Kazerneleven



Uit officiële bronnen weten we, dat rond de eeuwwisseling zeker de helft van alle Europeanen in Indië uit militairen bestond. Met name diegenen met een lagere rang leidden een hard en armoedig leven en werden bovendien als sociaal mindere gezien.


Maar weinig minderen en onderofficieren in het KNIL waren getrouwd in de tweede helft van de 19e eeuw.

Veel militairen leefden in de kazerne samen met hun Inheemse
nyai (niai, of njai) oftewel ‘huishoudster’ en met eventueel uit de verhouding voortgekomen kinderen. Een vrouw moest zich officieel als huishoudster laten inschrijven bij de Nederlandse kazerneleiding. Formeel werd zij nyai door introductie bij de compagniescommandant en met overlegging van een schriftelijk bewijs van goed gedrag door het kamponghoofd of door een hoofd van het civiel bestuur. Vervolgens werd zij ingeschreven in het Register van de Njais: naam, landaard, datum van toelating en de naam van de militair bij wie zij hoorde. Zij kreeg een pas die haar toegang tot de kazerne gaf. Het was een eenvoudige procedure. Men gebruikte in de kazernes overigens niet het woord nyai, maar moentji.
Vrijwel altijd was het armoede die een vrouw (en haar familie) bewoog tot een soldatenbestaan. Het nyai-schap bood bestaanszekerheid en een geregeld inkomen. De lagere KNIL-soldaat mocht dan in Europese ogen uitschot zijn, dat lag voor de lokale bevolking toch anders. Voor de Inheemse bevolking was het koloniale leger omgeven met prestige en status. Iets daarvan straalde af op de soldaten-vrouw. Zij beheerde bovendien het (schamele) huishoudgeld en ook dat gaf haar enige macht. Binnen de smalle marges van het kazernebestaan slaagden veel moentjis erin iets van hun nieuwe leven te maken.

Hieronder een korte schets van de woon- en leefomstandigheden in de
tangsi.

De
tangsi was het militaire kampement waar soldatenmanschappen, korporaals en soms onderofficieren van het KNIL in waren ondergebracht in legeringsgebouwen, ingedeeld naar landaard. De tangsi was van de buitenwereld afgesloten door een omheining. Grootvader Hupkens moet in zo’n tangsi een deel van zijn militaire leven hebben doorgebracht. De gehuwde sergeanten (en gehuwde Europese minderen, maar dat waren er niet zoveel) bewoonden aparte stenen dienstwoningen, een zogenaamde zevendeklas-woning, net binnen of net buiten de kawat (omheining). Een adjudant (de hoogste rang bij de onderofficieren) had een zesdeklas-woning. Bij de officieren gold: hoe hoger de rang, hoe groter de woning en hoe verder weg van de tangsi. De verst gelegen officierswoningen waren luxe onderkomens, voorzien van paardenstal en paviljoens. De Inlandse militairen woonden er apart in chambrees met hun gezinnen. Evenals de budjangs of vrijgezellen. In de chambrees, de verblijfszalen, speelde zich het familieleven af, zelfs het meest intieme deel ervan. In tegenstelling tot de éénmans-britsen met strozak voor de budjangs, had de gehuwde of samenwonende Inheemse militair de beschikking over een slaaptafel van ijzer en planken voor hemzelf en zijn gezin, met de bijbehorende ruimte tussen twee slaaptafels. Ruimten die breder waren dan normaal voor de budjangs, omdat de kinderen er op de vloer sliepen, op tikars, matten van gevlochten bamboe. De kolong heette de ruimte onder de bedden; deze ruimten werden eveneens benut als slaapplaats indien een gezin veel kinderen had. Zo ontstond de naam anak kolong: 'kruipruimtekind', of ook wel anak tangsi, een kind, geboren en levend in de kazerne.

De tangsi's (grote en kleine) kenden vrijwel allemaal een vaste indeling. Rond het grote exercitieterrein (waarop parades, exercities en praktijkinstructies plaatsvonden) in het midden van het kampement, lagen aan de voorkant het wachtgebouw en het korpsgebouw, waar de commandant en de militaire administratie zetelden, aan de zijkanten de legeringsgebouwen, in de vorm van een grote H, met op de vier hoeken de chambrees en aan de achterkant de keukens, loodsen en stallen. Het geheel was ruim opgezet, met flinke afstanden en veel schaduwrijke bomen tussen de gebouwen. Centraal in een legeringsgebouw bevond zich het dagverblijf, met daarin een bescheiden kantine beheerd door een wat oudere
spandri (een Inheemse soldaat eerste klas) en zijn vrouw. In de zijvleugels sliepen de militairen en hun vrouwen en kinderen. De sanitaire voorzieningen bestonden uit overdekte badkamers, hurktoiletten en een discreet ingericht 'reinigingslokaal', waar altijd tubes SN-zalf (sine nomine = zonder naam) klaar lagen ter bestrijding van geslachtsziekten.

Het kazerneleven kende een militair regime voor iedereen die er woonde, blank of bruin, man, vrouw en kinderen. Het leven van alledag was ingesteld op het signaal van de hoornblazer, terwijl de vrouwen en kinderen evengoed aan de militaire tucht en reglementen (het Reglement op de Inwendige Dienst) gebonden waren als hun mannen en vaders.
Om vijf uur 's ochtends klonk de reveille. De manschappen hadden een uur om te ontbijten en glimmend gepoetst op het ochtendappèl te verschijnen. Om kwart over zes volgde een urenlange instructie, die om half elf eindigde met het blazen van de
'afslag'. Dan was het tijd voor een kleine maaltijd. De vrijgezellen aten soep uit de tangsikeuken, de anderen aten het hapje dat door hun vrouw was klaargemaakt. In de tangsi vonden onophoudelijk kleine volksverhuizingen plaats. Wanneer het appèl begon, moesten de vrouwen en kinderen de chambrees verlaten. Zij gingen naar de vrouwenloods, de kookloods en de wasplaats. Deze vrouwenloodsen lagen buiten de eigenlijke tangsi, maar evenzeer omheind. Vrouwen en kinderen mochten zich vanaf kwart over zes 's ochtends niet meer in de chambrees ophouden. Naast koken en wassen gingen ze via een aparte uitgang naar de pasar (de markt) voor de dagelijkse inkopen (belanja). Kinderen gingen via dezelfde uitgang naar school, begeleid door een spandri, die hen soms letterlijk aan een touwtje bijeenhield. Tegen de tijd van het middagmaal, om half twaalf, klonk het hoornsignaal 'afslag', om twaalf uur gemeenschappelijk eten. Daarna mocht men tot drie uur naar de eigen plek, tot de volgende 'afslag', vervolgens weer twee uur bepaalde werkzaamheden verrichten, waarna het vanaf vijf uur was toegestaan om weer naar de eigen chambree te gaan. Vele gezinnen namen dan echter van de gelegenheid gebruik om naar buiten gaan om te kuieren, te winkelen of nog wat te eten. Rond de tangsi waren altijd volop toko's (winkels) en warongs (eetstalletjes) te vinden. Om tien uur 's avonds werd de taptoe geblazen. Iedereen moest dan binnen zijn, behalve degenen die over een avondpermissie beschikten om tot twaalf uur 's nachts weg te blijven.

De militaire rangorde van de mannen gold ook voor de vrouwen. De moentji van de sergeant-majoor had de algehele leiding over de vrouwenafdeling. De actieradius en de macht van de vrouwen nemen af met de lagere rang van de man. Maar in het algemeen speelde de vrouw een belangrijke rol in het Indische leger. Het was in de 19e eeuw in de tangsi dus zeker geen pure mannenmaatschappij, dit in tegenstelling tot de burgermaatschappij buiten de kazerne.

Het leven als militair werd bepaald door veel overplaatsingen; in de stamboeken strekte zich dat uit van de Preanger op West-Java tot Surabaya in Oost-Java, vaak zelfs naar garnizoensplaatsen buiten Java. Het was regel dat de familie mee verhuisde. Ook Grootvader Hupkens heeft vele overplaatsingen meegemaakt.

De wereld van de 'mindere militairen' (ook die van de Europese soldaten en korporaals) was een gemengde en zeer gesloten gemeenschap, geïsoleerd van de burgermaatschappij en de officieren. Zij bleven in de dienstsfeer leven, zij werden niet toegelaten in de plaatselijke burgersociëteit, hun plaats was de kazernekantine. Vanuit de Europese en Indo-Europese burgermaatschappij werden de moentji’s en de anak kolongs als paria’s beschouwd en met de nek aangekeken, zelf beschouwden zij zich als meerdere (met eigen erecodes) van de andere burgers.

In de boeken
‘Anak Kompenie’ (1965) en ‘Bibi Koetis voor altijd’ (1974) van de schrijfster Lin Scholte wordt een aardig beeld geschetst van de moentji:

"Het beeld van de tangsi-vrouw wordt meebepaald door haar voorgangsters uit de negentiende eeuw. Een ander kenmerk van de tangsi-vrouw was de gewoonte een sigaret, dan wel
rokok kretek, een Inheems strootje met kruidnagel, in haar wrong te steken. Dit gebruik was afkomstig uit de tijd dat de vrouwen met hun mannen meetrokken door de wildernis van tanah sabrang, land overzee. Dagen, wekenlang gingen ze te voet langs rintissans (ongebaande paden) en door sompige moerassen, op weg naar een vesting of bivak, met elk moment de kans op een treffen met de djahats, de rebellen. Zij stonden hun mannen letterlijk bij in het heetst van het gevecht; ze leden gebrek en ontbering op die tochten, evenals hun mannen. Vrouwen kregen geen ordeteken voor moed, beleid en trouw. Als teken dat zij ook erbij geweest waren, behielden zij die gewoonten uit die ruige dagen in een mannengemeenschap. Met op het hoofd de kondé perdom (knot, wrong), sigaret erin gestoken en nog één tussen de lippen, met opgestroopte mouwen, de rand van de sarong flink boven de enkel en een ruw vocabulaire, vrijmoedig, recht op het doel afgaand, kortom: branie!"

Het kazerneconcubinaat was dus sinds jaar en dag ingeburgerd (al in 1836 had de legerleiding officieel toestemming gegeven voor de huisvesting van soldatenvrouwen) en werd van hogerhand getolereerd. Er kwamen hieromtrent problemen toen in de jaren tachtig van de 19e eeuw in Nederland, niet in Indië, een zedelijkheidsstorm opstak, vooral gericht tegen de ("ongegeneerde") gang van zaken op de grote gemeenschappelijke slaapzalen in de tangsi. Er werden maatregelen getroffen in de vorm van 'zedelijkheidsgordijnen' en scheidingswandjes. Vanaf 1908 komt het kazerneconcubinaat steeds minder voor, doordat het ook gehuwde minderen werd toegestaan een aparte dienstwoning te betrekken. Na de Eerste Wereldoorlog verdween de oude, rommelige, maar levendige tangsi, waarvan ook de Hollandse en Indische soldaten zo'n onlosmakelijk deel waren geweest. Daarvoor in de plaats kwam een overzichtelijke en netjes geordende militaire gemeenschap, waarin de verschillende landaarden en categorieën duidelijk te onderscheiden waren.

Nogmaals de nyai

Ook buiten de kazernepoort in de burgermaatschappij kwam in Indië het concubinaat zeer veelvuldig voor, het was meer regel dan uitzondering, en het ontstaan ervan kent uiteraard een aantal oorzaken. De Inlandse vrouw in zo’n concubinaat wordt nyai genoemd, zoals hierboven al vermeld is. Het woord nyai is een
koloniale term, met het gebruik ervan plaats ik me in een koloniaal kader. Een wat meer neutrale term voor de nyai is ‘een niet-gewettigde vrouw’. We raken hier aan een voor veel Indische families gevoelig onderwerp.
In vermoedelijk elke Indische familie heeft ooit, als je maar ver genoeg teruggaat in de tijd, een nyai een rol gespeeld. En dat was vrijwel altijd een onderdanige en dienende rol (dienend in alle betekenissen). Bijna altijd staat een nyai aan het begin van het ontstaan van een Indische tak.
Een aparte groep waren vrouwen van Japanse afkomst. Deze werden rechtstreeks uit Japan of Singapore overgebracht en werden voor dit doel vaak uit bordelen vrijgekocht. De Japanse nyais stonden in hoog aanzien.