1.


Wandelen door Semarang


Ik sla de hoek om van de Randoesarie en voor mij ligt het Boeloeplein.
Met het residentshuis, de muziektent en het gebouw van de Nederlands Indische Spoorweg maatschappij met aan weerszijde van de ingang de hoge torens.
Voor mij uit spitst het perspectief zich toe van de lange Bodjongweg met steeds kleiner wordende, naar de verte wijkende assembomen. Links het trottoir en daarachter, diep in hun grote voorerven, witgekalkte deftige huizen met brede open voorgalerijen.
Aan de rechterkant van de eindeloos lijkende weg iets wat wel een trambaan moet zijn en daarachter een slokan met houten brugjes erover naar kleinere woningen die soms dicht aaneen staan. Hoge telefoonpalen met onder elkaar hele rijen porseleinen isoleerpotjes.
Dan, opeens, de grote verrassing. Vrolijk belgeklingel doet hem omzien. Hij moet wel nooit eerder een tram hebben gezien dan op een plaatje, want verrast kijkt hij naar het groengeverfde bijna vierkante loco-motiefje dat een paar wagonnetjes achter zich voorttrekt.
Het stoomtrammetje dat hem enkele jaren later elke morgen naar de Bodjongse H.B.S. zou rijden.
Het heldere belgetingel, de lichtgrijze rook, wegkrinkelend uit het lage schoorsteentje tussen de takken en bladeren van de assem bomen, een beeld waaraan hij nog vele jaren later, toen de romantiek van stoomtrein en tram reeds lang verdreven was door de nuchtere, geruisloos wegvluchtende elektrische vervoermiddelen, vaak zou terugdenken.
Wat moet mijn tippelaartje verder zijn opgevallen op zijn eerste onderzoekingstocht langs de toch niet meer dan twee kilometer lange Bodjongweg?


Aan de trottoirkant zeker de in die dagen door eeuwig dorstende Semarangers zeer gewaardeerde bierhal Tan Siau Lip. Meer echter nog het taartjespaleis Restaurant Smaber.
Met op de gemetselde terrasjes aan de straatkant ijzeren stoeltjes om de lege biertonnen, waar, inde kotta waar de hitte al vroeg voelbaar werd, waarschijnlijk al dorstige achter een koel drankje zaten. Later zou hij er zelf vaak en met graagte happen in verse roomhoorns en ettelijke glazen Ús-pasra leeg lepelen, geschaafd ijs met rozen-, vanille, assem- of chocoladestroop.
Nog wat verderop het in zijn ogen grote en voorname Hotel du Pavillon, heel wat deftiger toch dan die binnenlandshotelletjes die hij nog slechts had gekend.
Dan kwam, even voorbij het hotel als een grote verrassing, de aloen-aloen.
Het is niet onmogelijk dat hij er even in het gras is gaan zitten, in de schaduw van een assemboom om er zijn dorst te lessen met een glaasje Ús-poeter, geruild voor een roodkoperen gobang, die hij vermoedelijk wel in zijn broekzak gevonden zal hebben.
Niet lang daarna, toen zijn goede vader hem gelukkig had gemaakt met zijn eerste fiets, zou hij hier nog vaak terugkomen. Om er in het koele middaguur op zijn buik in het gras liggend te kijken naar de soldaten uit de tangsi, die er juichend en transpirerend achter de voetbal draafden.
Maar hoeveel spannender waren de echte wedstrijden van de rivalen Go Ahead en M.O.T. waarvan hij in zijn H.B.S.-dagen zou genieten. Go Ahead met de gebroeders Kruythof en de beide Priesters, de Hartens en Baer van Slangenburg. En de dikke Motspeler Rogge, door wij hijzelf nogal eens tegen de groene grasmat belande.


Maar de aloen-aloen bezat nog andere attracties. Daar had je de altijd even interessante gezellige Pasar Djohar. Waar in de kraampjes en stalletjes zoveel begeerlijkst lag uitgestald, dat je wel niet kopen kon, maar dat je naar hartelust kon bekijken en betasten.
Blinkende zakmessen uit Solingen - made in Germany - met allerlei handige gereedschapjes erin. Dikke horloges, systeem 'Rosskof" die maar een ringgit kosten. Koperen tabaksdozen met een spiegeltje erin, onverslijtbare leren gordels met blinkende S-vormige gespen en opgenaaide zakken waarin je al kostbaarheden zou kunnen bergen.
Mondharmonica's, tjap Hohner, tollen van djamboehout en karbouwehoorn, bontgekleurde prenten uit de Boerenoorlog, waarop de rooinekken steevast op hun donker kregen van de Pieter Marissen.
Benen sigarettenpijpjes met een heel klein vergrootglaasje er doorheen waardoor je een spiernaakte dame kon bewonderen.
Over die Pasar Djohar ben ik nog niet uitgebabbeld.Je zag er altijd rondneuzende soldatenvrouwen uit de tangsi. Doodbedaarde Chinese nonja's, vaak met fonkelende juwelen in de oren en dikke gouden armbanden om de polsen.
Een enkele maal zag een van de geisha's uit de huizen van plezier op Djagalan. Daar zaten ze op een rijtje in bontgekleurde kimono's lieflijk glimlachend en elegant haar waaiertjes hanterend op de klandizie te wachten.
In door over touwen gehangen sarongs van elkaar gescheiden hokjes zaten de batikhandelaars.Altijd hing er die niet te beschrijven batikgeur.Wonderlijk warme kleuren hadden de kains, de slendangs en hoofddoeken uit Vorstenlanden, Cheribon en Pekalongan.


Dit alles, de heel eigen sfeer, het rustige gedoe van pasargangers en verkopers - hoeveel sympathieker is dit alles niet dan het geschreeuw van de standwerkers op een vaderlandse markt - verklaart waarschijnlijk waarom ik ook in mijnlater leven nog zo graag ronddoolde over de pasars in de plaatsen waar ik woonde.
Achter de eigenlijke pasar,in de open lucht,zaten de rombengans, de bric-a-bracs van het oosten,die allerlei interessante oude rommel verkochten. Gedeukte koperen carbidlampen, oude Daisy-windbuksen,vergulde petroleum hang-en muurlampen,geel geworden en door vliegen bespikkelde gipsen bustes van Beethoven, Wagner en Liszt en ouderweste gravures in zwarthouten lijsten.
Soms ook stapels oude tijdschriften, voor hen een prikje van de hand gedaan door een plaatselijk leesgezelschap.Ook hier neusde je graag rond.
Aan de westzijde van de aloon-aloon lag de Stadstuin, in die dagen centrum van amusement voor hen,voor wie de sociŰteit te deftig of te duur was. In de muziektent speelde op zaterdagavonden meestal de militaire kapel uit de tangsi.
Dan kon je uit kinderen met hun ouders zien rondwandelen of om de ijzeren tafeltjes zien genieten van een kogelflesje limonade of een es-parsa.
Soms schalde een pittige Souzamars uit de koperen hoorns, een smeltende Kalif van Bagdad of iets dromerigs uit Hoffmans Erzńhlungen. Als er dansmuziek ten beste werd gegeven, walsen en polka's lanciers of pas-de-quatre of ook wel de pas ge´mporteerde cakewalk, kom je de ouderjaars van de H.B.S, de beroemdheden van Sine Nomine, de toneelvereniging, en Go Ahead zien rondhhuppelen met hun ,,keetjes'.

verder