3423024 Bezoekers
2 Bezoekers online
Bij de keuze der steenen gaan zij af op vastheid en kleur. Indien de steen op de breuk een paarsachtig-grijze kleur [„oelěs woengo"] heeft, is dit een teeken van deugdelijkheid. Goede steenen kunnen volgens ' opgave ongeveer twaalf jaren dienst doen, en het gemiddelde gewicht van een aanbeeld bedraagt 10 a 15 pikol. Het transport van zulk een steen tot Semarang zou op f 80.— komen te staan, en dikwijls blijkt bij de in gebruikname, dat een steen barst of om de een of andere minder gewenschte eigenschap afgekeurd moet worden.
Om als aanbeeld te dienen worden de steenen door behouwing verschillend gefatsoeneerd.
De platte slagvlakken worden aan de steenen gemaakt door afbikken [„natjahi"] met een ijzeren hamer [„pěnatjah"] en afschuren van de oppervlakte met een soort steen [„watoe las"] die volgens de gong-makers van Pontianak wordt ingevoerd, bevestigd aan een bamboe die door een paar horizontaal gespannen, en aan de stijlen van de loods vastgemaakte touwen in loodrechten stand boven het af te ' schuren aanbeeld hangt en heen en weer bewogen wordt, waardoor de schuursteen over het aanbeeld schrapt; deze bewerking heet „ngangsapi" en moet gewoonlijk om de drie maanden herhaald worden om beschadigingen van de oppervlakte der aanbeelden te herstellen.
De „watoe tanděs", het voornaamste aanbeeld, waarop het meest gewerkt wordt, [op fig. 1 met h aangeduid] is in den grond zoodanig ingegraven, dat de naar den haard toegekeerde bovenrand gelijk met den grond ligt, terwijl het ongeveer vierkante bovenvlak naar de andere zijde eenigzins schuin oploopt.
Van het tweede in den grond gegraven steenen aanbeeld [fig. 1g] de „watoe plarapan" [ook genoemd „watoe lodoq"] komt de vierkante en glad afgewerkte bovenkant geheel gelijk met den grond.
Ten slotte blijft nog te vermelden de „watoe mindan" [fig. 1e] een op zijn kant staande vierkante steen, die aan den rand van de op fig. 1 met d aangegeven kuil zoodanig is ingelaten, dat de bovenkant gelijk komt met den grond en de eveneens glad-geschuurde zijkant samenvalt met den opstaanden rand der kuil.
De gong-makers hebben verscheiden redenen om zich niet van ijzeren, maar van steenen aanbeelden te bedienen. Eene voorname rol speelt daarbij de overlevering en het aloude gebruik.
Een ijzeren aanbeeld zou door hen ook niet meer gerepareerd kunnen worden als het door lang gebruik eens ongelijk geworden mocht zijn, wat bij de steenen wel het geval is. — De voornaamste reden schijnt echter wel te zijn, dat bij een ijzeren aanbeeld de hamers dooi' de veel grootere veerkracht van het ijzer in vergelijking met steen, ook met veel te groote kracht zouden opspringen.
Waar nu vanwege den vorm van het werkstuk de 3 tot 5 smeden allen vlak opeengedrongen aan ééne zijde van het aanbeeld moeten staan, zou dit terugspringen der hamers groot gevaar opleveren.
„Gong's" tot 20 katti gewicht worden aan de kleine haarden gesmeed, terwijl zwaardere, waarvoor meer hitte noodig is, aan de groote haarden waarvan de „doengoe" van twee blaasbalgen [,,lamoes"]
is voorzien, bewerkt worden.
Deze blaasbalgen worden door twee helpers, de hooger reeds genoemde „noeloep" en „ngaroni" behandeld.
Als tot het smeden wordt overgegaan legt een der helpers een „lakar" in het te voren aangewakkerde vuur.
De „pandji", die gedurende de geheele operatie van het smeden op eene over de kuil f [zie fig. 1] gelegde plank is gezeten, grijpt de „lakar" met twee van houten handvatten voorziene ijzeren stangen vast. [Zie Plaat I.]

La vie est un pélerinage