3422769 Bezoekers
13 Bezoekers online
Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. : De juiste samenstelling van de gong-spijs wordt aan kleine gietproeven getoetst. Het maken dier gietproeven zal later bij de vervaardiging der „lakar" nader beschreven worden.
De gesmolten gong-spijs wordt in uithollingen [„leleran"], welke eenvoudig in den bodem van de smederij zijn gegraven, met behulp van, aan lange houten stelen bevestigde, ijzeren lepels [„batoqwěsi"] overgeschept [„njidoeqi"]. De gevormde groote platte koeken, welke eveneens „leleran" heeten, hebben een gewicht van ca. 1 pikol.
Ze moeten aan de lucht afkoelen, waardoor ze bros worden en dan later aan stukken geslagen kunnen worden. Dit stukslaan geschiedt met een ijzeren hamer, die „gěblog" heet. — De „gěblog" is zwaar, aan het eene einde vierkant en aan het andere rond en aan een vrij korten houten steel bevestigd.
Alvorens tot de vervaardiging van de „gong's" te kunnen overgaan, moet de gong-spijs nog eens worden overgesmolten. Van den voorraad stukgeslagen „leleran" wordt het voor de betreffende „gong" benoodigde gewicht aan gong-spijs afgewogen, daarbij rekening houdende met de omstandigheid, dat ook bij deze tweede smelting weder een gedeelte als slakken verloren gaat.
De voor het smelten benoodigde tijd kan ongeveer worden afgemeten naar de opgave, dat het smelten van 35 katti omstreeks een uur kost.
Het smelten van de stukgeslagen „leleran" geschiedt overigens geheel op dezelfde wijze als het eerste smeltingsproces.
Deze tweede smelting heet „nglěboer." De daarbij gebruikte kroes [„kowi lěboeran" is veel kleiner dan die, welke bij de eerste smelting dienst doet, en is voorzien van een tuit.
Terwijl de smelters aan het werk zijn, wordt door een der helpers de vorm in gereedheid gebracht; zij draagt den naam van „pěnjingen".
De vormen, welke in verschillende grootten voorhanden zijn, al naar gelang van de grootte van de „gong" die men wenscht te vervaardigen, zijn gebakken uit een mengsel van grijze klei [„loempoer"], zand [„pasir"], fijne steenslag [„krikil"] en onverkoolde „bramboet" [„bramboet měntah"].
De vormen zijn niets anders dan schijven van vrij aanzienlijke dikte, die van boven slechts een geringe uitholling bezitten. In deze uitholling wordt straks de vloeibaar geworden gong-spijs gegoten, die dan als z.g. „lakar" feitelijk de grondvorm van de ,;gong" krijgt: een platte koek van metaal, die aan eene zijde slechts even bol is.

La vie est un pélerinage