3422945 Bezoekers
19 Bezoekers online
Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. : De „gětjaqari'' en „djoedjoetari" behooren als afval aan de helpers die ze weder aan den gongmaker verkoopen tegen 50 cent per katti.
Is het metaalmengsel naar wensch, dan kan tot het gieten worden overgegaan. Daartoe wordt de smeltkroes uitgegraven en met een roerstaaf de slakken afgestreken. Twee helpers nemen dan den kroes met tangen [soepit"] uit de haardkuil en zetten hem op een hoopje houtskool naast den vorm neer. In dien vorm is onderwijl wat klapperolie gegoten om het aanbakken [„krakět"] te voorkomen.
De „soepit" is een ijzeren knijptang waarvan de halvemaanvormige nijpers wijd uitgebogen zijn en slechts met de afgeplatte uiteinden tegen elkaar komen.
Met behulp van een paar dergelijke tangen giet de „pandji" nu den inhoud van den smeltkroes in den vorm over. Dit gieten heet „di soq" [Zie Plaat II].
Tegen de verzengende uitstraling van het gesmolten metaal wordt, gedurende het gieten, het gezicht van den „pandji" beschut door een, uit bamboe gevlochten scherm [„aling-aling"] aan een langen steel, dat een helper tusschen den „pandji" en den smeltkroes houdt. De „pandji" slaat dan het werk gade door de reten in het bamboescherm.
Evenals bij het gieten van de „djoedjoetari' wordt ook hierbij het gesmolten metaal bestrooid met „bramboet", dat, zoowel als de olie die in den vorm was gegoten, in brand vliegt. De verkoolde „bramboet" wordt met de slakken, die boven komen drijven, met behulp van het roerijzer afgestreken en voortdurend nieuwe „bramboet" er op gestrooid. Zijn de slakken en luchtbellen in het gesmolten metaal opgestegen,, dan laat men het in den vorm stollen, waarna het er uitgegooid wordt, om aan de lucht te bekoelen.
De aldus gevormde ronde platte koek is in het midden slechts enkele cM. dik. Het is de eerste gedaante van de „gong" en heet „lakar". De smeltkroezen worden dadelijk na het uitgieten onder de met water uitge¬doofde, doch noch warme houtskool bedolven, daar ze, aan de lucht te schielijk bekoelend, haarfijne barstjes zouden krijgen, waaruit bij het smelten het metaal zou wegloopen.
Het gieten der „lakar" heeft steeds des namiddags plaats, om den volgenden morgen tot het uitsmeden er van over te gaan.

La vie est un pélerinage