3423349 Bezoekers
4 Bezoekers online
Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. : Wanneer het voorloopig stemmen, waarmede het afwerken van de „gong's" aanvangt, nu is afgeloopen, worden met een kleine ijzeren hamer, de „tjotjor sělětan", alle deuken en oneffenheden, die nog in den opstaanden rand van de „gong" mochten voorkomen, op een klein ijzeren aanbeeld [„paron"] er uitgehamerd. — Deze bewerking heet „sělět".
Vervolgens worden in den opstaanden rand, op eenigen afstand van elkaar, twee gaten geboord, om daardoor een touw te kunnen halen, waaraan de „gong" kan worden opgehangen.
Voor het boren der gaten [„di djara"] gebruiken de smeden een drilboor „grěběg" geheeten, die op de volgende wijze is samengesteld [zie Plaat VI].
Een houten staaf is aan het boveneinde voorzien van een geelkoperen kap met ring, en aan het ondereinde van een klemring van hetzelfde metaal, waarin een plat driehoekig boorijzer [„antoep"] is bevestigd. Een weinig boven het ondereinde is aan de houten staaf een zware looden schijf aangebracht.
De staaf loopt, hier vlak boven, door een gat in eene dwarslat, aan wier uiteinden een touw bevestigd is, dat ook door den ring aan het boveneinde van de staaf heenloopt.
Door het telkens omlaag trekken van de lat langs de houten staaf, waarbij het touw beurtelings om de staaf en er weer af ge-wonden wordt, geeft men aan de boor eene draaiende beweging, afwisselend naar rechts en naar linfe. De looden schijf geeft daarbij kontinuiteit aan de beweging.
Thans kan tot het eigenlijke afwerken worden overgegaan, dat voornamelijk ten doel heeft aan de „gong" een beter uiterlijk te geven.
Het werkstuk toch is nog steeds zwart en vrij oneffen, zóó als het uit de smidse is te voorschijn gekomen.

La vie est un pélerinage