Gong fabricatie - Foto (plaat) - 6

Op deze foto (plaat) 6 vindt men de volgende verschillende werktuigen die in de gong-industrie worden gebruikt:
- „oemboel dawa", het groote houten blokje, dat bij het „mětaq" gebruikt wordt.
- „grěběg", de drilboor waarmede de gaten in den opstaanden rand van den „gong" worden geboord om het touw, waaraan de „gong" hangt, doorheen te halen.
- „oemboel tjěndaq", als N°. 1 in het klein.
- „soepit", de nijptang.
- „platar", de groffe gebogen vijl.
- „tjotjor sělětan", de kleinste der ijzeren hamers, die voornamelijk gebruikt wordt bij de „bentang" genoemde bewerking, d.w.z. het weghameren van kleine oneffenheden na het smeden.
- „tjotjor mindan", de ijzeren hamer, die voornl. voor het bewerken van den opstaanden rand van den „gong" te pas komt.
- „bantji", de houweelvormige hamer, waarmede oppervlakkige fouten op den „gong" na het smeden worden weggebikt.
- „pangoer", het aan een langen stok bevestigde beiteltje, dat bij het afschaven wordt gebruikt.
- „oeriq-oeriq", het werktuig waarmee de vijlen gescherpt worden.
- „pěnoenggalan", de korte ijzeren hamer in den vorm van den „paloe", die vooral bij het stemmen wordt gebruikt.
- „pěngěsiq", het sikkelvormig schaafmes.
- „pětěl", de gewone kleine inlandsche dissel om kleine oneffenheden na het smeden en na het dichten van barsten weg te bikken.
- „paloe alang", houweel met lang slageinde om de „pasoe" (richel) uit te slaan in een „bonang",het gong-vormig muziekinstrument met hoogen opstaanden rand.