fototoestel bij zich. De naakte mariniers stonden geposeerd voor het toestel.
‘Jezus, dat stelt geen moer voor,’ riep de marinier, ‘Zakken jullie een beetje door je knieën. Die paardenlullen van jullie hangen net boven het water. Ik kan wel een foto maken maar die kunnen we nooit aan iemand laten met die knaapjes boven het water.’  De mariniers lachten luid.
‘Schiet nou maar op man. Ze mogen best mijn leuning zien. Ik zit niet voor niets bij compagnie leuning.’
Maar de mariniers, preuts als ze waren, zakten toch iets dieper in het water en de fotograaf kon zijn foto maken. Het was nog kil in de diepte waar de kali stroomde. Maar de zon kwam tevoorschijn over de toppen van de bomen. Ook de dragers kwamen in de kali. Ze hadden hun barang zodanig neergelegd dat het niet nat kon worden. De dragers hielden hun broeken aan. Het was niets voor een Indonesiër om in zijn blootje in de kali te staan waar die blanken bij waren. De mariniers hadden er geen moeite mee om ergens naakt te gaan staan als ze moesten baden.. De mariniers sprongen in het rond in het water en moesten de stenen zien te ontwijken. De dragers zaten achter de rotsblokken in het water. Ze zorgden er wel voor niet in aanraking te komen met de stenen. Het werd lekker bij de kali. De zon scheen op de naakte lichamen. Het verdreef de moeheid uit de spieren. Hardeman liep een eindje de kali af om te zien of er een betere plaats was om over te steken maar die was er niet. Logisch ook wel. Als er een andere plaatst was geweest dan hadden de Indonesiërs die plaats ook wel gevonden. Het was een vrolijke boel in de kali.
‘Noot, laat jouw mensen de wachtposten aflossen.’
De mensen van Van der Noot kleedde zich snel aan en konden de anderen nog snel gebruik maken van de kali.. Het werd tijd om naar de overkant zien te komen. Een klein half uur later begonnen de mariniers naar de overkant te komen. Wij hadden altijd een flink touw bij ons en dat konden we goed gebruiken.
‘Sergeant, we kunnen toch wel naakt de spullen en onszelf naar de overkant brengen. Aan de overkant kunnen we ons ook wel aankleden,’
‘Dan moet je die kleding ook nog droog over zien te krijgen,’ zei Hardeman, ‘ Kleed je maar aan. Die kleding droogt wel weer.’
De dragers begrepen ook dat zij naar de overkant moesten. Zij hielpen elkaar met de barang.
‘Jan, ga jij met je mensen heerst naar de overkant,’ riep Hardeman.
‘Oké.’
‘Bindt dat touw om je lichaam, Jan, en ga voorzichtig naar de overkant. Denk aan je geweer..’
Jan Haag sprong van het ene rotsblok op de ander. Maar dan moest hij toch het water in. Het touw  werd door twee mariniers vastgehouden zodat er niets kon gebeuren als Jan in het sterk stromende water zou vallen. Iedereen stond te kijken hoe Haag naar de overkant probeerde te komen.
‘Godverdomme, klere steen. Ik breek amper mijn been,’ schreeuwde Jan Haag. Hij zat met een pijnlijk gezicht op een rotsblok naar zijn been te kijken.. Hij was intussen drijfnat geworden. Maar dat zou ons allemaal overkomen. Jan Haag stond weer overeind en wreef nog eens over zijn scheenbeen.
‘Gaat het Jan? Als je zover bent dan kunnen we verder,’ riep Hardeman.
‘Daar gaat ‘ie weer,’ riep Haag. Hij worstelde zich verder door de stroming. Het ging vrij snel. Af en toe horen we een vloek boven het geweld van de kali. Jan Haag is aan de overkant. Hij keek nog eens naar zijn scheenbeen en bond het touw aan een boom die tegen de helling stond.
Het touw hangt over de kali. Jan Haag had het zo strak mogelijk vastgebonden. Dat viel niet mee met het natte touw.
Hardeman wees een paar mariniers aan die Jan Haag moesten volgen.
‘Houdt je wapens droog..’
Deze mariniers konden Jan Haag helpen als zij aan de overkant waren.. Daarna moesten er een paar dragers naar de overkant. Zij moesten tevens barang meenemen. Met enige moeite kwamen de mariniers aan de overkant. Het was betrekkelijk goed gegaan. Ze hadden hun wapens niet droog kunnen houden. Dat was geen ramp.
‘Jan, nu komen een paar dragers’ riep Hardeman.
‘Laat ze maar komen,’
Hardeman wees een paar dragers aan maar ze schuiven allemaal achteruit. Ze duwden elkaar naar voren. De dragers liepen op blote voeten en dat zou pijnlijker kunnen zijn dan de voeten en benen van de mariniers. Die waren beschermd door schoenen en hun beenkappen..
‘Ajo,’ riep Hardeman.
‘Hang die lui hun barang op de rug,’ zei Hardeman weer.
‘Kom op kameel, dan zal ik je effe wat op je bult hangen,’ riep Willem Lips in het onvervalst Rotterdams. En hij pakte een drager beet en hing  een pakket barang op de rug van de vent.
‘Ajo, geen gelul in de soldatenschool. Het water in met je blote kakkies,’ grinnikte Lips
De andere twee dragers kregen ook nog een paar rugzakken over de schouders gehangen en werden eveneens te water gelaten.
‘Kijk uit dat er niemand verzuipt,’ riep Hardeman, ‘Anders kunnen we zelf die barang dragen.
Vier dragers gingen achter elkaar aan het touw te water. Ze gingen gelijk koppie onder. Proestend kwamen ze boven. Alle barang en rugzakken waren drijfnat. Maar ze hadden het touw niet los gelaten.
‘Daar gaat mijn schone pendek,’ riep Willem Lips toen hij een van de kerels kopje onder zag gaan.
‘Hé, blauwe joekel, denk je wel aan mijn spullen in die rugzak,’ gilde De Muis lachend.
Langzaam gingen de dragers met zijn vieren door het snel stromende water. Soms zaten ze op een rotsblok om de stenen te ontwijken. Uiteindelijk kwamen ze aan de overkant. Nu weer een paar mariniers. Zij droegen zelf hun rugzakken en wapens. Met veel moeite kwamen ze aan de overkant. Ze waren drijfnat.
Nu weer dragers met barang. Het touw is slapper geworden en ook nu gaan de dragers onder water. Er dreigde paniek te ontstaan. De mannen waren bang dat ze gewond zouden raken door de grote stenen die omlaag kwamen. Een drager laat de barang vallen en valt met de barang in het water. Hij maakt een flinke smak.
‘Probeer hem tegen te houden anders verzuipt ‘ie,’ riep Hardeman
De man een eind meegesleurd door het water. Hij beukt tegen verschillende rotsblokken aan en dan kwam hij met een smak tot stilstand tegen een groot rotsblok aan. Een marinier rende naar de plek waar de man tot stilstand kwam en trok hem op het rotsblok. De man was helemaal opgeschaafd maar gelukkig niets gebroken. De barang was ook meegesleurd maar tot stilstand gekomen bij het rotsblok. De drager lag voor dood op het rotsblok en her bloed stroomde uit zijn schaafwonden.
‘Willem, help die kerel,’ riep Hardeman.
‘Ik zal hem effe bijbrengen, Klaas. Maar veel kan ik ook niet aan hem doen’.
’ Kijk maar even wat er aan de hand is.’
‘Oké.’
‘Hij is goed geschaafd maar hij heeft niets gebroken. We moeten hem straks maar verbinden.’
Nog een paar mariniers en een paar dragers moeten naar de overkant. Hardeman en Willem Lips moeten ook nog naar de overkant.
‘Gaan jullie allemaal naar de overkant. Ik ga als laatste,’ zei Hardeman.
Gelukkig ging alles goed. Nu Willem Lips nog met de gewonde drager.
‘Willem, neem die drager mee.’
Het lijkt wel een slappe worst die vent. Ik gooi hem wel over mijn schouder. Kom op. manneke,’ zei Willem Lips. Hij pakte de man beet en in de brandweergreep ging hij zich vasthoudend met een hand aan het touw naar de overkant. De man kreunde en bungelde over de schouder.
‘Niet zo kreunen, man,’ riep Willem Lips, ‘ Jij krijgt een voorkeurs behandeling. Er zijn niet veel Javanen die op de schouder van een belanda de kali over gedragen worden.’
‘Als een dronken marinier ging Lips over de rotsblokken en door het water naar de overkant. Als laatste ging Hardeman. Hij maakte het touw los van de boom. Bond het aan zijn lichaam.
‘Opgelet, daar komt ‘ie,’ riep Hardeman.
‘Hou je wel je sokken droog,’ riep De Muis, ‘ Ik wil dat straks even controleren, sergeant Klaas.’
Hardeman kwam met een nat pak en natte sokken aan de overkant.
‘Eigenlijk moet ik dit rapporteren, sergeant,’ zei De Muis, ‘’ Het is niet best dat een sergeant zo slordig omgaat met rijkseigendommen. Onderofficieren behoren het goede voorbeeld te geven en keurig gekleed te gaan.’
‘Niet lulle, Muis,’’ We moeten verder. Jij wilt zo graag naar Soerabaja. Dan moeten we zo snel mogelijk hier weg.’
‘Verdomd, ja, dat zou ik bijna vergeten. We moeten naar Soerabaja. Ik hoop wel dat we niet meer va die kali’s tegenkomen. Dan heeft het voor mij geen zin meer. Want als we dan in Soerabaja aankomen hangt er een loos velletje aan mijn buik,’ lachte De Muis.
‘Het zal dan wel een leefnetje zijn,’ zei een marinier.
‘Kom op. laten we naar die drager kijken. Die man lag uitgeteld op een rotsblok. Hij klaagde over pijn in zijn rug. Dat zou best eens waar kunnen zijn. Hij had een flinke schaafwond op zijn rug. Aan zijn been had hij ook een wond. Hardeman verbond de man met een paar noodverbanden.
‘Aan die rug kan ik niets doen. Laten we nog maar even rusten. Dan kan die vent weer op verhaal komen en intussen drogen wij weer op. Verdeel de barang over de ander dragers deze vent kan niets meer dragen,’ zei Hardeman.
De dragers kregen steeds meer te dragen. Eerst die vent die was weggelopen en nu deze man weer.  Het ons twee gekost om aan de overkant van de te komen. Nu moesten we nog omhoog. Het zag er erg stijl uit. Het was goed uitkijken dat er weer geen drager iets opliep want al dat gedoe koste alleen maar tijd. Wij hadden geen haast maar het moest ook niet te lang gaan duren. De drager kon niets dragen. Zijn rug was te beschadigd. Hardeman had eigenlijk niets meer aan de man. Hij kon hem wel terugsturen maar dat wilde Hardeman niet. Deze vent zou op Soepitoeran wat geld en eten krijgen. En als je hem nu terugstuurde kreeg hij niets. Hardeman sprak er met de man niet over. Als hij zou willen terugkeren begon hij er wel zelf over.
‘Oké, we gaan naar boven. Doe het voorzichtig aan. En help die dragers.’
Iedereen hing zijn rugzak en wapens op de rug en aan de schouder. De dragers hielpen elkaar. Het zou nog een hele klim worden. Vooral de dragers met de munitie hadden de zwaarste vracht.  De munitie zat in blikken trommels die nog helemaal dicht waren. Jan Haag liep met zijn mensen voorop en tussen hen in liepen twee dragers. Het ging allemaal heel langzaam.. De mariniers moesten de dragers helpen en hen goed vasthouden. Met de gewonden drager ging het wat moeilijker. Hij had overal pijn. Maar uiteindelijk staan we allemaal boven. Met hulp van elkaar was het gelukkig goed gegaan. De verstandhouding met de dragers was iets beter geworden. Intussen was het bloedheet geworden.
‘We houden nog een kwartier rust. Even op adem komen. Geef de dragers sigaretten,’ zei Hardeman, ‘ Daarna lopen we flink door.’
‘Ik kan niet eens een strootje roken mijn tabak is strontnat geworden,’ zei een marinier.
‘Dan ben je niet de enige. Maar als we straks weer even gaan rusten dan leg je een plukje tabak op je helm dn is het zo droog,’ zei Jan Haag.
‘Ja, dat kan ik zelf ook wel bedenken. Daar heb ik nu niks aan.’  De helden raken kennelijk vermoeid.
Hardeman vroeg gaan de gewonde drager of hij liever terug ging of dat hij met de patrouille verder wil mee gaan. De mannen spraken met elkaar en dan zegt de gewonde drager dat hij met de patrouille verder gaat.
‘Kom, we vertrekken weer. Hang de spullen op je rug.’zei Hardeman.
De patrouille volgde haar weg. We kwamen op bekend terrein. Maar we waren nog niet in Soepitoeran.
‘Morgen als wij thuis zijn dan kunnen jullie terug,’ zei Hardeman tegen een drager.
‘Waar gaat u naar toe, tuan,’ vroeg een drager.
‘Naar Soepitoeran,’ antwoordde Hardeman.
‘Oh, dat is al dichtbij,’zei de drager. De dragers begonnen tegen elkaar te praten. De mariniers begrepen de taal niet. Wat er gezegd werd begrepen ze niet. Het leek er op dat de dragers haast begonnen te krijgen want ze zette er flink de pas in.
‘De dragers zetten er flink de sokken in, Klas. Ik denk dat ze zo snel mogelijk in Soepitoeran willen aankomen,’ zei Jan Haag.
‘Ze zijn ook veel behulpzamer geworden,’ zei Hardeman.
‘Dat was bij kali Glidek al merkbaar. Toen hebben ze ons ook geholpen toen we omhoog moesten,’  zei Haag.
‘Ik hoop dat de luitenant nog geld voor ze heeft. En als het kan even meer dan een paar stuivers.,’ zei Hardeman.
‘Ik zou er maar niet te veel op rekenen. Van de luitenant hoef  je niet veel te verwachten,’ zei Willem Lips.
‘We zullen maar afwachten,’ antwoordde Hardeman.
Hardeman had helemaal niet meer gedacht aan de OCC. Nu we weer in de buurt van de post kwamen dacht je er weer aan. Eigenlijk gek dat je altijd negatief moest denken aan een officier. Nu weer aan de OCC. Het was een ongelooflijke zeikerd.
We hadden geen eten meer. Bij kali Glidek was het laatste brood opgegaan. Dat was maar goed ook anders hadden we kunnen weggooien. We waren een paar keer goed nat geworden. Zelfs de inhoud van de rugzakken was nat.
‘Wij moeten onderweg uitkijken naar fruit. Van eten zal niet veel meer komen,’ zei Hardeman.
‘Als we morgen in Pasirian zijn dan kunnen we weer genoeg eten,’ antwoordde Jan Haag.
‘Ik zal mij vol laten zakken met een rijsthap dan kan ik er wel weer tegen. Ik heb er echt zin in,’ zei Lammers.
‘Als het maar geen betonhap is,’ zei een marinier.
‘Godzalmebewaren,’riep Lammers.
‘Dat mag je wel hopen,’ grinnikte Jan Haag.
‘Ons Lieve Heer heeft het altijd  goed voor met mariniers  dus je hoeft nergens over in te zitten. Morgen krijgen we een rijsthap,’ zei Willem Lips.
De patrouille had er goed de gang in. Ook de dragers liepen goed mee. Zij wilden ook snel in Pasirian aankomen om dan weer zo snel mogelijk naar hun eigen kampong terug te lopen. Om de twee uur hielden we een klein half uur rust. Dan konden we uit de broek en naar fruit zoeken. Meestal waren het bananen die we vonden.  Van de ploppers merkten we hier ook helemaal niets. Maar daar hadden we voordien ook geen last van. Hier was de bevolking in de kampong. Zij waren aan ons gewend en groette ons vriendelijk. Altijd de duim omhoog. We liepen de hele middag door. Het ging allemaal heel goed. Tijdens een rustpauze hadden de mariniers wat tabak gedroogd en rookten zij hun strootje. De marinier waren weer opgewekt. Zo lang niemand liep te kamkeren moest je gewoon doorlopen, dacht Hardeman. We wilden allemaal snel in Pasirian terug zijn..
‘Sergeant, kunnen we even rusten,’ vroeg een marinier.
‘Dat is goed. Halthouden,’riep Hardeman.
‘Blijf zoveel mogelijk bij elkaar en houdt de dragers tussen jullie in. We blijven een paar uur rusten. Of jullie moeten het koud krijgen dan gaan we verder,’ zei Hardeman.
‘Jan, ga jij kijken of er wat eten valt te ritselen,’ zei Hardeman’.
‘Ik ga al, Klaas. Misschien kunnen we wel een bananen ritselen.’’ Jan riep zijn mensen bij elkaar en ging op pad.
‘Jan , als je terug komt laat het dan duidelijk merken,’ zei Hardeman.
‘Ja, dat zal ik doen. Het staat zo slordig als een van ons een gaatje in zijn kop krijgt,’ grinnikt Jan Haag, ‘ Ik blijf niet langer dan een uur weg.’
‘Goed, ga je gang. Willem zet jij je mensen uit.’
‘Al voor elkaar, Klaas.’
‘Oké.’
De rest van de groep lag langs de kant van de weg. Er werd gerookt waarbij de dragers van de partij waren. W hoefden hier niet zo voorzichtig re zijn met de dragers maar toch hielden twee mariniers de dragers goed in de gaten. Verrassingen waren leuk maar het moest niet uit de hand lopen of uit de loop van een geweer komen. Er kwmaen steeds kampongbewoners voorbij lopen en zij spraken met de dragers. Maar het was allemaal in de Javaanse taal. Ze waren wel verbaasd toen ze ons opmerkten. De bevolking bleef vriendelijk. Het werd fris en de mariniers liepen wat heen en weer. De dragers zaten op hun hurken gerold in hun sarong. Ze spraken zachtjes met elkaar.


‘Sergeant Klaas,’  werd er geroepen. De ploeg van Jan Haag was in aantocht.
‘Kom maar verder,Jan,’ riep Hardeman.
De ploeg van Jan Haag werd zichtbaar en zij droegen een paar kammen bananen.
‘Waar heb je die vandaan,Jan,’ vroeg Hardeman.
‘Even verderop is een kleine kampong. Daar hebben we deze bananen gekocht,’ antwoordde Jan Haag.
‘Laat je ploeg maar gaan rusten. Verdeel de bananen maar,’ zei Hardeman.
‘In Soepitoeran is een truck die ons naar Pasirian brengt,’ zei Hardeman.
Vanuit Pasirian zou de ploeg van Hardeman naar Soerabaja vertrekken voor een paar verlofdagen. Hardeman had er veel zin in om naar Soerabaja te gaan. Hij zou daar de bloemetjes weer eens buiten zetten..
‘Jan, denk je dar we verder kunnen? Het begint koud te worden,’ vroeg Hardeman.
‘Wat ons betreft kunnen we gaan,’ zei Jan haag.
‘Omhangen’ riep Hardeman.
De dragers pakten hun barang weer op, de mariniers hun rugzakken en wapens. De patrouille zette zich weer in beweging. Het laatste gedeelte van onze mars was aangebroken. De hele nacht liepen we door. We waren weer warm geworden van het klimmen en dalen. In de vroege ochtend kwamen we de eerste pasargangers tegen. Deze mensen waren helemaal niet verbaasd ons te zien. Zij waren de mariniers gewend. De nacht ging zonder moeilijkheden voorbij. Het begon licht te worden toen wij de post Soepitoeran bereikten. De wachtpost had ons al zien aankomen en kwam ons tegemoet lopen.
‘Morge, al vroeg op pad,’ zei de marinier. Hij was van een ander peloton.
‘Man, schei uit ik loop al twee dagen te stompen. Ik ben blij dat ik jou knappe kop zie. Moet je het schurfie zien waarmee ik op pad ben. Daar word je nou strontziek van,’ zei De Muis. Hij keek met open mond naar de marinier die op wacht stond.
‘Ik kan het goed aan je zien. Je klus hangt tenminste op dek,’ grinnikt de marinier.
‘Dat is nooit anders geweest. Hij is moeders mooiste nooit geweest,’ zei Willem Lips.
‘Nou, of jij zo mooi bent,’ slist De Muis. Lips heeft een beetje aparte lip alsof hij vroeger een hazenlip heeft gehad.
Intussen zijn we op de post gearriveerd en houden halt bij het huis van de postcommandant.
‘Controleer de barang,’ zei Hardeman.
De dragers hadden hun barang op de grond gezet en gingen erbij zitten. Ze zaten weer dichtbij elkaar en waren schichtig. Hardeman gaf ze allemaal een sigaret die zij opstaken. Zij hadden zich weer gehuld in hun sarongs.
De postcommandant was kennelijk al gewekt want hij kwam geheel gekleed naar buiten.
‘Goedmorgen luitenant. Wij zijn gearriveerd van de zuidkust. We hebben twee dagen en nachten gelopen. De dragers zijn mensen uit dat geide en zijn nogal schichtig. Zij zijn door de ploppers bang gemaakt dat wij hen zullen doden. Wij hebben ze ’s nachts opgepakt tijdens onze patrouilles. Ze willen zo snel mogelijk terug naar hun kampong aan de zuidkust. Zou er wat eten voor de dragers geregeld kunnen worden. Het zal het vertrouwen naar ons toe behoorlijk opvijzelen.’
‘Ik zal eten voor ze laten maken. Laat je eigen mensen maar wat rusten totdat de truck komt dan kunnen jullie zo snel mogelijk naar Pasirian,’ zei de luitenant.
‘Bedankt luitenant. Oh, ja, luitenant. Heeft u nog wat geld voor de dragers,’ vroeg Hardeman.
‘Wat moeten die lui daar met geld bij die ploppers,’ vroeg de luitenant.
De luitenant draaide zich om en liep terug naar zijn huis.
‘Wij wachten op de truck. Maak het je maar gemakkelijk,’ zei Hardeman tegen zijn mensen.
Hardeman liep naar de dragers en vroeg hen of ze wilden wachten op eten en dat ze na het eten naar hun kampong konden terug gaan.. De dragers spraken met elkaar en wilden wachten op eten. De angst was kennelijk helemaal verdwenen. De luitenant kwam Hardeman een aantal guldens brengen om deze aan de  dragers uit te delen. Het was niet veel maar zij waren er toch blij mee. Zij keken verbaasd naar de zilveren munten. Ze hadden het kennelijk niet verwacht. Ze reageerden vriendelijk. Nogmaals zei Hardeman hen dat ze na het eten naar hun kampong terug konden gaan. Zij knikten vriendelijk
’Dank u wel, tuan,’ zei een der oudsten.
Na het eten wilden de dragers vertrekken, ze treuzelden een beetje. Ze wisten niet goed wat ze moesten doen. Of ze nu zo maar konden weglopen. Hardeman liep naar de oudste man en zei,’ Jullie kunnen nu weggaan als jullie willen.’ Hardeman stak zijn hand uit naar de man en deze gaf hem zijn hand. De mannen bogen naar Hardeman en achter elkaar lopend vertrokken zij van de post. Nog een keer keken zij om maar dan liepen zij weer i de richting waar zij die morgen vandaan waren gekomen. Hardeman was blij dat het allemaal goed was gegaan met de dragers.

Aan het eind van de middag arriveerden de mariniers in Pasirian. Hardeman meldde zich bij de compagniescommandant.
‘Kapitein, sergeant  Hardeman meldt zich terug van de zuidkust. Ik ben twee dagen gelden vertrokken. Er zijn geen moeilijkheden geweest.’
‘Mooi Hardeman. Ja, ik moet je vertellen dat jullie niet met verlof gaan naar Soerabaja. Dat is voorlopig uitgesteld. Jij gaat met je groep naar een klein plaatsje tussen Pasirian en Loemadjang, Tempeh, genaamd. Morgenvroeg ga je er naar toe. Je lost daar een groep af van het derde peloton. Die groep gaat eerst met verlof. Jij wordt zelf postcommandant. Er worden geen patrouilles gelopen. De VDMB die daar zit controleert het hele gebied. Als er problemen zijn dan hoor je wel wat je moet doen. Behalve dan als je wordt aangevallen. Nog vragen?’De kapitein stond op en Hardeman moest omhoog kijken om zijn commandant in de ogen te kunnen zien.
‘Geen vragen, kapitein. Morgenochtend vertrek ik naar Tempeh,’ antwoordde Hardeman.
‘Goed, ga je gang maar.’ De kapitein draaide zich om en Hardeman kon het vertrek verlaten.
Hardeman ging naar zijn groep om het nieuws te vertellen. Wat zullen die knapen op hun neus kijken als ze horen dat we voorlopig niet naar Soerabaja gingen.
Voordat Hardeman het huis van de commandant verliet hoorde hij zijn naam roepen. Hij draaide zich om en zag de kapitein in de deuropening staan. De kapitein stond met zijn forse lichaam voor Hardeman. Hij had kennelijk besloten om te gaan baden. Hij stond met de blauwe driehoek aan dat bij de mariniers een zwembroek werd genoemd. Er was maar een maar namelijk te groot of te klein. De kapitein barst er bijna uit.
‘Hardeman, iedere ochtend om zeven uur bel je mij op, mij persoonlijk via de veldtelefoon. En dan hoor ik graag of er wel of geen bijzonderheden zijn.’
Een klomp vlees verpakt in de blauwe mariniers envelop met daarboven op een blauw hoofd van de drank keek naar Hardeman.
‘Begrepen Kapitein.’
Het lichaam trok zich terug in de kamer waar een baleh-baleh stond omdat een veldbed te klein was voor deze man.
‘Jongens, even een teleurstelling verwerken. Wij gaan niet naar Soerabaja voorlopig. Morgenvroeg vertrekken we naar Tampeh. Dat si een klein plaatsje tussen Pasirian en Loemadjang. Wij gaan daar een andere groep aflossen. Die lui gaan eerst met verlof. Zorg dat jullie morgenvroeg klaar staan.’
‘Fijn hoor, daar gaat mijn kans effe plat te gaan. Ik blijf wel lopen met die bobbel,’ griept De Muis. De mariniers lachten om die opmerking. Het zat De Muis wel dwars. Maar er zat niet anders op. De dienst ging voor het meisje zou Willem Lips zeggen.
‘Gelukkig hoeven we niet in Pasirian te blijven. Bij een compagniespost zitten daar hou ik niet van,’ zei een marinier.
‘In Tempeh hoeven we geen patrouilles te lopen. Het wordt dus een heel rustige tijd. Het eten wordt dagelijks opgevoerd vanuit Pasirian,’ zei Hardeman.
‘Dan hoop ik maar dat er in Tempeh iets te doen is anders vervelen we ons kapot,’ zei marinier De Wit.
‘Als er mooie vrouwen zijn dan verveel ik mij niet,’ antwoordde de Muis.
‘Wat ben jij een ouwehoer, zeg,’ zei Willem Lips.
‘Ouwehoer, helemaal geen ouwehoer. Ik hoop dat er in Tempeh een ouwehoer zit. Dan kan ik alsnog mijn bobbel wegwerken bij gebrek aan een jongehoer,’ grinnikt De Muis.
Het werd een dolle boel in de groep. Lachend en plagend begonnen zij hun wapens schoon te maken en daarna gingen zij zich baden.
Achter het huis van de compagniescommandant liep een kali. Genisten hadden een systeem bedacht om vanuit de kali water door leidingen te laten stromen zodat je onder een douche kon staan. Het was schoon en koud. Aflopend hadden de genisten daar ook toiletten gebouwd..
‘Sergeant Hardeman en korporaal Lips melden bij de compagniescommandant,’ riep De Wit.
‘Kom op, Willem,.’ zei Hardeman. Samen liepen ze naar de CC en meldden zich.
‘Hardeman ik moet je nog een paar dingen zeggen. Ik heb nog een paar berichten ontvangen. Marinier Herker wordt overgeplaatst naar het bataljon en moet zich melden in Loemadjang bij de staf. Korporaal Lips gaat naar Soerabaja naar de kaderschool en dat duurt twee maanden en als hij slaagt dan wordt hij tijdelijk sergeant. Lips, morgenvroeg ga je met de trein naar Soerabaja. Begrepen?. Voor Herker krijg je een andere marinier en voor Lips een andere korporaal. Dan kunnen jullie nu gaan,’ besloot de kapitein.
‘Verdomme, daar heb ik helemaal geen zin in,’ zei Lips, toen ze buiten stonden.
‘Maar het zal wel moeten anders kan ik mijn sergeant strepen wel op mijn buik schrijven,’ ging Lips verder.
‘Dat heb je goed gezien. Iedereen die een rang moet krijgen gaat naar de kaderschool in Soerabaja. Dat is een nieuwe regeling,’ antwoordde Hardeman.
‘Dan heb jij mooi geluk gehad. Ik hoop[ maar dat ze niet teveel uit het boekje vragen want daar weet ik weinig van,’ zei Lips.
‘Bekijk het nou maar in Soerabaja en doe je best anders kan je het zeker op je buik schrijven,’ zei Hardeman.

 


Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 10:04
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 10:04
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 7099 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 615357 Bezoekers

 2 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^