Verhalen door:

Sluiten Derks H.A.T.

Sluiten Derks, H.A.T.

Sluiten Eijgelsheim Eric

Sluiten Geugten J.E. van der

Sluiten Groot, Kees

Sluiten Hartsuiker, Cees

Sluiten Hofwijk J.W.

Sluiten Indonesië

Sluiten Jonge, Jaap de

Sluiten Kol, van H.

Sluiten Kuin, Herbert

Sluiten Levert-van der Mijll Dekker, Els

Sluiten Melati van Java

Sluiten Nuhoff, Betsie

Sluiten Numans, Mary

Sluiten Pieters, Lody

Sluiten Putten, Krijn van

Sluiten Renesse, Lucie van

Sluiten Tebbenhoff H.

Sluiten Velleman, Luwi

Sluiten Verschuren, Naomi

Sluiten Weel, Ron van der

Hoorspel / Luisterboek

Sluiten Documentaire films

Sluiten Spoorloos

Sluiten Verhalen in Pètjoh

Sluiten Boomsma, Graa

Sluiten Brooshooft. P (Toneel)

Sluiten Daum P.A.

Sluiten Dijk Ko van

Sluiten Hella Haasse

Sluiten Keuls, Hans

Sluiten Louis Couperus

Sluiten Mark Loman

Sluiten Multatuli

Sluiten Olaf J. De Landell

Sluiten Pramoedya Ananta Toer

Sluiten Soer Josephine

Sluiten Székely-Lulofs M.H.

Sluiten x - MP3 Software

Hartsuiker, Cees - Nederlands Indië - 28

Mijn verhaal - Nederlands Indië 28

‘Sergeant, het is zes uur.’
‘Bedankt, ik kom er uit. Is de ploeg van korporaal Haag als gepord?’
‘Ja, sergeant.’
‘Goed zo!’
Een uur later staat de patrouille klaar voor vertrek. Hardeman draait aan de slinger van de veldtelefoon en luistert.
‘Goedemorgen kapitein. Hardeman hier. Geen bijzonderheden in Tempeh. Vanmorgen ga ik met een AG-ploeg een kleine verkenningspatrouille maken. Ik wil in de nabije omgeving even rondkijken.’
De kapitein heeft geen bezwaar en Hardeman stopt de hoorn in het foedraal van de veldtelefoon.
‘Oké, laten we maar gaan,’ zei Hardeman.
De patrouille liep het erf af en aan de overkant van de straat stond de vrouw in de deuropening van de warong. Naast haar stond een magere man. Beiden groette zijn vriendelijk naar de mariniers.
‘Goedemorgen tuan,’ zei de vrouw. De man naast haat lacht maar zei niets. De patrouille liep in de richting van het dorp en net voorbij de pasar gingen zij linksaf de kampong in. Het was nog niet warm maar dat zou wel veranderen. Er was geen wolkje aan de hemel. In deze streek kon het heel erg warm worden. Hemelsbreed was het niet zover van de zuidkust. In de kampong waren de bewoners al wakker. Er was een en al bedrijvigheid. De vrouwen waren bezig met de sapoelidie hun erf schoon te vegen. Dat gebeurde elke morgen en in alle kampongs. De bezem, het was eigenlijk geen bezem, maar nerven van bladeren bijeen gebonden tot een handzaam bosje waarmee je goed kon vegen. Toen de kampongbevolking ons zag naderen stonden ze aan de kant van de kampongweg en groette ons vriendelijk. De [patrouille liep achter elkaar aan beide kanten van de weg. Onze wapens hingen aan onze schouders. Ze waren wel geladen en de wapens stonden in veiligstand. Wij waren gekleed in onze gevechtskleding en droegen een helm.
De omgeving was schitterend. Wij keken op tegen de hoogste vulkaan op Java de Goenoeng Semeroe, een schitterende vulkaan. Veel sawa’s en velden waar vroeger tabak werd verbouwd. Het waren kleine velden die door de bevolking werden verbouwd. De bevolking moest ergens hun geld mee verdienen. Het was gek dat hier de tabakcultuur nog niet was hersteld. Waarschijnlijk vonden de planters het nog te gevaarlijk.
Wij liepen op ons gemak want we hadden geen haast. De bedoeling van de patrouille was om ons te laten zien bij de bevolking. Het was duidelijk voor de bevolking dat de mariniers er waren en voor ons was het goed om de omgeving te kennen. Af en toe hielden we halt en dronken koffie of thee in de warong. Ook kochten we fruit. Het waren bijna altijd bananen. In deze omgeving was het heel anders dan in andere gebieden. Er was een duidelijk verschil met de zuidkust waar wij eerder waren. In deze omgeving kende men de Nederlanders. Nergens waren er moeilijkheden. Het viel ons op dat er weinig mensen ziek waren. Ook zagen wij geen mensen met wonden of zweren. De kampongs waren schoon. De sloten en kali’s waren ook schoon en stroomden goed door. Het was werkelijk een mooie omgeving. Ook hier was de kleding armoedig. De vrouwen droegen sarongs van gebleekt katoen. Dat zagen wij ook in Tempeh. Hier merkten wij dat de bevolking er weer zin in had. De pasars waren druk bezocht. Voeding was er voldoende. Er was niemand die voor ons op de vlucht sloeg.
‘Wat wordt het warm,’ zei een marinier.
‘Hé, ben je wakker,’ zei Jan haag. Er was bijna nog niet gesproken. Iedereen had oog voor de schoonheid van het land.
‘Al een poosje hoor, korporaal,’ antwoordde  de marinier, ‘Ik dacht ik zal eerst maar niets zeggen want iedereen loopt te snurken. Hebben jullie wel gezien hoe mooi het hier is. Daar ben ik nou stil van.’
‘Ja, het is erg warm. We lopen hier in de laagvlakte er niet zo heel ver van de kust. Doe jullie je helm maar af. Dat zal schelen met de warmte. Laten we maar een warong opzoeken,’ zei Hardeman.
‘Ja, ik heb zin in een glas koud drinken,’ zei Jan Haag.
‘Er zijn hier warongs genoeg,’ zei marinier Donk, ‘ Het is maar net wat je wilt eten of drinken.’’Stampot boerenkool zullen ze hier niet hebben, dus zal je het met rijst moeten doen,’’ zei Jan Haag.
‘Ja, helaas wel. Van die rijst krijg ik een kunstkop. Ik kan er niet aan wennen,’ zei Donk.
‘En die betonhap eet je ook niet. Waar leef jij van, man.’
‘Nou, ik eet wel rijst maar ik ben er niet gek op. Maar, inderdaad die betonhap is niet te eten. Gelukkig barst het hier van de bananen.’
Ja, en van de liefde kan je hier ook niet leven. Dat ligt ook niet opgeschept. Dus dan toch maar aan de nasihap,’ zei Hardeman.
‘Ik zou die vent wel eens willen ontmoeten die die betonhap heeft bedacht. Wat moet dat voor een hufter zijn,’ zei Jan Haag.
‘Die man is helemaal geen hufter. Die vent ziet kans om heel snel rijk te worden over de ruggen van de jongens overzee. Zelf zal hij het niet vreten. En misschien is het wel dezelfde kerel die in de krant schrijft dat wij onschuldige mensen doodschieten.’.
‘Nou, maak je niet druk. In de eerste de beste warong gaan we eten,’ zei Hardeman., ‘We zullen zien wat ze daar voor ons kunnen klaarmaken.’
‘Ja, al was het mijzelf,’ zei Donk.
‘Oh, hier is een warong. We gaan hier gelijk naar binnen,’ zei Jan Haag.
Wij gingen de warong binnen. In de warong stonden een paar banken en buiten stond ook een gammele bank.
‘Twee man blijven buiten op de bank zitten’ zei Hardeman. Twee mariniers gingen buiten zitten zonder commentaar te leveren. Ze wisten precies waar het om ging. Er moest altijd een uitkijk aanwezig zijn.
Een wat oudere vrouw stond achter een tafel en keek verrast naar de mariniers. Op de tafel stonden een viertal grote glazen stopflessen. In de stopflessen was kroepoek gestopt. Kroepoek van garnalen en gekleurde kroepoek. In een gevlochten. Het zag er allemaal goed uit. Verder stonden er nog wat meer lekkernijen. Maar daar hoef  je bij een marinier niet mee aan te komen. Dat aten ze niet omdat ze dat niet vertrouwden. Daar kwamen ze van aan de rees, of zoals het ook genoemd werd, diarree.
Hardeman had nergens moeite mee. Hij at alles. Behalve vlees, of het moest gebakken zijn waar hij bij stond.
‘Kunnen wij hier eten, Ibu,’ vroeg Hardeman in het Maleis.
‘Wat wilt u eten, tuan,’ vroeg de vrouw.
‘Nasi goreng.’
‘Bisaaaah, tuan. Dat kan mijnheer.’
In de onderkaak van de vrouw stond één tand als een dukdalf.
‘We kunnen hier nasi goreng eten, zullen we dat doen,’ vroeg Hardeman.
‘Voor mij hoeft het niet,’ zei een marinier, ‘Ik eet wel bananen.’’
’Zijn er nog anderen die wat anders willen eten.’
‘Nee.’
‘Vier nasi goreng,’ zei Hardeman, ‘ U maakt hier klaar?’
‘Ja, tuan. Hier op dit vuur.’ In de hoek van de warong stond iets waarop gekookt werd. Een grote gietijzeren wadjang stond er op.
‘Oké.’
Goed, tuan.’
De vrouw ging onmiddellijk aan het werk. Ze maakte wat groente schoon met water uit een blik. Maar dat werd gelijk mee gekookt en zou geen problemen geven. Ze haalde wat stukken kip uit een pot en sneed dat aan kleine stukjes.
‘Als jij je nog wilt laten klaarmaken dat moet jet hier laten doen. Vraag gelijk of ze het met die ene tand wil doen. Dat lijkt mij lekker,’ zei Jan Haag lachend tegen marinier Donk. Hij sloeg zich daarbij op zijn bovenbeen.
‘Krijg de hik, man,’ zei Donk.
‘Dat moet je dan tegen die vrouw zeggen,’’ zei Jan haag en lachte het uit.
De anderen lachte maar wat mee. De vrouw keek nieuwsgierig om naar de lachende mariniers.. Ze begreep er geen moer van.
‘Ibu, hebt u koffie?’  vroeg Hardeman.
‘Ja, tuan.’
‘Wie moet er koffie?’
’Ja, graag.’
‘Vijf koffie.’
Het was heerlijk in de kampong te zitten waar de geur van koffie en het eten de neus streelde.
‘Dit is nu waar ik van hou. Zo in de kampong zitten,’ zei Hardeman.
‘Jij bent nou eenmaal een kamponggladakker. Volgens mij ben jij in een vorig leven Javaan geweest. Dat kan haast niet anders. Iemand die nooit in de tropen is geweest en zo als een Javaan kan leven.’
‘Kijk nou een om je heen, man. Zon, aardige mensen en geen gelul aan je kop dat is toch fantastisch,’ zei Hardeman.
‘Aardige mensen, behalve dan die mensen die proberen een gaatje in je kop te schieten. Die mensen zijn er ook genoeg. En veel meer dan wij denken,’ zei Donk.
‘Dat zijn ploppers en geen mensen,’ zei Hardeman.
‘In Nederland zijn er heel wat mensen die daar anders over denken. Die zeggen dat wij tegen vrijheidstrijders vechten. Net als wij destijds tegen de Duitsers,’ zei Donk weer.
‘Je lijkt wel een communist,’ zei Jan Haag.
‘Lul niet, ik ben geen communist. Ik zeg alleen maar wat men en in Nederland van denkt en wat mijn ouders in hun brieven schrijven,’ ging Donk verder.
‘Hé, laten we het maar over wat anders hebben. Ruik eens hoe heerlijk de nasi goreng ruikt,’ zei Hardeman, ‘ Heerlijk koffie.’
Een aantal kleine kinderen stonden naar ons te kijken. Hun monden stonden open.. Ook een paar mannen kwamen in de warong zitten. Zij bestelden koffie. Jan Haag nam de mannen op.
De mannen spraken met de vrouw. Zij spraken Javaans. Wij begrepen er niets van. Hardeman begreep wel dat de mannen over ons spraken met de vrouw. Wij kregen onze glazen met koffie. De glazen waren heet en het viel niet mee deze in de hand te houden.
‘Verdomme, het glas is heet. Ik verband mijn zaadklep,’ zei een van de mariniers.
‘Je zaadklep. Zeg maar zaadschuur. Dat is toch geen klep meer. Als je lacht gaan je oren met weekend,’ lachte een andere marinier.
‘Héhé. Hij intussen ook wakker. Ik heb je nog niet gehoord vanmorgen. We zijn anders al een paar uur onderweg, hoor. Jij kan lopend snurken.’
‘Hoor eens stomme beroepsmarinier ik moest naar de oost en zolang ik de kans krijg om te snurken dan maak ik daar gebruik van.’
‘Als je maar wakker bent als we je echt nodig hebben,’ zei Hardeman.
‘Ik geloof dat u daar geen klagen over heeft, sergeant. Maar hoe eerder ik naar huis kan, hoe liever ik het heb.’
‘Je moet niet zo snel op je strot gaan staan. Het was maar een grapje,’ zei Jan Haag. De marinier was helemaal geen beroerde vent. Hij had kennelijk een slechte nacht gehad.
Het eten was bijna klaar en rook heerlijk. De koffie was zwart en heel zoet. In de kampong is vrijwel geen melk. Toen was de nasi goreng klaar.
‘U kunt eten, tuan,’ zei de vrouw.
Ook hier waren de borden groezelig en de lepels van blijk. Maar dat mocht niet hinderen.
‘Het is verboden het bestek als souvenir mee te nemen,’ zei Jan Haag.
‘Ja, dat is echt kostbaar spul.’
Eén van de mariniers deed zich te goed aan de bananen. Wij schepten de nasi goreng uit de wadjan.
‘Kroepoek, tuan,’  vroeg de vrouw. Zij keek met een afgezakte lip naar de mariniers. De ene tand stak vervaarlijk naar voren. Zij wees op een grote stopfles. Wij pakten er een paar stukken uit, het was fijn knapperig.. De mannen keken lachend naar ons. Ze vonden het kennelijk leuk dat er Nederlanders in de warong zaten te eten.
‘Die kerels zitten nou wel tegen ons te lachen maar misschien zijn het wel ploppers,’ zei jan Haag tussen twee happen door.
‘Zolang ze geen geweer op onze kop richten dan kunnen wij wel even doorgaan met schaften,’ zei Hardeman.
‘Schaften doe ik wel. Maar ik heb mijn geweer dichtbij mij staan,’
‘Wij moeten ook niet zitten slapen,’ antwoordde Hardeman.
De nasi goreng was voortreffelijk. Je moest even wennen aan de olie, de zogenaamde klapperolie. Maar het smaakte best. Er was eten genoeg en er kwam nog pisang goreng, gebakken banaan. Bij. De vrouw glimlachte naar de mariniers en probeerde het ons naar de zin te maken. Na enige tijd toen wij klaar waren met eten gingen we buiten op de bank zitten.
‘Mensen wat heb ik lekker gegeten. En nou een tukkie doen,’ zei Jan haag en ging achterover hangen.
‘Ja, het heeft mij ook lekker gesmaakt. Ik hoop dat ik niet aan de rees raakt. Ik ben wel eerder aan de schijterij geraakt door die klapperolie,’ zei Donk.
‘Ben je belazerd man. Daar raak je niet van aan de rees.’
‘We gaan opstappen en als we op tijd thuis zijn dan kunnen we altijd nog even een tukkie doen,’ zei Hardeman.
‘Afrekenen, heren,’ riep Hardeman.
‘Wat afrekenen, we zijn toch op dienstreis.’
‘Vraag maar een kwitantie aan die vrouw en ga dan maar de compagniescommandant,’ zei Hardeman.
‘Dan mag je wel een krat cognac meenemen.’
‘Je wilt toch niet zeggen dat onze CC drinkt, wel?’
‘Nou, nee, drinken niet, zo kan jet het niet noemen.’
Iedereen lachte om de grap. De mariniers betaalden hun portie nasi goreng en de bananen. Ze gaven een flinke fooi aan de vrouw. De vrouw straalde. Ze had er goed aan verdiend maar dat mocht ook best.
‘Dank u wel, tuan,’ zei de vrouw.
‘Ja, wijfie, dat zit wel goed,’ zei Jan Haag.
De kinderen stonden er nog steeds. Ze hadden rustig gewacht. Nu stonden ze om de mariniers heen en vroegen om sigaretten. De kinderen stonden met hun armpjes omhoog. En ze kregen de sigaretten.. De vrouw begon tegen de kinderen op te spelen. Ze reageerden onmiddellijk en lieten de mariniers met rust. Zr gingen aan de kant van de weg staan.
‘Dank u wel, tuan,’ riepen de kinderen.
‘Selamat djalan. Goede reis.’
De mariniers staken hand op en lachten naar de kinderen.
De patrouille ging verder nagekeken door de vrouw en de kinderen. De mannen waren in de warong blijven zitten. De mariniers waren goed uitgerust en hadden goed gegeten en gedronken.
‘Ik wil om een uur of drie thuis zijn, Jan,’ zei Hardeman.
‘Dan moeten we nu wel aan de terugweg beginnen.’
‘Dat doen we dan maar.’
‘We lopen in een boog terug en dan hebben we het hier wel gezien. We hebben met de bevolking kennis gemaakt en zij zullen het wel door vertellen aan hun families en buren dat wij geweest zijn,’ zei Hardeman.
‘Het ziet er betrouwbaar uit hier in de omgeving,’ zei Jan Haag.
‘Laten we hopen dat het zo blijft. Ik moet nog wel eens terug denken aan Modjokasri. Daar dachten we ook dat het rustig was. Het leverde ons wel een gesneuvelde marinier op.,’ zei Hardeman.
‘Ja, dat is wel zo. Toch lijkt de bevolking hier anders dan in het Modjokertose,’ zei  Jan Haag.
‘Ja, daar heb je gelijk in. Laten we de snelheid opvoeren dan zijn we ook snel thuis,’ zei Hardeman..
Het was intussen erg warm geworden. De zon stond op zijn hoogste punt en de mariniers waren nat van transpiratie.
‘Ik zou best op mijn tampatje willen liggen,’ zei Donk met een rood hoofd van de hitte.
‘Ja. Van die nasi goreng heb ik slaap gekregen,’ geeuwde Hardeman.
‘Ja, als we thuis zijn lekker in bad en dan plat,’ ruimt  Jan Haag.
‘Ik zou nog wel even naar de warong gaan, Klaas,’ zei jan Haag, ‘ dat mooie meisje laat jou niet meer los.’
‘Daar kan je best eens gelijk in hebben. Maar ik ga toch eerst plat,’ antwoordde Hardeman.
Omstreeks kwart over drie zijn de mariniers terug op de post. We kwamen nu van de andere kant. Wij hadden in een grote boog gelopen. Bij de warong stonden een aantal kampong bewoners en een paar mariniers. Er werd smakelijk gelachen onder elkaar. De vrouw stond in de deuropening toen wij er langs kwamen lopen. Ze keek lachend naar de mariniers die voor de warong stonden. Toen ze ons zag aankomen deed ze een stap naar voren en groette ons.
‘Selamat datang, tuan.’
‘Selamat siang. Goedemiddag,’ antwoordde Hardeman. Hij liep naar de vrouw toe. De vrouw keek wat verlegen naar hem met een lachje om haar mond.
‘Straks om ongeveer zeven uur kom ik in de warong eten.’
‘Ja, tuan.’
De mariniers liepen naar het huis en gingen naar binnen. Onmiddellijk trokken zij hun kleding uit en gingen naar de mandikamer. De bezwete kleding lag naast de tampatjes.
‘Na de middagrust wapenonderhoud,’ riep Hardeman.
‘Jaja,’ zei iemand, alsof hij bedoelde dat weten we nu wel.
Korporaal Levi kwam naar Hardeman toelopen. Hardeman zat nog even achter het bureautje.
‘Hoe is het gegaan, Klaas.’ Vroeg Levi.
‘We hebben nergens moeilijkheden gehad. Het is rustig en de bevolking is heel vriendelijk en zien er gezond uit. De omgeving is mooi en ziet er schoon uit,’ zei Hardeman, ‘En van ploppers is niets merkbaar. Maar dat zegt niets. In een warong waar wij gingen eten kwamen een paar jongere mannen. Maar het leek niets verdacht.’
‘Het is nu eenmaal moeilijk om aan een Indonesiër te zien of hij een plopper is. Zo lang ze geen wapens dragen en het ons niet lastig maken dan kan je niets doen. En wij hoeven ook niets te doen,’ zei Levi.
‘Ja, dat is zo. Van de VDMB horen we ook niets verontrustends
‘Hier is het ook rustig geweest. Er zijn een paar kleine jongens geweest en zij willen onze kleding meenemen naar de kampong om te wassen. Ik heb gezegd dat ze nog Maar eens moesten vragen. Ik wilde het eerst met jou bespreken.
‘Ik heb aan de vrouw in de warong gevraagd of er vrouwen in de kampong zijn die onze kleding zouden willen wassen. Zij heeft het kennelijk gedaan en zijn die kleine jongens erop afgestuurd om de was te halen. We moeten wel precies weten wat we afgeven. Het moet niet zo zijn dat straks mensen met onze kleding aan lopen. Het belangrijkste is dat onze kleding gewassen wordt.’ Hardeman was zijn karabijn aan het schoonmaken.
‘Ik zet mijn karabijn in elkaar en ga het haar nog eens vragen,’ zei Hardeman.
‘Goed, dan hoor ik het nog wel.’
Hardeman liep naar de overkant. De vrouw was er nog. Ze had een glimmend gezicht van de warmte en waarschijnlijk van het koken. Ze zat in de warong. Ze keek lachend naar Hardeman toen hij de warong binnen kwam.
‘Goedemiddag, tuan.’’
‘Goedemiddag.’
‘Bent er ver weg geweest, tuan?’
‘Nee, we zijn een aantal kampong doorgelopen en hebben ergens gegeten. Maar even wat anders. Heb je nog gevraagd in de kampong of er vrouwen zijn die voor ons willen wassen. En is dat vertrouwd?’
‘Ja, tuan. De kinderen halen de was op. U hoeft niet bang te zijn dat de kleding wordt gestolen. Elke morgen krijgt u de was schoon en gestreken terug.’
‘Goed, laat de jongens maar komen. Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Waarom vraagt u dat, tuan?’
‘Omdat ik je graag bij je naam wilt noemen. Dat vindt ik vriendelijker.’
‘Mijn naam is Soepiah, tuan.’
‘Voortaan noem ik jou, Soepiah. Is dat goed?’
De vrouw werd er wat verlegen van en keek lachend naar Hardeman.
‘Dat mag u doen, tuan,’ zei de vrouw verlegen.
‘Vergeet niet Soepiah dat ik straks kom eten.’
‘Ik zal het niet vergeten, tuan.’
Hardeman ging terug naar het huis waar de mariniers bezig waren met wapenonderhoud.
‘Jullie kunnen je kleding in de kampong laten wassen. Het is betrouwbaar,’ zei Hardeman.
‘Gelukkig. Ik moet er niet aan denken elke dag zelf mijn plunje te moeten wassen,’ zei De Muis.
‘Ja, jij gaat liever plat,’ antwoordde Donk.
‘Dat heb jij nou een goed door van deze Amsterdamse jongen. En als het effe kan ook nog graag er iets onder,’ zei  De muis met zijn spitse gezicht en zijn half geopende mond.
‘Jonge, jonge, jij denkt alleen maar aan plat gaan met vrouwen. Je lijkt Jaap Meertens wel die moest ook altijd zo nodig, hé Klaasie,’ zei Jan Haag lachend.
‘Ja,’ lachte de Muis, ‘ als het effen kan, graag met een vrouw.’ De Muis liep grinnikend weg met zijn schoon gemaakte geweer onder de arm.
Intussen waren de jongens uit de kampong er ook. Zij namen de vuile was mee. Hollend gingen ze naar de kampong. Hardeman ging zich baden. In de mandikamer stonden nog twee mariniers onder schuim.
‘Kom op. sergeant. Het water is heerlijk en je knapt er van op.’
‘Ja, dat is nou een van de fijne dingen in dit land dat je altijd lekker kunt baden en zelfs meerdere malen per dag,’ antwoordde Hardeman. Na het baden ging Hardeman op het platje zitten. Van een middagdutje kwam niet veel meer. Over een uur was het alweer donker. Het was druk op de straat. Het was een en al bedrijvigheid. Er reden dokars, een rijtuigje met een paardje er voor. Ook zijn er fietsers en militair verkeer. In de warong was het druk en zten kampong bewoners te eten. Soepiah was er maar druk mee. Ook stond de magere man, die vanmorgen al bij de warong stond, in de warong.
Hardeman wilde meer van de man weten en liep op hem toe. De man stond Hardeman lachend op te wachten. Hij stak zijn hand uit toen Hardeman voor hem stond.
‘Mijn naam is Edy,’ zei hij in vrij goed Nederlands.
Hardeman keek verbaasd naar de man.
‘U spreekt goed Nederlands?’
‘Beetje, mijnheer, zei de man bescheiden.
‘Mijn naam is Hardeman. Woont u hier in de kampong?’
‘Ja mijnheer ik woon hier in de kampong. Even hier het pad in en dan aan de linkerkant. Deze warong is van mij,’’ antwoordde Edy.
‘Oh, is Soepiah een dochter van u?’
‘Nee mijnheer. Soepiah is familie,’ Edy keek lachend naar Hardeman. Verder liet hij het erbij.
‘Waar komt u vandaan,mijnheer,’ vroeg Edy.
‘Wij zijn gisteren van de zuidkust gekomen en via Pasirian zijn wij hier in Tempeh terecht gekomen.’
‘Oh,’ zei Edy. Hij keek naar Hardeman of hij zeggen wilde dat wist ik al.
Edy liet niet weten dat hij veel meer wist dan dat Hardeman dacht. Een Indonesiër is niet onbeleefd door veel vragen te stellen. Hardeman wist ook wel dat deze Edy veel meer wist dan dat hij liet merken. Hardeman had al naar zijn handen gekeken. Die waren glad en slank. Dat waren geen werkhanden. Edy had een witte broek en wit jasje aan. Hij zag er verzorgd uit. Hardeman zei ook verder niets over dingen die Edy niet aangingen. Er werd nog wat heen en weer gesproken. Edy nodigde Hardeman uit om in zijn huis in de kampong koffie te komen drinken. Hardeman sloeg het aanbod niet af. Wilde meer te weten zien te komen over Edy. Maar ook over het leven in de kampong bij de mensen thuis. Ook nu kwam hij de gelegenheid iets over Soepiah te weten te komen.
‘Tuan, u kunt eten,’ zei Soepiah.
‘Dank je wel. Ik kom eraan.’
‘Gaat u gang, mijnheer,’ zei Edy.
‘Dank u.’
In de warong was het rustig. De meeste mensen waren weg. Er was nu plaats genoeg. Er zaten nog twee mannen en een vrouw te eten.
‘Eet smakelijk,’ zei Hardeman tegen de mensen.
‘Dank u wel, tuan.’
Toen Hardeman zijn bord vol rijst, kip en groente voor zich had staan wensten de drie mensen hem ook smakelijk eten.
Het eten rook heerlijk. Het water liep Hardeman uit de mond. Soepiah zette een glas koffie voor hem op de tafel. Het was zwarte koffie. Melk hadden zij niet in de warong.
Soepiah kwam bij hem in de buurt zitten en keek hem aan.
‘U hoeft niet bang te zijn, tuan. Er is hier geen tentara,’ zei zij.
Ze sprak zacht en het was alsof ze met het gesprek van vanmiddag gewoon doorging.
‘Wij zijn ook niet bang, Soepiah. Wij willen graag contacten maken met de bevolking. Ook willen wij veel van de omgeving zien. Wij hebben vanmorgen gemerkt dat de bevolking erg vriendelijk is.’
‘Ja tuan,’ zei Soepiah.
Hardeman begint lichtelijk te transpireren. De zweetdruppels liepen over zijn gezicht. Ook zijn borst was nat.
‘Heeft u het warm, tuan?’ vroeg Soepiah.
‘Ja, dat komt door het eten.’’
Soepiah lacht. Ze had een mooi gezicht en mooie ogen. Haar borsten stonden strak in de kabaja. Ook daarvan zou je het warm krijgen. Haar sarong was schoon ondanks het grauw wit. Om haar middel had ze een brede band. Haar middel leek op een wespentaille. Zij liep op blote voeten. De voeten waren stoffig maar gaaf. Ook haar handen zagen er schoon en goed uit. Bij het lopen wiegde haar lichaam heen en weer nier overdreven maar gracieus. Hardeman had de volle aandacht voor haar.
Edy kwam naast hem zitten.
‘Smaakt het mijnheer,’ vroeg Edy.
‘Het is heerlijk. Soepiah kan goed koken.’
Soepiah die haar naam hoort keek achterom en vroeg aan Edy wat er werd gezged. Edy antwoordde in het Javaans. Soepiah keek vriendelijk naar Hardeman.
‘Noem mij maar sergeant,’ zei Hardeman.
Edy knikt en lachte.
‘Hoelang woon je hier al in de kampong, Edy.’
‘Ik ben hier geboren, tuan.’’
‘Ben je getrouwd en heb je kinderen.’
‘Ja, ik ben getrouwd en heb kinderen. Hoeveel kinderen hij had en waar ze waren vertelde hij niet.
‘U komt straks koffie drinken, sergeant. Dat is gezellig.’
‘Ja, ik kom graag bij u koffiedrinken.’
‘Als u klaar bent met eten dan sluiten wij de warong af en gaan wij naar de kampong,’ zei Edy.
‘Dan ga ik gelijk mee.’’
In het Javaans zei Edy tegen Soepiah dat Hardeman gelijk mee ging naar de kampong. Soepiah keek naar Harden en lachte naar hem. Ze begon direct op te ruimen en af te wassen. Het eten was op.
‘Edy ik ga even zeggen dat ik bij u in de kampong ben. Dan weten ze waar ik ben.’ Zei Hardeman.
Hij liep naar zijn huis en zei tegen Jan Haag, ‘ Jan. Ik ben met Edy en Soepiah in de kampong.’
‘Hij heeft het voor elkaar hoor. Hij weet de namen van de mensen ook al. Edy en Soepiah,’ lachte Jan Haag, ‘ Oké, Klaas. Dan weet ik waar je bent. Kunnen de jongens gaan passagieren?’
‘Ja, dat kan. Maar met twee of meer man en wapens meenemen.’
‘Net als de sergeant,’ zei Jan Haag.
‘Jan is de wacht geregeld?’
‘Ja, Helmuth zorgt voor de wacht vanavond.’
‘Goed, dan ga ik maar. En ik neem mijn karabijn mee.’
Hardeman liep naar de overkant van de weg waar Edy en Soepiah stonden te wachten. De warong was opgeruimd en afgesloten. Samen liepen zij naar het huis van Edy. Het stond ongeveer vijftig meter de kampong in. Bij het huis stond de vrouw van Edy op ons te wachten. De vrouw boog enigszins voorover als groet en nodigde Hardeman binnen te komen. Het was een gedekhuis, gemaakt van bamboematten. Zoals bijna alle kamponghuizen waren gemaakt. In het huis was een ruimte waar een tafel stond met er om heen houten stoelen. Het was een gewonen houten tafel zoals wij die in Nederland ook kennen. Achter deze ruimte was nog een ruimte waar baleh-baleh stonden. Verder naar achteren was de keuken. Er stonden een paar oliestellen op een tafel die tegen de achterwand stond. In het huis brandden olielampen. Edy wees Hardeman een stoel bij de tafel. Zij gingen beiden bij de tafel zitten. De vrouwen verdwenen in het achterhuis.. Ook Soepiah ging naar het achterhuis.
Dat was bij de Indonesiërs normaal. Hardeman vond het jammer want hij had graag dat Soepiah ook bij hen was komen zitten.
‘Wilt u iets drinken, sergeant, iets kouds of warm,’ vroeg Edy.
‘Geef maar iets warms.’ Hardeman had liever geen koude drank omdat je niet wist waar het water vandaan kwam. Van warm drinken wist je dat het water gekookt was.
Edy zei iets in het Javaans. Even later kwam Soepiah met een dienblad met twee glazen. Een met zwarte koffie en een glas met een koude drank. Soepiah keek lachen naar Hardeman. Het glas met koffie werd  voor Hardeman neer gezet.
‘Dank je wel,’ zei Hardeman. Soepiah knikte met het hoofd en lachte weer.
‘Ik drink ’s avonds als iets kouds. Dit is een soort siroop,’ lachte Edy.
Edy en Hardeman spraken over allerlei zaken maar niet over politiek.
Edy vertelde dat de vorige groep mariniers aardige jongens waren. Zij hadden ook veel contact gehad met de bevolking. Hardeman wilde toch wel iets vragen over de aanwezigheid van ploppers.
‘Edy, hoe zit het hier met de aanwezigheid van TNI‘ers?,’ vroeg Hardeman.
‘Hier zijn geen TNI’ers, sergeant,’ zei Edy met een flauw glimlach, ‘’U kunt hier overal komen er is enkel gevaar. U kunt hier ook ongewapend lopen. Dat zal de bevolking prettig vinden. Het geeft vertrouwen aan de bevolking. U hoeft nergens bang voor te zijn.’
‘Edy, je moet het mij niet kwalijk nemen, maar op veel posten waar wij hebben gezeten en waar wij ook goede contacten hadden met de bevolking werden wij aangevallen door de TNI of groepen.. Daarbij werden onze mensen gedood of gewond. Wij zijn hier niet om te vechten.’
‘U hoeft niet bang te zijn dat dat hier gebeurt. U kunt het aan uw man van de veiligheidsdienst vragen,’ zei Edy. Hij wist dus dat onze buurman een man was van de veiligheidsdienst was.
‘Weet u, sergeant, dat uw man van de veiligheidsdienst hier vroeger met zijn ouders heeft gewoond?’
‘Dat wist ik niet. Maar goed, Edy, ik hoop dat je gelijkt hebt.. Ik zou het erg vinden als wij hier moeilijkheden krijgen met de TNI of andere groepen. Het zou nog erger zijn als een van mijn mensen hier iets overkomt. Als dat gebeurt Edy dan zal ik hard terugslaan.’
Edy gaf er geen antwoord op. Na dit gesprek kwamen de vrouwen bij ons zitten. Edy’s vrouw, Soepiah en nog een jonge vrouw. Deze vrouw was ook klein. Wat dikker en boller in haar gezicht. Ze lachte vriendelijk. Soepiah was de knapste van de drie. De jonge vrouw werd voorgesteld als ook een familielid. De vrouwen vroegen allerlei dingen via Edy over Hardeman. Ze wilden graag weten of ik getrouwd was. Waar hij in Nederland woonde. Het was een gezellig vraag en antwoord spelletje. Het werd warm in huis en Edy stelde voor om buiten te gaan zitten. Het was buiten heerlijk. We zaten op een bank die voor het huis stond. Het was een beetje lastig praten zo op een rijtje. Edy haalde er een paar stoelen bij  zodat er een kring werd gevormd. Intussen waren er kinderen bij komen zitten zij zaten op een tiker, matje. Ze waren erg lawaaierig en lacherig. Edy moest af en toe optreden en hen tot kalmte manen. Toen Hardeman in het Nederlands met Edy begon te praten moesten de kinderen lachen en den de klanken na. Soepiah ging naar binnen en kwam even later terug met koffie. Edy’s vrouw ging naar binnen. De jonge vouw bleef zitten en deed heel verlegen Ook zij droeg een sarong van ongebleekt katoen.
‘Komt u morgen weer in de warong eten, tuan,’ vroeg Soepiah. Eigenlijk wist ze antwoord al. Misschien wilde zij een praatje maken.
‘Ja,’ zei Hardeman, ‘ Morgenochtend om tien uur kom ik weer bij je eten. Als je eten klaar is moet je mij maar waarschuwen.’
‘Ja, tuan, dank u wel,’ zei Soepiah met een lieve glimlach. Het was ongeveer half tien en Hardeman zei dat hij terug naar huis ging. Zij vroegen niet of hij langer wilde blijven. Zij accepteerden zijn besluit. Een Indonesiër dringt niet aan.
‘Vriendelijk bedankt voor u komst naar mijn huis, sergeant,’ zei Edy.
‘Ik vond het fijn in uw huis te mogen zijn, Edy,’ antwoordde Hardeman, ‘ Ik dank de dames voor hun vriendelijkheid. Wil je dat tegen ze zeggen, Edy?’
Edy zei iets tegen hen en de vrouwen lachten vriendelijk naar Hardeman.
‘Dank u wel. Mijnheer,’ zeiden de vrouwen.
‘Dank u wel, sergeant,’ zei Edy.
Toen Hardeman het er verliet en naar het pad liep vergezelt Soepiah hem tot het pad.
‘Welterusten, tuan,’ zei ze.
Ze keerde zich om en liep weer terug naar haar huis. Toen Hardeman in zijn huis kwam zaten er nog een paar mariniers op het platje met een pilsje.
‘Fijne avond gehad, sergeant,’ vroeg Donk.
‘Ja, het was gezellig.’
‘Die mooie meid in de warong zou je daar niet plat mee kunnen, sergeant. Ze is best de moeite waard,’ zei de Muis.
‘Wie weet. Ik heb het niet geprobeerd.’
‘Moet je nou horen, hij heeft het nier geprobeerd. U wilt toch niet zeggen dat u daar vliegen hebt zitten vangen.’
Hardeman ging er niet op in. Hij was inderdaad onder de indruk van Soepiah. En aan haar manier van doen is zij ook niet helemaal onverschillig tegenover hem

Copyright © 2008, C. Hartsuiker - All Rights Reserved


Creatie datum : 27/03/2008 @ 10:06
Laatste wijziging : 27/03/2008 @ 10:06
Categorie : Hartsuiker, Cees
Pagina gelezen 6990 keren


Print preview Print preview     Print deze pagina Print deze pagina

Reacties op dit verhaal


Er heeft nog niemand gereageerd.


Share
Zoeken




Bezoekers 01-01-2008

 604350 Bezoekers

 8 Bezoekers online

TopArtikelen
^ Boven ^