Indrukken van een Tòtòk
Indrukken van een Tòtòk

Indische typen en schetsen

door

Justus van Maurik

Amsterdam

Van Holkema & Warendorf

1897

blz 220 - 238

1.




‘t Was warm onder de houten zonnetent van stoomschip, dat mij van Batavia naar Semarang zou voeren. De felle zon brandde met voile kracht op de wit geverfde planken en ‘t briesje wat er stond was zo zwak, dat ‘t schier onmerkbaar scheen en men zich af­vroeg of de lichte koelte, die af en toe langs hoofd en wangen streek, niet alleen geboren werd door de vaart van ‘t schip.
Er waren niet veel eerste klasse passagiers maar ‘t zooge­naamde kuildek en ‘t tweede klasse dek daarentegen was zeer bezet. Allerlei koopwaar lag opeengestapeld in pakken, kisten en korven en een aantal in manden gepakte varkens verspreidde een minder frisschen geur. En tusschen en op die verschillende zaken lagen, vadsig uitgestrekt, Chineesche kooplieden, rookend uit hun metalen waterpijp, kauwend op suikerriet of slapend met open monden. Een Klingelees met een kleurig geborduurd toppie op hield de wacht bij een partij tussen bamboes verpakte pom­pelmoezen en manden vol kippen, met aandacht kijkend naar een groepje Javaansche mannen en vrouwen, die met een paar inlandsche soldaten het gewone tolspel speelden.


Een oude Malejer zat met een drietal vrouwen en een paar lastige kinderen gehurkt voor een matje, waarop een trekpot en kopjes stonden. Ze aten rijst uit pisang-blad en onthaalden zich op sappige vruchten, die zij van een medereiziger na lang loven en bieden hadden gekocht. Over de verschansing hingen lui en loom een aantal inlanders, die met slaperige oogen in zee keken, af en toe het sap van bun sirihpruim als een dunne roode straal voor zich uitspuwend. In het kuildek rook het naar doerian en gedroogde visch en een aantal Arabieren, Chineesche koelies, Maleiers en Javanen lagen, hurkten of zaten daar, strootjes rookend, etend of soezend bijeen.
Ik stond met den kapitein, een joviaal zeeman, te praten, kijkend naar al die passagiers.

Een wonderlijk zoodje! zei hij lachend. Ja, nu zitten ze nog rustig bij mekaar, maar - hij keek oplettend turend naar de prachtige blauwe lucht - over een uur of wat rollen ze als kegels door elkander of hangen over de verschansing om tol aan de zee te betalen.
Hoezoo, kapitein?
- Wel! we krijgen 'n beetje zwaar weer en een hooge zee. Kijk! - hij wees op een heel klein wolkje aan den gezichteinder daar zit het!
Zou u heusch denken?
Je kunt er zeker van zijn, meneer! tegen dat we Pekalongan hebben schommelen we dat 't liefhebberij is. Ja, dat zou je nu niet zeggen, we loopen zoo kalm en gladjes voort als op een kolfbaan, maar tegen den nacht zullen de heeren en dames er plezier van hebben. Heeft u last van zeeziekte, mevrouw vroeg hij aan een zeer corpulente, donkerbruine, Indische dame, die, in sarong en kabaia over 't dek wandelend, ons genaderd was.
- U zeggen, kaptèn
- Of u zeeziek is, mevrouw?
- 0, nee kaptèn! ik nooit niet zeeziek, ja!




Maar mijn dochter, o, kasihan! hij zeeziek altijd zo erg, ja! Hij spugen hart uit die lijf ja U denken, kaptèn, wij slecht weer van avond?
Dàt zal 'k niet zeggen, mevrouw, slecht weer niet bepaald, maar 'n beetje veel wind en hooge zee.
Allàh! veel wind, ghooge hgolven, jà, kasihan mijn Marietje, zij moet vroeg tidoor (slapen), gheel vroeg naar bed hgaan, jà Op die couchette lang uit liggen, dan niet sakit laut, jà?
- Dat 's altijd een verstandige maatregel, mevrouw!
-- En ghoe lang wij nog hgoed weêr, u denken, kaptèn? Tot donker houden we gladde zee.
0! dat gheel mooi! gheele tijd nog. ik zeggen: Marietje:
kind! jij eten vooraf.... en met haar muiltjes klapperend schommelde de dikke dame naar Marietje, die op een dekstoel uitgestrekt in zalig nietsdoen met haar waaier speelde.
- Dat 's nu een echte nonna, zei de kapitein haar glimlachend naoogend.
-- Zij spreekt ten minste 't echte Indisch-dialect, 'n wonderlijk taaltje. 't Klinkt gek dat verwisselen van de k en de g en gebruiken van hij voor zij en omgekeerd.
- Ja! met de geslachten houden ze geen rekening en het is eigenlijk geen Hollandsch wat zij spreken, maar vertaald Maleisch. U begrijpt van mama hebben zij nooit anders gehoord en ze hebben daardoor leeren denken in 't Maleisch.
Deze dame komt van Djocja - ten minste uit die buurt - haar man is koffieplanter.
Ja, in die streek vooral vindt je er nog heel wat van dat soort. Ze zijn niet onaardig zoolang ze jong zijn, mooi zelfs, slank en lenig - maar als ze zoo'n beetje op leeftijd komen dan....
- Dan wint de kwantiteit het van de kwaliteit, he?
- Juist! dan bereken je ze per pikol, maar enfin, hoe dikker hoe goediger, zullen we maar zeggen.
De kapitein had goed gezien, want nauwlijks was de zon met prachtige lichteffekten achter rood-gouden en violetkleurige wolken aan de kim ondergegaan of de wind stak op, 't water begon woeliger te worden en de boot stampte min of meer hevig.



Een groot uur later stond de zee reeds vrij hol en slingerde het schip, terwijl we in het salon aan tafel zaten, zoo erg dat de passagiers elkander met benauwde gezichten begonnen aan te zien. De dikke dame zei:
- Oh lo! die boot zo slingeren, jà! 1k mijn soep haast morsen. Goed he, kaptèn, Marietje al tidoor?
- Kapitein! zijn we al op de hoogte van Pekalongan? vroeg een passagier, die bleek om zijn neus werd.
- Nog niet, meneer; over een paar uurtjes.
- Is bet daar nog erger dan bier? zijn neus scheen spitser, zijn wangen bleeker te worden.
- Erg! noemt u dit beetje wiegelen erg?
- 't Is toch een zeer onaangenaam gevoel, de goede man keek met eenigszins uitpuilende oogen naar een stuk vettig vleesch op zijn bord en bikte even.
- Kom! 't is nu nog maar schommelen, straks als we flink hobbelen mag u je beklagen, nu niet.
- Maar kaptein, heusch ik .... ik. ... en terwijl bet schip eensklaps sterk overhelde en tegelijk een voorwaarts duikende beweging maakte, stond hij plotseling doodsbleek op en wankelde met zijn servet voor den mond naar den uitgang, herhaaldelijk zich tegen wand en stoelen stootend.
Oh-lo! grappig, hij lijken maboq, dronken! lachte de nonna.
-- Dat 's nummer één, grinnikte de kaptein rustig dooretend.
Een jonge dame met een aardig blank gezichtje werd nummer twee en een gele, vette Chineesche dandij met een sierlijk met roode zijde doorvlocbten staart, maakte bet drietal dat aan dek moest vol.
Drie is scheepsrecht, zei de kaptein, nam een tweede portie karbonade en terwijl bij mij lachend toeknikte:
- U schijnt er ook geen last van te hebben? Je zou een goed zeeman wezen, maar roep nog maar geen ho! voor we Pekalongan achter den rug hebben. 1k geloof dat 't er om spannen zal, dat ik lading zal kunnen overnemen. 't Is een allergemeenst gat daar voor Pekalongan - wanneer je van avond en van nacht lekker blijft, kun je gerust zeggen dat je..........


Wordt vervolgt.