3.



en zedelijke ellende bedekt, ook bij de Indo-Europeanen. In de gevangenis zou ik daar meer van hooren. Achtereenvolgens bezocht ik de Centrale Gevangenis voor Europeanen, het Dwang-arbeiderskwartier op de Aloon-aloon, dat te Boegangan, en de Vrouwengevangenis te Boeloe,

a. De Centrale Gevangenis voor Europeanen.

Wat het gebouw betreft, dat maakte geen ongunstigen indruk; alles zag er goed onderhouden uit, en de slaapkamers waren zelfs 's nachts luchtig te noemen; ook werden klamboes verstrekt tegen de muskieten, wat onzen soldaten nog altijd wordt onthouden.

De sterkte was in Januari 1902 als volgt: 18 in het tuchthuis, waaronder 3 vrouwen; 37 burgers (w. o. 2 vrouwen) en 29 militairen in de gevangenis, terwijl er 15 preventief zaten (i vrouw) en 12 civiele gegijzelden aanwezig waren.

Die in het tuchthuis zijn opgenomen mogen niets extra's hebben, zelfs geen plaatjes aan de wanden hunner cel; de anderen hebben zulke voorrechten wel, als zij ze zelf kunnen betalen, wat niet gemakkelijk is, daar zij voor hun werk geen loon ontvangen.

Mijn aandacht werd gevestigd op zes jonge Indo's, verschoppe-lingen der Europeesche maatschappij, die zich aan zeeroof hadden schuldig gemaakt.
Een ander Indo-Europeaan, die een bepaald gunstigen indruk maakte, was onder den helschen invloed geraakt eener vrouw wier minnaar hij was. Op haar aanstoken had hij zich in hinderlaag gelegd, om den man dezer Messalina te vermoorden; door mis te schieten had hij echter zijn minnares gedood; een misdaad uit hartstocht, die iemand niet tot een slecht mensch stempelt. Voor hem is dus herstel mogelijk.

Een groot bezwaar, ook uit het oogpunt van zedelijkheid, is het niet verschaffen van een eigen kamer aan elk der gevangenen. Nu zitten soms zeven mannen bijeen, waardoor een bekende zonde wordt in de hand gewerkt; en reeds enkelen drongen er op aan, te worden weggenomen uit een lokaal, waar zij geen oogenblik met rust werden gelaten door medegevangenen, die "van zwaren gang" bleken, zooals de geijkte uitdrukking aldaar luidde. Onder