3422939 Bezoekers
14 Bezoekers online
Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. : Het smeden- [„pande"] geschiedt met ijzeren en houten hamers van verschillenden vorm, om daarmede de verschillende deelen van de „gong" te fatsoeneeren.
Elk dezer hamers heeft een eigen naam.
IJzeren hamers: [Zie Plaat VI en VII].
Houten hamers:
Tot beter verstand van de verschillende manipulaties bij het smeden en fatsoeneeren van een „gong" dient een juiste beschrijving vooraf te gaan van de onderdeden, die de Javaansche gongmaker aan de „gong" onderscheidt.
Bijstaand fig. 2 stelt een „gong" in doorsnede voor.
De knop a, die bij den gewonen Javaan „pěntjoe" heet, draagt bij de gongmakers den naam van „ěndas" [kop] *).
De opstaande rand b van den knop wordt „tikěl" genoemd, het vlakke gedeelte c „rai", de richel d „pasoe", het gebogen gedeelte e „rědjěb" en de rand f „doedoe". Aan den opstaanden rand, die in zijn geheel „kaki" [„voet"]**) heet, wordt weder onderscheiden het gedeelte g als „baoe" en de rand h als „lambe". De opening aan de onderzijde van de „gong" heet „lolohan".

Gong doorsneden
De aanbeelden waarop de „gong's" gesmeed worden zijn uitsluitend van steen, en wel van eene zeer hard en dicht soort grijs vulkanisch gesteente, dat de gong-makers zelf in de ravijnen aan den voet van den vulkaan Merapi bij de desa Kenteng gaan halen.
Waarschijnlijk zullen elders even geschikte steenen gevonden worden, doch eene overlevering zegt, dat in vroegere tijden de
Soesoehoenan van Solo met name PAKOE BOEWANA II BAGOES aan de gongmakers bevolen heeft, dat zij de steenen voor hunne aanbeelden nergens anders vandaan zouden halen dan van den Merapi en daaraan hebben de gong-makers zich steeds gehouden.
*) Volgens A. M. K. DE DOES: Toestand der Nijverheid in de afdeeling Bandjarnegara [Tijdschr. v. Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde, Deel XXXVI, 1893] schijnen ook de gong-makers aldaar den knop met het woord „pěntjoe" aan te duiden, hetgeen te Semarang beslist niet het geval is.

La vie est un pélerinage