3423214 Bezoekers
6 Bezoekers online
Deze artikelen zijn ook met een RSS reader te lezen. : 
Om aan het bovenvlak van de „gong" de juiste golvingen in den vorm te geven, wordt een toestel, als op Plaat IV aangegeven, gebruikt, dat den naam „mětaqan" draagt, terwijl de daarmee toegepaste bewerking' met 't woord „mětaq" wordt aangeduid. Het bestaat uit een kort, in den grond geplant houten blok met een vierkant gat, waarin een ongeveer 2 1/2 M. lange dwarsbalk horizontaal gestoken is, en die in het vierkante gat voldoende speling heeft, om aan het vrije uiteinde op en neer bewogen te kunnen worden. Onder dien balk wordt de „gong" op eene plank gelegd.
Op dat gedeelte van de „gong", dat „rědjěb" heet, wordt dan een klein kegelvormig los blokje hout, „oemboel" genaamd, overeind gezet, en met behulp van den dwarsbalk als hefboom oefent de werkman op dat blokje, en daarmede op de „rědjěb", een druk uit, waardoor aan deze de vereischte buiging gegeven wordt.
Al naar gelang van de grootte van de „gong" wordt een „oemboel dawa" [lange] of een „oemboel tjěndaq [korte] gebruikt. Door met een ijzeren hamer, de „pěnoenggalan"', naast de „oemboel" op het metaal te slaan, wordt de indeuking permanent gemaakt, daar anders het metaal na opheffing van den druk weer omhoog zou veeren.
De „pěnoenggalan" is een „paloe" in het klein met korte steel en van 1 1/2 katti gewicht.
Het fatsoeneeren van de „rědjěb" noemt men „di kirih-ake".
Daarna wordt de „gong" omgekeerd, na de plank weggenomen te hebben, om te voorkomen , dat de knop, die in een uitholling in den grond komt te rusten, beschadigd zou worden. Op dezelfde wijze als boven voor de buitenzijde beschreven is, wordt nu de binnenzijde van de „gong" behandeld. — Dan wordt n.1. aan de „rai" en de „pasoe" de juiste vorm gegeven, welke bewerking, „ndjoeloeq" heet.
Het eigenlijke smeden is hiermede afgeloopen. Nog eenige losse opmerkingen naar aanleiding daarvan mogen hier een plaats vinden.
Bij het weder verhitten van het bijna koud geworden werkstuk moet men zeer voorzichtig en langzaam te werk gaan, daar het anders met luiden knal springt. Het is trouwens bekend, dat groote gietstukken van koper-legeeringen bij het afkoelen voor koude lucht-stroomen zeer gevoelig zijn.
Tegen de zengende uitstraling van groote „gong's", wordt evenals bij het gieten, het gezicht van den „pandji" door de voorgehouden „aling-aling" beschermd.
De handen worden, bij het vasthouden met de nijptangen, bedekt met peperhuisvormig gevouwen kleine stukken matwerk, „tjon-tong" genaamd, die dus als handschoenen dienst doen. Ook beschermen de smeden zich den voet, die bij het smeden vóór gezet wordt, veelal door omwinding met „gěděbog-pisang" en „goenie".
Deze voorzorgsmaatregelen zijn echter alleen noodig bij „gong's" van boven de 35 katti.
Bij een bepaald soort „gong's" wordt rond om de „pěntjoe" een gleuf geslagen, als bij a fig. 7 schematisch in doorsnede voorgesteld.
De gleuf wordt er in gehamerd met de „pěnoenggalan" en heet „widěngan". Het doel is, speciaal bij kleinere „gong's", om den toon zwaarder te maken, en gaan dergelijke „gong's" voornamelijk naar Solo.

La vie est un pélerinage