3423407 Bezoekers
5 Bezoekers online
Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. : Het afschrappen, waardoor de krassen van de vijl worden weggemaakt, geschiedt met twee instrumenten, de „pangoer" en de „pěngěsiq".
De „pangoer" is een houten stok van een meter lengte, waaraan ongeveer in het midden rechthoekig een scherp ijzeren beiteltje is ingelaten.
Het eene uiteinde van den stok rust bij 't gebruik op den grond, terwijl de werkman, het andere einde vasthoudend, met het beiteltje over de oppervlakte van de „gong" schuurt. De „pěngěsiq" is een sikkelvormig mes, waarvan de beide punten in een kort houten handvat zijn bevestigd. De uiteinden hiervan, die links en rechts wat uitsteken , houdt men vast en schaaft dan met het mes over de oppervlakte van de „gong". [Deze werktuigen zijn op Plaat V afgebeeld].
Het afdraaien van „gong's" gebeurt zelden en alleen voor mooie en kostbare stukken, die voor „gamMaris" bestemd zijn.
Men gebruikt daartoe een primitieve draaibank [„boeboetan" of „oendan-oendan"], die volgens de smeden te Semarang, eene vinding uit den lateren tijd is [fig. 10].
Op vier korte palen in den grond is een raam van evenvele balken bevestigd, waardoor heen in de lengte een vijfde balk loopt, die langs de beide korte zijden van het raam verschuifbaar is en in het midden in een van de zijvlakken rechthoekig een ijzeren pin heeft staan. Recht tegenover deze pin is in het zijvlak van de tegenoverliggende lange zijbalk van het raam een dergelijke pin geslagen.
Om de „gong" in deze draaibank te bevestigen, legt men in de holte van de „gong" een houten plankje, dat er in gehouden wordt door de binnenwaartsche buiging van den opstaanden rand van de „gong" [zie fig. 11]. Vervolgens legt men een langer plankje op den rand van de „gong", in dezelfde richting als de binnenste plank en verbindt beide stevig door links en rechts, in daarvoor bestemde gaten, ijzeren trekschroeven aan te zetten. In het midden van beide plankjes zijn korrespondeerende, vierkante gaten aangebracht, waardoorheen een houten spil gestoken wordt, die aan het andere uiteinde een zand-loopervormige houten spoel [„soewěl"] draagt. Aan de uiterste punt van deze spoel is een plaatje ijzer met een gat bevestigd. Dit geheele samenstel wordt nu zóó in de draaibank gespannen , dat de ijzeren pin in de zijbalk in het gat van de spoel grijpt.

Vervolgens wordt de losse balk zoover aangeschoven en vastgezet, dat de daarin bevestigde pin tegen het middenpunt van de „pěntjoe" drukt, en zoo de „gong" tusschen de beide ijzeren pinnen, die „intjěr" heeten, vastgeklemd blijft.
Op eenigen afstand van de draaibank staat een lange bamboestaak in den grond, aan het boveneinde waarvan een lang dun touw is bevestigd.
Dit touw windt men een paar slagen om de houten spoel en maakt het uiteinde vast aan een trapplank, die onder de draaibank bevestigd is.

Door de plank naar berreden te trappen, wordt de spoel en daarmede de „gong" rondgedraaid en tegelijk de bamboestaak naar beneden gebogen en gespannen. Laat men de trapplank nu los, dan neemt de bamboe weer den rechten stand in en draait tegelijk de „gong" in tegenovergestelde richting rond.
Het afdraaien geschiedt met behulp van beitels, waarbij de verschuifbare dwarsbalk als support dient.
Na deze laatste bewerkingen te hebben ondergaan wordt de „gong'' nogeens definitief gestemd en is dan ten verkoop gereed.

La vie est un pélerinage