3422591 Bezoekers
2 Bezoekers online
Een korte toelichting van de plattegrond volge hieronder.
Bij a bevindt zich de haard [„prapen"], die gevormd wordt door een ondiepe ronde kuil met houtskool opgevuld , in het midden waarvan zich een kratervormige uitdieping-bevindt. — Een onderaardsch gemetseld kanaal b [„doengoe"] verbindt het midden van de haardkuil met de ondiepe vierkante kuil d en is bij p door een steen afgesloten, die „poenoeq" genoemd wordt.
De „doengoe" dient om lucht aan het vuur toe te voeren. Door het woord „doengoe" wordt tevens de geheele smeedplaats aangeduid, men zegt nl dat een gong-maker twee of meer „doengoe" heeft, zooals men bij ons zou zeggen, dat eene ijzergieterij met twee of meer hoogovens werkt.

De „poenoeq" is doorboord door één of twee buizen, door c aangeduid,
welke buizen „soeling" [eigenlijk „fluit"] heeten, en waaraan de later te vermelden blaasbalgen bevestigd worden.
In de smidse bevinden zich drie steenen aanbeelden, die alle in den grond zijn ingegraven. Het zijn de „watoe tandes" [h], de „watoe mindan" [e] en de „watoe plara-pan" [g].
Bij i is een klein in den grond ingelaten gecementeerd waterbakje [„koboqan"], gedeeltelijk gesloten met een plankje en waarin een uit padistengels (rijst-stengels) gemaakte kwast [„kobjoq"] ligt.
k wijst de plaats aan van een groote, in den grond gemetselde en bepleisterde ronde waterkuil [„plandan"], waarin de werkstukken worden afgekoeld.

La vie est un pélerinage